34 000 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2015

29 924 Toezichtsverslagen AIVD en MIVD

Nr. 109 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 augustus 2015

In het algemeen overleg over personeel, IGK en IMG van 1 juli jl. (Kamerstuk 34 000 X, nr. 108) heb ik u toegezegd een reactie te geven op de drie uitspraken van de Raad van State over het intrekken van een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) bij Defensie. Hierbij doe ik die toezegging gestand. Tevens ga ik in op een aantal andere vragen, die hieraan gerelateerd zijn.

Uitspraken Raad van State

Op 3 juni jl. heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna genoemd de Afdeling) uitspraak gedaan in drie zaken1. De Afdeling oordeelde in deze drie zaken dat het beroep tegen intrekking van de VGB is gegrond, dat de besluiten op bezwaar moeten worden vernietigd en dat hierover een nieuw besluit zal moeten worden genomen.

In haar uitspraken gaat de Afdeling in op de overgangsregeling van de nieuwe beleidsregel die per 1 november 2013 is ingegaan (zie Kamerstuk 29 924, nr. 102 van 22 oktober 2013). In de overgangsregeling is bepaald dat op veiligheidsonderzoeken die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregel, de oude beleidsregel van toepassing is. De Afdeling overwoog daaromtrent dat deze overgangsclausule met name is bedoeld voor die gevallen waarin toepassing van de nieuwe beleidsregel minder gunstig is dan toepassing van de oude. Volgens de Afdeling was, in de onderhavige drie gevallen, de nieuwe beleidsregel gunstiger en dienden de desbetreffende zaken daarom onder de nieuwe beleidsregel te worden beoordeeld.

Sinds deze uitspraken vindt beoordeling van de voor 1 november 2013 gestarte VGB-zaken op grond van de nieuwe beleidsregel plaats. Als de nieuwe beleidsregel gunstiger uitpakt voor betrokkene, wordt de nieuwe beleidsregel toegepast. Volgens de huidige beleidsregel wordt, bij het bezien van justitiële gegevens, naast de hoogte van de straf, ook de aard van het gegeven, de pleegdatum en de leeftijd ten tijde van het plegen van het strafbare feit bij de beoordeling betrokken. Hiermee past Defensie het door de Afdeling bedoelde maatwerk toe.

Bij zaken waar dat mogelijk is, zal, in het licht van de recente uitspraken van de Afdeling, de nieuwe beleidsregel alsnog worden toegepast voor zover dit nog niet is gedaan en dit tot een gunstiger oordeel voor betrokkene leidt.

Termijnen veiligheidsonderzoeken

Sinds het wegwerken van de grote achterstand in het aantal veiligheidsonderzoeken in de jaren 2009–2012 ligt het percentage van het aantal aanvragen, waarop binnen de termijn van acht weken wordt besloten, ruim boven de afgesproken 90 procent. In 2014 is 95 procent van de veiligheidsonderzoeken binnen de gestelde termijn voltooid.

Indien naslag in het buitenland dient te worden gedaan, wordt de beslissingstermijn van acht weken opgeschort. Betrokkene wordt hierover geïnformeerd. De gevallen waarin de besluitvormingstermijn wordt overschreden, betreffen vooral weigeringen en intrekkingen van de VGB.

Rol van de commandant bij veiligheidsonderzoeken

De VGB heeft geen betrekking op het beroepsmatig functioneren van een persoon, maar ziet op het waarborgen van de nationale veiligheid. Dit is in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Het goed functioneren van de medewerker doet niet af aan de bevoegdheid van de Minister om de VGB in het belang van de nationale veiligheid in te trekken. Het goed functioneren geeft op zichzelf geen oordeel over de vraag of de medewerker onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal volbrengen, zoals wettelijk vereist. Wel heeft de commandant (of leidinggevende) van betrokkene, bij alle voornemens tot intrekking, de bevoegdheid een zienswijze te geven.

In de nieuwe beleidsregel en de toelichting daarop is de rol van de commandant vastgelegd. Op grond van de nieuwe beleidsregel wordt de commandant geïnformeerd over een voornemen tot intrekking van een VGB. Bij intrekkingen vanwege strafrechtelijke gegevens die in de regel tot intrekking leiden, of vanwege onvoldoende gegevens, persoonlijke gedragingen of omstandigheden, staat het de commandant vrij op eigen initiatief een zienswijze te geven. Bij intrekking van de VGB vanwege overige justitiële gegevens is de MIVD zelfs verplicht de commandant expliciet te vragen om een zienswijze. De zienswijze dient specifieke informatie te omvatten die relevant kan zijn voor de beoordeling of de medewerker onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal volbrengen. Bij de bedoelde overige strafrechtelijke gegevens is dat in ieder geval informatie over de relatie tussen de strafvorderlijke gegevens en de (te vervullen) vertrouwensfunctie.

Van belang is dat commandanten en medewerkers inzicht hebben in de wijze waarop zij gegevens kunnen verstrekken, welke gegevens van belang kunnen zijn voor de besluitvorming en welke aspecten géén rol spelen in de afweging. Daarom zal bij de (herhaaldelijke) voorlichting aan commandanten en medewerkers aandacht worden gegeven aan een goede invulling van de rol van de commandant.

Begeleiding na intrekken van VGB

Nadat een VGB is ingetrokken, wordt gezocht naar een passende functie voor de betreffende medewerker. Defensie kent echter weinig functies waarbij geen VGB nodig is. Alle militaire functies en de meeste burgerfuncties zijn vertrouwensfuncties, waarvoor een VGB is vereist. Vandaar dat de meeste medewerkers waarvan de VGB is ingetrokken, niet op een functie binnen Defensie kunnen worden geplaatst.

Na intrekking van de VGB en nadat is vastgesteld dat interne herplaatsing niet mogelijk is, wordt bezien in hoeverre aanleiding bestaat voor begeleiding en ondersteuning bij het vinden van een functie buiten Defensie, bijvoorbeeld in de vorm van om- of bijscholing.

De leidinggevende en de P&O-adviseur onderhouden het contact met de betreffende medewerker waarvan de VGB is ingetrokken. In overleg met de voorzitter van de «Adviescommissie ontslag ex artikel 45 AMAR / 120 BARD», is met de defensieonderdelen afgesproken dat er minimaal eens per kwartaal contact is met betrokkene over het verloop van zijn procedure.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert


X Noot
1

Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1751; ECLI:NL:RVS:2015:1737; ECLI:NL:RVS:2015:1740.

Naar boven