Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534028 nr. 5

34 028 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven

Nr. 5 VERSLAG OVER HET VERZOEKSCHRIFT1 VAN L.G.M. S. TE P.2 BETREFFENDE VRIJSTELLING VAN BTW-HEFFING

Vastgesteld 11 december 2014

Klacht

Verzoeker vraagt namens een stichtingsbestuur om al dan niet via toepassing van de hardheidsclausule alsnog vrijstelling van de omzetbelastingplicht te verlenen.

Naar aanleiding van deze klacht heeft de Staatssecretaris van Financiën inlichtingen verstrekt aan de commissie.

Feiten

Verzoeker vertegenwoordigt een ideëele stichting die beoogt fondsen te werven voor de financiering van leer-/werkprojecten voor kansarme jongeren in Kenia, onder andere door middel van verkoop van gratis verkregen consumptieartikelen via een winkeltje. Vanwege de verkoop van tweedehandsartikelen heeft de belastinginspecteur de stichting aangemerkt als een onderneming met btw-plicht, analoog aan de positie van kringloopwinkels. Hoewel verzoeker dit standpunt fiscaaltechnisch juist acht, pleit hij voor btw-vrijstelling van de stichting door haar activiteiten te vergelijken met fondswervende organtisaties als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter v, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de toelichting op dit artikel in het beleidsbesluit «Omzetbelasting. Fondswerving en kantines» van 18 december 2013, waarin btw-vrijgestelde groepen ondernemers specifiek worden aangewezen. Volgens verzoeker vormen de stichtingsactiviteiten geen concurrentie voor professionele ondernemers aangezien de verkoop van gebruikte goederen tegen aanvaardbare prijs in grotendeels dezelfde groep van aanbieders en afnemers cq sympathisanten van het project plaatsvindt. Ook is hij van mening dat er in feite geen toegevoegde waarde wordt gecreëerd. Hij vreest dat als gevolg van een OB-plicht de op vrijwilligerswerk gebaseerde stichtingsactiviteiten ten einde zullen komen. De stichting ervaart de belastingplicht als ongelijkheid aangezien zij heeft vernomen dat vergelijkbare onganisaties met vergelijkbare activiteiten hiervan zijn vrijgesteld.

De belastinspecteur is het niet eens met de aangedragen argumenten. De regeling voor fondsenwerving is gebaseerd op de Europese btw-richtlijn en er zijn voorwaarden in opgenomen om concurrentievervalsing te voorkomen. In zijn optiek wordt in ieder geval in concurrentie getreden met kringloopwinkels, die ook een maatschappelijk nuttige functie hebben en veel met vrijwilligers werken, maar die niet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel f van de Wet OB 1968 vallen. Volgens de belastinginspecteur is er ook geen sprake van een bijzonder evenement, waarvoor goedkeuring is gevraagd en verkregen. Ook is hij van mening dat er wel degelijk sprake is van toegevoegde waarde onder verwijzing naar de verkoopprijs van het gratis ontvangen product.

Overwegingen

In zijn reactie geeft de Staatssecretaris aan dat met toepassing van de huidige regelgeving niet kan worden tegemoet gekomen aan een btw-vrijstelling voor de stichting, een standpunt dat ook door verzoeker wordt gedeeld. Europese regelgeving en het aspect van de concurrentievervalsing ten opzichte van andere verkopers van tweedehands goederen laten daarvoor geen ruimte. Wel zou de stichting alsnog een beroep kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel door middel van een bezwaar- en beroepsprocedure.

Oordeel van de commissie3

De stichting acht een bezwaar- en beroepsprocedure of een gang naar de belastingrechter niet zinvol omdat zij het standpunt van de Belastingdienst juridisch onaantastbaar inschat. Volgens de stichting is de commissie de enige instantie waar zij met haar problemen inzake de fiscale wetstoepassing kan aankloppen.

Hoewel de commissie van oordeel is dat, na weging van de gewisselde argumenten, het standpunt van de Staatssecretaris kan worden gevolgd, roept zij de Staatssecretaris op om, gelet op het ideële doel van de stichting, te zoeken naar een mogelijkheid om alsnog aan het verzoek van de stichting tegemoet te komen.

Voorstel aan de Kamer

Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

De griffier van de commissie, Roovers


X Noot
1

Dit adres en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op het commissiesecretariaat Verzoekschriften, Lange Poten 4, Den Haag, ter inzage van de leden.

X Noot
2

Naam en adres van verzoeker zijn de commissie bekend.

X Noot
3

De commissie bestaat uit de leden: Neppérus (voorzitter) (VVD), Jacobi (PvdA), Van Raak (SP), Schouw (D66), Helder (PVV), Bruins Slot (CDA), Klein (Klein), Dik-Faber (CU), Van der Linde (VVD) en de plaatsvervangend leden Van Oosten (VVD), Van Nispen (SP), Berndsen-Jansen (D66), Krol (50PLUS).