Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534038-(R2039) nr. 6

34 038 (R2039) Goedkeuring van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Trb. 2012, 233)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 31 oktober 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

     

1.

Inleiding

1

2.

Uitvoering

3

3.

Consultaties

4

4.

Artikelsgewijze toelichting

6

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van rijkswet dat strekt tot goedkeuring van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het verdrag). Deze leden onderschrijven de standpunten ter bescherming van vrouwen tegen allerlei vormen en soorten van geweld. Over het voorstel tot goedkeuring hebben deze leden nog enkele vragen, suggesties en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie lazen in het voorstel over het voornemen om tot een integrale aanpak te komen en huiselijk geweld uit te bannen. Hierover willen deze leden opmerken dat een dergelijke ambitie sympathiek overkomt maar niet realistisch is. Geweldsmisdrijven en huiselijk geweld zijn helaas een onderdeel van onze maatschappij en zullen nooit helemaal uitgebannen kunnen worden. Het lijkt genoemde leden beter om in dit kader de ambities uit te spreken van het verminderen van recidive en versterken van de positie van slachtoffers. Daar hoort een dadergerichte aanpak bij die wat deze leden betreft onderbelicht blijft in het verdrag. Het lijkt deze leden een goed idee om onderscheid aan te brengen in het beleid ten opzichte van «first offenders» en veelplegers. Wat de leden van de VVD-fractie betreft mag de meeste aandacht bij «first offenders» uitgaan naar het opvangen van slachtoffers en zou bij veelplegers de aandacht meer naar het keihard aanpakken van daders moeten uitgaan. Deelt de regering deze uitgangspunten en op welke wijze wordt hier in het Verdrag rekening mee gehouden? Is de regering daarnaast van mening dat het verdrag een ieder verbindende bepalingen kent zoals bedoeld in artikel 93 en 94 van de Grondwet? Zo ja, welke bepalingen uit het verdrag zijn naar de mening van de regering een ieder verbindend? Geven deze bepalingen de Nederlandse burger meer voor de rechter afdwingbare rechten dan hij nu reeds heeft op grond van andere verdragen waar Nederland aan gebonden is?

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voorstel van rijkswet dat strekt tot goedkeuring van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Genoemde leden zijn van mening dat het verdrag uniek van aard is en een internationaal, juridisch bindend en alomvattend instrument vormt om actief op te treden op het gebied van preventie, slachtofferhulp en vervolging van daders. Een krachtige aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld is en blijft noodzakelijk en daarom hebben genoemde leden nog wel enkele vragen en opmerkingen.

Recentelijk publiceerden de universiteiten van Stanford en Oxford een studie naar de wereldwijde omvang en kosten van huiselijk geweld. De conclusie is dat geweld achter de voordeur wereldwijd jaarlijks meer mensenlevens kost dan oorlogen. En dat de economische kosten wereldwijd jaarlijks 6.200 miljard euro bedragen. In Nederland is bekend dat jaarlijks rond de 220.000 volwassenen slachtoffer zijn van incidenteel geweld in huiselijke kring. Verder blijkt dat ruim 119.000 kinderen worden verwaarloosd of mishandeld. De leden van de PvdA-fractie vragen in verband met het voorgaande wat de economische kosten van huiselijk geweld in Nederland zijn. Deze leden doelen dan op een overzicht van de kosten van politie en justitie, medische kosten, kosten voor psychosociale hulp en kosten in de sfeer van sociale zekerheid.

Jaarlijks sterven gemiddeld 45 mensen door huiselijk geweld. Voornamelijk vrouwen maar ook kinderen en mannen. Vaak wordt er in een huiselijk geweld zaak aangifte gedaan en is er dus een verdachte, ook bij ambtshalve aangiften. De leden van de PvdA-fractie willen in het licht van het voorgaande graag weten hoeveel procent van de verdachten nooit wordt verhoord.

De leden van de PvdA-fractie hebben verder vernomen dat geestelijke mishandeling met naaktfoto’s op internet een steeds vaker voorkomende vorm van geweld is. Deze leden zijn van mening dat slachtoffers door middel van digitale chantage ernstig onder druk worden gezet en bescherming verdienen. Hoe vaak komt deze vorm van digitale afdreiging voor? Welke mogelijkheden zijn er om deze vorm van chantage een halt toe te roepen en hoe vaak heeft het openbaar ministerie (OM) de afgelopen vijf jaar vervolging ingezet op grond van artikel 318 Wetboek van Strafrecht (Sr)?

De leden van de PvdA-fractie betreuren het dat vaak nog onduidelijk is hoeveel geld er met mensenhandel wordt verdiend en waar dat geld naartoe gaat. Genoemde leden zijn van mening dat mensenhandel niet mag lonen en dat wanneer inzicht ontstaat in de geldstromen en het financiële voordeel van mensenhandelaren de bewijsmiddelen breder en meer divers worden. In verband met het voorgaande vragen deze leden in hoeveel van alle mensenhandelvonnissen in de periode 2010–2013 sprake is geweest van ontneming.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel en onderstrepen het belang van het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Ondanks dat Nederland grotendeels aan het betreffende verdrag voldoet, hebben zij hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met een positieve grondhouding kennisgenomen van de rijkswet Goedkeuring van het op 11 mei 2011 te Istanbul tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Genoemde leden vinden het belangrijk dat geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een punt is op de agenda van de Raad van Europa. Zij willen in het algemeen wel stellen dat dit specifieke wetsvoorstel (zie ook titel) voor vrouwen onverlet laat dat ook geweld tegen mannen op de agenda van de regering en van Europa moet staan. Volgens de leden van de CDA-fractie zit geweld tegen mannen nog veel meer in de taboesfeer en moeten wij voorkomen dat deze groep vergeten wordt. Graag horen deze leden van de regering hoe zij dit zien?

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot goedkeuring van het verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Ze constateren dat de Nederlandse wetgeving voor het overgrote deel al voorziet in de bepalingen van het goed te keuren verdrag. Genoemde leden zijn van mening dat geweld tegen vrouwen en in huishoudelijke kring voorkomen en bestreden dient te worden, en steunen de uitgaanspunten van dit verdrag. Met betrekking tot de definitiekeuzes en de implementatie van het verdrag hebben deze leden nog wel enkele vragen welke zij graag aan de regering willen voorleggen.

2. Uitvoering

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het Caribische deel van Nederland nog niet voldoet aan de voortvloeiende verplichtingen uit het verdrag en dat daar een basisaanpak huiselijk geweld is opgesteld. Genoemde leden zijn van mening dat de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in Caribisch Nederland extra aandacht vraagt omdat de problematiek daar groot is en zijn benieuwd hoe de basisaanpak huiselijk geweld die voor het Caribische deel is opgesteld er precies uitziet. Welke concrete stappen worden er op de eilanden gezet om geweld in afhankelijkheidsrelaties te voorkomen en te bestrijden? Hoe staat het met de beschikbaarheid van opvangvoorzieningen, primaire preventie, voorlichting, signalering en deskundigheidsbevordering?

De leden van de SP-fractie vragen de regering om toe te lichten waarom en op welke punten het Caribisch deel van Nederland nog niet voldoet aan de uit het verdrag vloeiende verplichtingen. Op welke termijn zijn zij in staat om daaraan te voldoen?

De Raad van State heeft in juli 2014 een advies uitgebracht over onderhavig wetsvoorstel. Daarbij stelt de regering dat de openbare lichamen (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) niet onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel vallen en dat er medio zomer 2014 concrete afspraken worden gemaakt over de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld op deze eilanden. De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat het verdrag op korte termijn ook voor deze eilanden gaat gelden. Kan de regering aangeven wat de huidige stand van zaken is in de aanpak van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen? Wanneer gaan deze eilanden onder dit verdrag vallen en waarom wordt dit verdrag niet als startpunt genomen om huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen in beleid op de eilanden (verder) vorm te geven? Graag krijgen deze leden een overzicht van welke acties er in de overtuiging van de regering tot dat moment nog gedaan moeten worden en wie daarvoor verantwoordelijk is?

De regering van Aruba vindt medegelding va het verdrag voor haar land wenselijk. Wanneer is de wetgeving op Aruba gereed en kan het verdrag ook daar aanvaard worden?

3. Consultaties

Decentralisatie

De leden van de PvdA-fractie lezen dat gemonitord zal worden wat de decentralisatie zal betekenen voor het beleid omtrent geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Genoemde leden vragen op welke wijze dat precies gaat gebeuren en hoe de Kamer daarover geïnformeerd zal worden. Deze leden staan voor laagdrempelige en onafhankelijke hulp. Huiselijk geweld is iets waar mensen zich voor schamen en directe toeging tot hulp is noodzakelijk voor de bereidheid van vrouwen om hulp te zoeken. Lokale overheden gaan bepalen of men hulp krijgt en hoe die hulp eruit gaat zien. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de landelijke infrastructuur binnen het decentrale stelsel in stand blijft?

De leden van de SP-fractie maken zich net als de geconsulteerde partijen zorgen over de gevolgen van de decentralisaties voor de signalering, bestrijding en aanpak omtrent geweld in afhankelijkheidsrelaties. Veel gemeenten kampen vanaf 2015 met een tekort op het budget. Ze krijgen meer taken voor minder geld. Hoe wordt gegarandeerd dat de knelpunten die nu gesignaleerd worden in de ketensamenwerking ondanks de bezuinigingen voortvarend worden verholpen? Hoe denkt de regering dat gemeenten die knelpunten concreet aan kunnen pakken? Wat zal de regering ondernemen als de extra ter beschikking gestelde 12 miljoen euro niet voldoende blijkt te zijn? Wat gebeurt er als gemeenten dit niet goed regelen of niet kunnen betalen? Legt de regering dan geld bij? Wat voor consequenties heeft dit voor vrouwen en wellicht kinderen? Is er een noodscenario voorhanden, als blijkt dat mensen tussen wal en schip belanden? Monitoren vinden deze leden goed, maar hoe snel en door wie zal worden ingegrepen als het niet goed gaat? Hoe ziet regering haar systeemverantwoordelijkheid? Welke maatregelen treffen zij als blijkt dat gemeenten hieraan niet (kunnen) voldoen? Wordt de Kamer hiervan op de hoogte gehouden? Is er voldoende kennis bij de gemeenten waar het gaat om huiselijk geweld en zo nee, wanneer krijgen ambtenaren, raadsleden en leden van de colleges van burgemeester en wethouders (BenW) de broodnodige scholing zodat zij goed weten welk beleid nodig is voor hun gemeente om huiselijk geweld aan te pakken en te signaleren? Waarom is dit niet voor 1 januari 2015 gebeurd en wat is er allemaal tot nu toe aan scholing en opleiding gedaan?

De leden van de CDA-fractie vragen net als een aantal belangenorganisaties wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn in verband met de decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten (de nieuwe Wmo 2015). Wat is de wettelijke plicht van gemeenten in deze? Waar ligt het minimum?

De leden van de D66-fractie bemerken dat er, met het oog op aankomende decentralisaties, een onafhankelijk landelijk orgaan ontbreekt dat toezicht houdt op de uitvoering van de verschillende facetten die voortvloeien uit de bepalingen van onderhevig verdrag. Deze leden vragen op welke wijze deze verantwoordelijkheden met betrekking tot landelijk toezicht zijn verdeeld en hoe het Rijk haar verantwoordelijkheid neemt in dezen. Daarbij vragen zij ook op welke wijze het Rijk haar verantwoording neemt op het gebied van monitoring. Tenslotte, benadrukken deze leden het belang van een landelijk en onafhankelijk orgaan voor toezicht en vragen de regering welke stappen zij bereid is in dezen te nemen.

Geïntegreerd en gendersensitief beleid

De leden van de PvdA-fractie maken zich verder zorgen over het aantal vrouwen in Nederland dat ooit in haar leven fysieke seksuele grensoverschrijding heeft meegemaakt en over het feit dat er beleidsmatig geen expliciete sturing plaatsvindt op gendersensitiviteit. Ook is gendersensitiviteit in de uitvoering nog onvoldoende geborgd. Geweld in huiselijke kring treft vrouwen disproportioneel vaak. Graag vernemen genoemde leden welke oorzaken ten grondslag liggen aan de beperkte aanwezigheid van gendersensitiviteit in beleid en uitvoering en op welke manier concreet invulling wordt gegeven aan de borging van gendersensitiviteit. Ook zouden deze leden graag een beknopt overzicht ontvangen van de aanbevelingen uit de genderscan en daarnaast vernemen hoe meer inzicht verkregen kan worden in de rol van gender bij partnergeweld.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het Nederlandse beleid zich richt op alle slachtoffers en alle vormen van geweld. Een sekseneutraal beleidskader en een gender sensitieve benadering wordt van belang geacht. Hier is ook onderzoek naar gedaan, de zogenaamde genderscan. Genoemde leden willen graag inzicht krijgen in de onderzoeksresultaten. Het onderzoek is immers in januari 2014 afgerond. Hoe wordt deze informatie gedeeld met alle gemeenten in verband met de verantwoordelijkheden van gemeenten bij uitvoering van deze wet?

De leden van de D66-fractie stellen vast dat de regering een genderscan heeft laten uitvoeren, met het oog op de gendersensitiviteit van huiselijk geweld. De resultaten van deze scan zijn in januari 2014 geleverd. Echter, constateren deze leden dat de regering nog geen terugkoppeling heeft gegeven aan de Kamer met betrekking tot de uitkomsten van deze genderscan. Gezien het belang van deze scan voor de implicaties van het verdrag, vragen deze leden de resultaten van deze genderscan zo spoedig mogelijk openbaar te maken aan de Kamer.

Primaire preventie

De leden van de PvdA-fractie onderstrepen dat huiselijk geweld en kindermishandeling naar verhouding vaker voorkomt in gezinnen met (zeer) laag opgeleide ouders, werkloze ouders, eenoudergezinnen, gezinnen met drie of meer kinderen, stiefgezinnen en gezinnen van allochtone afkomst. Maar ook de jonge leeftijd van moeders, verslaving, armoede en psychische problematiek van ouders worden genoemd. Daarom willen genoemde leden met die informatie vroeger en eerder inzetten op het voorkomen van mishandeling en hechten zij waarde aan meer aandacht voor primaire preventie; het wegnemen van de factoren die kunnen leiden tot (huiselijk) geweld. Genoemde leden vragen wanneer de Kamer geïnformeerd zal worden over de wijze waarop de regering hier nader invulling aan zal geven.

De leden van de PvdA-fractie delen de mening dat preventie en het vergroten van de weerbaarheid van jongeren helpt bij het doorbreken van intergenerationele overdracht. Graag vernemen genoemde leden welke speerpunten naast de weerbaarheidstool worden ingezet om intergenerationele overdracht te voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie zijn verder van mening dat het expliciet adresseren van geweldproblematiek binnen het onderwijs vanuit het oogpunt van volksgezondheid en preventie noodzakelijk is, de leraar heeft hierin een cruciale rol. In het licht van voorgaande vragen zij of de regering bereid is om het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO) een overzicht van het bestaande lesmateriaal dienaangaande te laten opstellen? Verder vernemen deze leden graag of het bestaande materiaal voldoende is en op welke wijze dit het beste in het bestaande curriculum ingepast kan worden? Ziet de regering meerwaarde in het voorstel om in de kerndoelen en eindtermen van het onderwijs meer nadrukkelijk het onderwerp kennis over geweld in afhankelijkheidsrelaties op te nemen? Welke aanvullende maatregelen op het terrein van deskundigheidsbevordering onder docenten worden naast de eenmalige manifestatie getroffen om beter uitvoering te geven aan de kerndoelen seksualiteit en seksuele diversiteit?

Als het op primaire preventie aankomt missen de leden van de SP-fractie een toelichting op de wijze waarop de regering hier nu al invulling aan geeft. Welke knelpunten zijn er op dit moment en welke problemen moeten worden aangepakt? Is daar al zicht op en zo nee, waarom is daar niet eerder onderzoek naar gedaan? Wanneer kan de Kamer de uitwerking tegemoetzien van het voornemen om te bezien op welke wijze aan primaire preventie invulling gegeven kan worden? Hetzelfde geldt overigens voor het verkrijgen van een actueel inzicht in de effecten van het beleid over geweld in afhankelijkheidsrelaties. Wanneer kan de Kamer deze tegemoetzien en waarom is hier niet eerder onderzoek naar gedaan?

De leden van de D66-fractie constateren dat er op het gebied van primaire preventie nog geen concrete plannen liggen om, naast kennisvergroting, op krachtige wijze inspanningen te leveren voor de daadwerkelijke preventie van huiselijk geweld en discriminatie. Met name op het gebied van lesbische-, biseksuele-, en transgender vrouwen bemerken deze leden dat concrete plannen voor preventie van discriminatie en huiselijk geweld ontbreken. Kan de regering uiteenzetten op welke wijze zij concrete invulling gaat geven aan de eis van het verdrag om primaire preventie te waarborgen, apart van bewustwordingscampagnes?

4. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 4

De leden van de PvdA-fractie zijn verder van mening dat wanneer bij geweld in afhankelijkheidsrelaties de pleger een professional is (dit kan zowel thuis als in een instelling zijn) dit fundamenteel raakt aan het goed functioneren van de zorg en het vertrouwen dat mensen in deze zorg moeten hebben. Genoemde leden zijn dan ook blij dat voor geweld gepleegd door professionals jegens cliënten in een zorgrelatie een meldplicht wordt ingevoerd. Wanneer zal deze meldplicht gaan gelden? Verder bestaat in de sectoren jeugdzorg en het gevangeniswezen al een meldplicht. Genoemde leden vragen in verband met het voorgaande ook hoe vaak er de afgelopen vijf jaar geweld gepleegd door professionals jegens cliënten is gemeld in deze sectoren.

Artikel 6

Een van de doelstellingen van het verdrag betreft de eigen kracht van vrouwen te versterken. De leden van de VVD-fractie vragen welke invulling het verdrag hieraan geeft. Daarnaast vragen zij of het volgen van een training of cursus ook verplichtingen meebrengt voor deelnemers. Deze leden kunnen zich voorstellen dat vrouwen loyaal zijn naar hun (ex) partner en ondanks alle goedbedoelde inspanningen van de regering (herhaaldelijk) niet tot aangifte of melding zullen overgaan. Deelt de regering deze zorgen en op welke manier zorgt de regering voor een grotere meldingsbereidheid bij slachtoffers?

Tot slot hebben genoemde leden met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn over een Europees beschermingsbevel (33 954). Deze richtlijn regelt dat een slachtoffer de bescherming op basis van een maatregel als een contact- of gebiedsverbod, kan «meenemen» bij verblijf in een andere lidstaat. Deze leden ondersteunen de beoogde werking en zijn benieuwd naar de samenhang tussen deze richtlijn en het verdrag. Graag een nadere toelichting van de regering hierover.

De leden van de D66-fractie constateren tevreden dat er een pilotprogramma draait onder de naam «taal voor leven», welke een autonome positie en een verzelfstandiging van vrouwen beoogt. Deze leden vragen of de regering de recente resultaten te openbaren aan de Kamer. Daarbij vragen zij of de pilot tot nu toe het gewenste effect van het tegengaan van laaggeletterdheid onder vrouwen bereikt. Zo nee, wat zijn de stappen die de regering gaat nemen om laaggeletterdheid onder vrouwen terug te dringen?

Artikel 7

De leden van de SP-fractie constateren dat het Ministerie van VWS een coördinerende rol heeft op het terrein van de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hoe is de samenwerking hierin met andere ministeries? Hoe zal dit gaan na de decentralisaties? Het Ministerie van VWS zal dan te maken krijgen met verschillend gemeentelijk beleid. Hoe zien zij hun coördinerende rol hierbij? Er wordt voorts in het najaar van 2014 ingezet op kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering op verschillende niveau van het beleid en de aanpak van huiselijk geweld. Dit is wat deze leden betreft veel te laat. Waarom nu pas? De gemeenten zijn immers als het goed is al lang aan de slag met de uitvoering van de taken die voortvloeien uit de decentralisaties. Graag een uitgebreide toelichting.

Genoemde leden zijn voorts benieuwd of de regering kan toelichten hoe het staat met de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod. Hoe vaak wordt dit opgelegd en welke maatregelen worden doorgaans met een huisverbod opgelegd? De leden kunnen het zich niet voorstellen dat een huisverbod voldoende zal zijn om huiselijk geweld duurzaam tegen te gaan. En wat gebeurt er met het familielid dat een huisverbod krijgt? Laten gemeenten deze op straat zwerven of krijgen deze ergens onderdak?

Artikel 8

Uit de memorie van toelichting blijkt dat het Ministerie van VWS 12 miljoen euro beschikbaar stelt voor de aanpak van geweld in huiselijke kring. De leden van de VVD-fractie willen graag een nadere toelichting van de regering over de exacte besteding van dit bedrag. Deze leden zien het belang in van goede zorg en opvang maar zijn mede gezien de druk op de justitiële keten enigszins verbaasd over de hoogte van dit bedrag. Deelt de regering de mening van deze leden dat de kern van de problematiek, namelijk het aanpakken van de daders, in verhouding te weinig financiële aandacht krijgt? Zo ja, is de regering bereid om deze verhoudingen aan te passen

Artikel 10

In de memorie van toelichting krijgt de coördinatie van beleid en maatregelen ook aandacht. Zo lezen de leden van de VVD-fractie dat de Ministeries van VWS en OCW willen inzetten op kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering op verschillende niveaus van beleid en uitvoering van de aanpak van huiselijk geweld, ook als het gaat om gendersensitiviteit. Het is deze leden onvoldoende duidelijk waar dit precies op ziet en wat de noodzaak hiervan is?

Daarnaast blijkt dat verschillende instanties in Nederland zich bezig houden met het bijhouden van statistische gegevens over geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De leden van de VVD-fractie vragen of dit (dubbele) werk niet beter door één centrale instantie kan worden gedaan. Deelt de regering dit standpunt en past deze taak bij het Landelijk Expertisecentrum?

Ten aanzien van de decentralisatie in de zorg vragen de leden van de VVD-fractie hoe de inzet van het verdrag zich verhoudt tot de decentralisaties en beleidsvrijheid die gemeenten hebben? Zien de leden van de VVD-fractie het goed dat deze beleidsvrijheid in stand blijft?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat ingevolge artikel 10 van het verdrag Nederland is verplicht om een orgaan aan te wijzen dat verantwoordelijk is voor de coördinatie, implementatie, toezicht en toetsing van beleid en maatregelen ter voorkoming van en bestrijding van alle vormen van geweld waarop het verdrag van toepassing is. Atria en het College voor de Rechten van de Mens geven aan dat een dergelijk orgaan in Nederland ontbreekt en dat de coördinerende rol van het Ministerie van VWS als het gaat om geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA) niet voldoet. In het licht van het voorgaande vragen genoemde leden om nader in te gaan op de coördinerende rol van het Ministerie van VWS voor wat betreft GIA in relatie tot toezicht op de naleving van het verdrag.

Artikel 12

De leden van de D66-fractie constateren dat er geen eenduidige interpretatie bestaat met betrekking tot implementatie van het in artikel 12 onderhevige toezicht bij de handhaving op het verbod om cultuur, gewoonten, religies, tradities of eer niet te gebruiken ter rechtvaardiging van geweldsmisdrijven. Ook stellen deze leden vast dat de huidige definiëring van dit artikel ten gevolge heeft dat enkele maatschappelijk geaccepteerde activiteiten onderhevig worden gemaakt aan dit verbod. Concrete voorbeelden hiervan zijn jongensbesnijdenis en vrouwen boksen. Deze leden vragen of de regering een reflectie kan geven op de bovenstaande constateringen.

Artikelen 14

De leden van de D66-fractie stellen vast dat er binnen het kader van onderwijs, geen expliciete aandacht is voor geweld binnenshuis. Gezien het grote aantal kinderen dat slachtoffer wordt van binnenshuis geweld, vragen deze leden de regering een expliciete inhoud te geven aan de behandeling van binnenshuis geweld in het onderwijs. Zij vragen dan ook aan de regering welke stappen zij onderneemt om aandacht voor huiselijk geweld concreet onder te brengen in onderwijsprogramma’s.

Artikel 15

Het valt de leden van de VVD-fractie op dat in het verdrag veel aandacht wordt besteed aan het trainen van beroepskrachten. Dit veronderstelt een kennisachterstand bij bepaalde beroepsgroepen. Deze leden menen dat dat in Nederland niet het geval is en dat hier in mindere mate aandacht en prioriteit aan gegeven zou moeten worden. Daarnaast lezen deze leden dat functionarissen bij het openbaar ministerie ook cursussen volgen over huiselijk en eergerelateerd geweld. Genoemde leden vragen welke kosten met het trainen van de justitiële keten gepaard gaat en of dit noodzakelijk is.

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd welke professionals die te maken hebben met slachtoffers of plegers van geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld in aanmerking komen voor de trainingen van VWS. Welke waarom wel en welke waarom niet? Erkent de regering dat een training verder moet gaan dan alleen via e-learning? De praktijk is immers weerbarstiger dan papier. Zijn er aanvullende methodes om professionals zo goed en zo volledig mogelijk te trainen?

Tevens willen de leden van de SP-fractie weten op welke wijze er tijdens de beroepsopleiding van een advocaat op het terrein van het personen- en familierecht rekening wordt gehouden met geweld in afhankelijkheidsrelaties. Wordt bij de speciale opleiding voor advocaten over mensenhandel ook rekening gehouden met dit onderwerp, gezien de mogelijke samenhang? Klopt het dat advocaten die de opleiding over mensenhandel hebben gevolgd de eerste periode alleen de daders bij mogen staan en na een aantal jaar pas de slachtoffers? Zo ja, wat is de achterliggende reden van deze voorwaarde?

De leden van de D66-fractie stellen vast dat er door de Nationaal rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat alle instanties geheel adequaat getraind zijn om uitvoering van op art 284 Sr (Huwelijksdwang), gezien het feit dat deze wetgeving in het verleden zelden is toegepast. Deze leden constateren dat deze wet een nadrukkelijkere rol gaat spelen in de uitvoering van dit verdrag. Deze leden vragen of de regering deze signalen erkent. Zo ja, welke stappen gaat zij nemen om de instantie adequaat te trainen op een correcte naleving van op art 284 Sr (Huwelijksdwang)?

Artikel 16

De leden van de SP-fractie delen de mening dat de reclassering een grote rol speelt om recidive te voorkomen. Wat is het effect van de bezuinigingen op de werkwijze van de reclassering in de behandeling en het toezicht op om recidive bij geweld in afhankelijkheidsrelaties terug te dringen? Zal hier verandering in komen en zo ja, welke verandering(en)? Hoeveel minder contacturen heeft de reclassering straks voor huiselijk geweld-zaken?

Artikel 23

De leden van de SP-fractie valt het op dat de regering aangeeft dat er 35 centrumgemeenten opvang bieden aan vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Tevens wordt gewezen op de opvang van buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Maar wat is er precies geregeld voor Nederlanders slachtoffers van uitbuiting? Klopt het dat er door het hele land maar een paar initiatieven zijn die ook los van elkaar werken? Kunnen deze verschillende initiatieven centraal worden gecoördineerd of kan hierin worden samengewerkt? Klopt het dat sommige slachtoffers wegens een gebrek aan hulp en/of opvang in hun gemeente niet de juiste hulp krijgen omdat hun gemeente de benodigde expertise ontbeert? Hoe worden deze knelpunten opgepakt?

De leden van de SP-fractie willen weten hoe de regering gaat voorkomen dat landelijk werkende instellingen, zoals Fier Friesland, met 408 gemeenten afzonderlijk financieringsafspraken moet maken. Kan de regering aangeven hoe lang de wachtlijsten zijn voor de opvang van slachtoffers van huiselijk geweld? Wordt er altijd bij uithuisplaatsing van de dader uit het gezin ook de nodige begeleiding opgestart? Hoe vaak gebeurt dit nog niet? Wat zijn daarin de laatste cijfers? Wat gaat de regering doen om dit te verbeteren?

Artikel 27

De leden van de SP-fractie onderstrepen de noodzaak dat anoniem aangifte doen van groot belang is in sommige gevallen. Begrijpen deze leden het goed dat de regering wil bezien in hoeverre in meer gevallen anoniem aangifte gedaan kan worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan dat worden toegelicht? Kan daarbij worden aangegeven wat nu precies wordt bedoeld met het «in algemene zin» verbeteren van het aangifteproces? Welke problemen worden er nu ervaren die verbetering verdienen?

Artikel 28

De leden van de SP-fractie constateren dat professionals een beroepsgeheim mogen doorbreken als hij of zij ervan overtuigd is dat sprake is van een reële dreiging en dat dit gevaar uiteindelijk alleen kan worden afgewend door te spreken. Is deze uitzondering duidelijk voor professionals? Kortom, kunnen zij hiermee voldoende uit de voeten?

Artikel 30

Volgens de leden van de SP-fractie is het voor slachtoffers die via een civiele procedure een schadevergoeding toegewezen hebben gekregen zeer lastig om deze vordering op de dader te incasseren. Dit moeten zij zelf doen. In hoeverre kunnen zij daar hulp bij krijgen van de overheid? Ziet de regering mogelijkheden om deze slachtoffers in de toekomst op weg te helpen bij het incasseren van hun schadevergoeding?

Artikel 31

De leden van de PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de Staatssecretaris van VenJ specifieke maatregelen treft om betrokken kinderen bij fataal partnergeweld te beschermen. Welke maatregelen zijn dat precies?

Artikel 37

De leden van de SP-fractie willen een toelichting op de vraag hoe de samenwerking met de buitenlandse ambassades is op het gebied van preventie en handhaving van gedwongen huwelijken?

Voor met name de artikelen waarin de strafbaarstellingen zijn geregeld willen de leden weten of er op dit moment knelpunten zijn in de signalering, opsporing en handhaving. Waar lopen ketenpartners nu tegenaan en hoe zullen deze problemen worden verholpen?

Artikel 38

De leden van de VVD-fractie vragen of in Nederland al strafrechtelijke onderzoeken zijn uitgevoerd naar en daders zijn veroordeeld voor genitale verminking? Daarnaast lijkt het deze leden wellicht een goed idee om de kwetsbare positie van deze en andere (vrouwelijke) slachtoffers te verankeren in een aanwijzing van het openbaar ministerie met een strafverzwaringsgrond ten aanzien van dit soort laffe daden gericht op kwetsbare groepen slachtoffers (geweld in afhankelijkheidsrelaties). Deze leden kunnen zich echter ook voorstellen dat een dergelijke strafverzwaringsgrond zou kunnen leiden tot de vermindering van de bereidheid tot en van het daadwerkelijk doen van aangifte. Graag een reactie van de regering over deze suggestie en de te verwachten effecten.

Tenslotte merken de leden van de PvdA-fractie op dat in Nederland vrouwelijke genitale verminking aangemerkt wordt als een vorm van (zware) mishandeling (met voorbedachten rade), zoals strafbaar gesteld in de artikelen 300 tot en met 303 Sr. Hoe vaak heeft er een succesvolle vervolging op grond van genoemde artikelen in het kader van vrouwelijke genitale verminking plaatsgevonden?

Artikel 42

De leden van de SP-fractie snappen de kritiek van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en vinden dat de regering hier op dit punt nog onvoldoende uitsluitsel over geeft. Erkent de regering de angst van de Orde dat de strafbaarstelling dusdanig breed is dat ook maatschappelijk geaccepteerde gedragingen eronder kunnen vallen en geeft ze toe dat dit niet de bedoeling is van het verdrag en onderhavig wetsvoorstel?

Artikelen 49 en 50

Zoals bij de regering bekend is voor de leden van de VVD-fractie de versterking van de rechten en positie van slachtoffers van groot belang. Daar hoort ook het verhogen van de bereidheid tot het doen van aangifte bij en het ondersteunen van de mogelijkheid tot het doen van aangifte onder nummer. Deze leden maken zich enige zorgen over de stand van zaken en de voortgang hierover. Kan de regering toelichten of het inmiddels op alle politiebureaus mogelijk is om aangifte onder nummer te doen? Geldt dit nu ook voor alle vrouwelijke slachtoffers van geweld?

Artikel 56

De leden van de SP-fractie willen weten op welke manieren het beleid om slachtoffers te informeren over de definitieve invrijheidsstelling, verlof en ontsnapping wordt en is verbeterd de komende en afgelopen jaren. Wat verstaat de regering onder het begrip slachtoffer? Zijn dat ook personen die dichtbij het slachtoffer staan, nabestaanden of getuigen? Graag een toelichting.

Artikel 57

Er komt wat de leden van de SP-fractie betreft een fors aantal bezuinigingsmaatregelen aan op het gebied van de gefinancierde rechtsbijstand. Welke concrete gevolgen heeft de stelselherziening voor de mensen die nu afhankelijk zijn van gesubsidieerde rechtsbijstand indien zij niet als slachtoffer worden gezien?

Artikel 64

De leden van de SP-fractie constateren tot slot op eigen initiatief politiegegevens verstrekt kunnen worden aan buitenlandse autoriteiten. Om welke gegevens kan het dan gaan? Wordt dit van tevoren wel (intern) vastgesteld? Hoe en door wie wordt actief danwel reactief gecontroleerd of niet meer gegevens dan noodzakelijk worden uitgewisseld?

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Sjerp