Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534017 nr. 7

34 017 Wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT)

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 oktober 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Artikel I, onderdeel J, komt te luiden:

J

Artikel 7.3 wordt gewijzigd als volgt:

a. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Indien een in een klasse als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of 3.4, eerste lid, ingedeelde rechtspersoon of instelling op enig moment op grond van ongewijzigde criteria is ingedeeld in een klasse waarvoor een lager bedrag is vastgesteld, gaat die indeling in met ingang van 1 januari van het daarop volgende kalenderjaar. Een voorafgaande aan de wijziging van de indeling tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan het voor de toepasselijke klasse geldende bedrag is toegestaan voor ten hoogste vier jaar na de wijziging van de indeling. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de wijziging van de indeling tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

b. In het zesde lid vervalt telkens «of derde».

c. In het zevende lid wordt «of bonusbetaling» vervangen door «, bonusbetaling of andere variabele beloning» en wordt «vier jaar na inwerkingtreding van deze wet» vervangen door: vier jaar na inwerkingtreding van deze wet of de wijziging van de bijlage.

d. In artikel 7.3, elfde lid, vervalt «de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband».

Toelichting

In de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel verlaging bezoldigingsmaximum WNT is – met het oog op de uitvoeringspraktijk – een vereenvoudiging van het overgangsrecht aangekondigd, met handhaving van de uitgangspunten daarvan. Bij deze vereenvoudiging bleek dat in het reeds geldende overgangsrecht enkele technische verduidelijkingen wenselijk zijn. Deze staan echter los van het wetsvoorstel verlaging bezoldigingsmaximum en worden om die reden in het onderhavige voorstel opgenomen. De verbeteringen worden hieronder toegelicht.

Onderdeel a: Artikel 7.3, vijfde lid, bevat overgangsrecht voor het geval een onder een staffelnorm vallende rechtspersoon door een wijziging van de omstandigheden onder een andere klasse gaat vallen. Als referentiedatum wordt volgens de geldende tekst de datum van inwerkingtreding van de WNT aangehouden of die van de wijziging van de bijlage, ook al vindt deze wijziging na de inwerkingtreding van de WNT, of de wijziging van de bijlage, plaats. Als referentiedatum dient, vanzelfsprekend, de datum van wijziging van de indeling te gelden. Dit wordt met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel b: Ingevolge artikel I, onderdeel F, van dit wetsvoorstel kan in artikel 7.3, zesde lid, de verwijzing naar het derde lid van de artikelen 2.10 en 3.7 vervallen.

Onderdeel c: In het huidige zevende lid zijn andere variabele beloningen dan winstdelingen en bonusbetalingen per abuis niet vermeld. Dat wordt met dit onderdeel gecorrigeerd. Verder wordt overeenkomstig onderdeel a niet langer de datum van inwerkingtreding van de wet of de wijziging van de bijlage als referentiedatum voor het overgangsrecht aangehouden. Indien de WNT pas nadien op een rechtspersoon van toepassing wordt door een wijziging van de bijlage, begint het overgangsrecht ook ten aanzien van variabele beloningen met ingang van die datum te lopen.

Onderdeel d: Deze wijziging was reeds opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk