Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534017 nr. 5

34 017 Wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissenpublieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 18 september 2014

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

 
     

I

Algemeen

1

     

1.

Inleiding

1

2.

De schrapping van de meldingsverplichting ten aanzien van niet- topfunctionarissen zonder dienstbetrekking

2

3.

Schrappen van de herberekening voor de publicatie van niet- topfunctionarissen

2

4.

Controleprotocol

3

5.

Uniforme beleidsregels

3

     

II

Artikelsgewijs

4

I Algemeen

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT). Zij ondersteunen het schrappen van onnodige en onuitvoerbare regelgeving. Ook de aanpassing ter voorkoming van misbruik of omzeiling van de wet wordt door deze leden van harte ondersteund. Zij hebben geen verdere opmerkingen en vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deze wet die de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) aanpast. Zij vinden het van belang dat topinkomens – betaald van publiek geld – aan banden worden gelegd en kunnen zich dan ook vinden in het deel van het voorstel dat strekt tot een betere uitvoering van die wet. Met de regering zijn deze leden van mening dat de administratieve lasten zo beperkt mogelijk moeten blijven, op voorwaarde dat de doelstelling van de wet onverkort gerealiseerd kan worden. De aan het woord zijnde leden hebben er begrip voor dat delen van de WNT die niet praktisch uitvoerbaar zijn moeten worden verbeterd. Dat kan er toe leiden dat deze delen van de wet geschrapt moeten worden. Dat neemt niet weg dat het doel van de WNT, namelijk het beperken van topinkomens in de (semi-)publieke sector, niet uit het oog verloren mag worden.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Wel hebben deze leden zorgen over de zorgvuldigheid van het wetgevingsproces, nu binnen anderhalf jaar na de inwerkingtreding van de wet zoveel aanpassingen en reparaties hebben moeten plaatsvinden.

De regering tekent bij het voorliggende wetsvoorstel aan, dat het «uitsluitend wijzigingen die noodzakelijk zijn om de uitvoering te verbeteren, eenvoudig te realiseren zijn en/of een technisch karakter hebben». Wordt onder verbetering van de uitvoering ook verstaan: onuitvoerbaarheid van de huidige wet oplossen, zo vragen deze leden. Zijn alle wijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel eenvoudig te realiseren? Zo nee, welke niet? Hebben alle wijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel een technisch karakter? Zo nee, welke niet?

2. De schrapping van de meldingsverplichting ten aanzien van niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking

De leden van de SP-fractie hebben grote twijfels bij het voorstel van de regering om de publicatieplicht ten aanzien van de bezoldiging van niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die korter dan één jaar in dienst zijn te schrappen. Deze leden constateren dat de regering de indruk wekt dat de Algemene Rekenkamer de aanbeveling doet dit artikel te schrappen. Dat komt deze leden vreemd voor. Zij lezen dat de Algemene Rekenkamer de aanbeveling doet om na te gaan waarom delen van de WNT niet uitvoerbaar zijn en hoe dit probleem kan worden opgelost. Daarmee laat de Algemene Rekenkamer alle oplossingsrichtingen open, bijvoorbeeld het aanpassen van de bedrijfsvoering. Zij vragen de regering welke mogelijkheden zij ziet om administraties van de ministeries zo aan te passen dat dit voorschrift wel uitvoerbaar is. De leden van de SP-fractie vragen of de regering de vrees deelt dat het schrappen van de publicatieplicht de deur open zet om duur betaalde externe krachten ongezien en ongecontroleerd aan het werk te zetten. Zij vragen of de regering erkent dat dit beslag zal leggen op extra publieke middelen, waarmee het aanpassen van de administraties wel eens goedkoper zou kunnen blijken te zijn.

3. Schrappen van de herberekening voor de publicatie van niet-topfunctionarissen

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het doel van de oorspronkelijke wet niet uit het oog mag worden verloren en dat daarom ook niet kan worden volstaan met enkel het schrappen van de zogenoemde extrapolatiebepaling die inhoudt dat het inkomen van personen met een dienstverband dat korter dan een jaar is moet worden her berekend naar een jaar. Het doel van die bepaling was te voorkomen dat iemand gedurende een kortere tijd een naar WNT-normen te hoog salaris zou genieten. Dat doel willen de aan het woord zijnde leden niet uit het oog verliezen. Nu lezen deze leden dat bij medewerkers die vanwege het einde van hun dienstverband in de maand voor hun vertrek vaak incidentele beloningen krijgen zoals opgebouwde vakantie-uitkeringen of uitbetaling van niet opgemaakte verlofdagen. Daarmee kunnen zij dan, omgerekend naar een jaar, boven de WNT norm kunnen uitkomen. De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat in dit soort gevallen er niet daadwerkelijk sprake is van een dergelijke overschrijding. Zij begrijpen ook dat in de gevallen dat er sprake is van incidentele beloningen in een maand het vanwege de administratieve lasten die dat meebrengt het niet redelijk is als daarover gepubliceerd zou moeten worden. Echter, zo verwachten deze leden, mag dat schrappen er niet toe leiden dat er nu in het geheel niet meer geëxtrapoleerd hoeft te worden bij dienstverbanden korter dan een jaar? Deze leden zouden niet graag zien dat iemand met een korter dienstverband dan een jaar bij wijze van spreken in enkele maanden een salaris (zonder incidentele componenten) gaat verdienen dat in zijn totaal net onder de WNT-norm blijft? Kan de regering bevestigen dat met de voorgenomen schrapping van de extrapolatiebepaling daar geen sprake van kan zijn? En hoe wordt dat dan gewaarborgd? En als de regering dat niet kunt bevestigen, hoe gaat zij dan op een andere manier waarborgen dat de inkomens bij een dienstverband korter dan een jaar binnen de WNT-perken blijven?

De leden van de PvdA-fractie krijgen graag een reactie op dit punt.

Bezwaar hebben de leden van de SP-fractie tegen het voorstel om de extra-polatiebepaling te schrappen. Dat maakt het mogelijk niet-topfunctionarissen ongezien en buiten publieke controle vertrekbonussen en andere uitkeringen mee te geven die, weliswaar onder het in de WNT gestelde maximum blijven, maar desondanks buitenproportioneel zijn. Het argument dat het extrapoleren een grote administratieve last is voor organisaties komt de leden van de SP-fractie niet heel erg geloofwaardig voor. Erkent de regering dat dit niet een heel ingewikkelde rekensom is? Bovendien kan een toename van het aantal buitenproportionele uitkeringen de administratieve kosten die herberekening met zich meebrengt wel een ruim overstijgen. De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij dit gevaar herkent.

De regering deelt mee, zo lezen de leden van de CDA-fractie, dat met de voorgestelde wijziging «de excessen in beeld [komen] die ingevolge de beoogde strekking van deze wetsbepaling publiekelijk moeten worden verantwoord». Hoeveel van de gepubliceerde salarissen zullen naar verwachting na de voorgestelde wetswijziging buiten beschouwing kunnen blijven, vragen de leden van de CDA-fractie.

4. Controleprotocol

Geen nadere vragen of opmerkingen

5. Uniforme beleidsregels

Wat moet worden verstaan onder «reflexwerking» op de handhaving door de overige ministers, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Wanneer worden de nadere uitgebreide beleidsregels, zoals aangekondigd in de memorie van toelichting van kracht, zo vragen deze leden. Wat wordt daarin geregeld? Waarom wordt in de memorie van toelichting alleen het voorbeeld gegeven van «de uitleg van het begrip topfunctionaris bij zelfstandige bestuursorganen met eigen rechtspersoonlijkheid en semipublieke instellingen»?

II Artikelsgewijs

J

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel functionarissen op 6 december 2011 bestaande afspraken omtrent ontslaguitkeringen hebben aangepast. Daarnaast vragen zij hoe vaak hierbij sprake was van verhoging van de ontslaguitkering, en met welk bedrag deze ontslaguitkering werd verhoogd.

De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen over de verandering van de overgangsregeling zoals die is toegelicht in het artikelsgewijze deel. Daarin wordt er op gewezen dat in artikel 7.3. elfde lid, Aanpassingswet WNT is geregeld dat ook afspraken over ontslagvergoedingen die na het aannemen van de WNT in de Tweede Kamer (op 6 december 2011) en voor de inwerkingtreding van de WNT per 1 januari 2013 zijn gemaakt, nietig zouden worden verklaard. Daarmee kon worden voorkomen dat topfunctionarissen in de aanloopperiode naast afspraken over verhoging over hun bezoldiging ook nog afspraken over verhoging van ontslagvergoedingen zouden gaan regelen. Nu lezen de leden van de PvdA-fractie echter dat op grond van het nu voorliggend wetsvoorstel afspraken over verhoging van ontslagvergoedingen in die aanloopperiode ineens weer wel rechtsgeldig zouden moeten worden. Deze leden begrijpen de onderbouwing van dit terugdraaien van wat eerder bij de Aanpassingswet WNT juist was geregeld niet. Waarom zou het, zoals in de memorie van toelichting nu staat, «onbedoeld» zijn geweest dat afspraken over verhoging van ontslagvergoedingen nietig zouden zijn? Waaruit blijkt dat dat onbedoeld is? Voorts vragen de aan het woord zijnde leden zich af welk «fundamenteel rechtsbeginsel» in het geding zou zijn als de nietigheid van de genoemde afspraken over ontslagvergoedingen in de periode 6-12-2011 en 1-1-2013 in stand zou blijven? Wordt hier gedoeld op het legaliteitsbeginsel? En waarom zou dat in het geding zijn als het gaat om de nietigheid van afspraken over ontslagvergoedingen en niet over afspraken over de bezoldiging? Bovendien, als er een fundamenteel rechtsbeginsel in het geding zou zijn, waarom is dat dan niet al eerder aan de orde geweest, bijvoorbeeld in het advies van de Raad van State over de genoemde Aanpassingswet WNT of tijdens de parlementaire behandeling daarvan? Welke consequenties zou het kunnen hebben als ook de nietigheid van genoemde afspraken over ontslaguitkeringen in stand zouden blijven? Is het de regering bekend of er al rechtszaken geweest zijn waarin dergelijke afspraken of de nietigheid daarvan aan de orde waren? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan?

De voorzitter van de commissie, Berndsen-Jansen

De waarnemend griffier van de commissie, Hendrickx