33 995 Wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de inwerkingtreding van de Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PbEU 2012, L94)

Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 5 juni 2014 en het nader rapport d.d. 16 juli 2014, aangeboden aan de Koning door de Minister van Veiligheid en Justitie. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 22 april 2014, no. 2014000766, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de inwerkingtreding van de Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan(PbEU 2012, L94), met memorie van toelichting.

Het VN-protocol inzake vuurwapens heeft tot doel de samenwerking tussen de verdragspartijen te bevorderen, te vergemakkelijken en te intensiveren ten behoeve van de preventie, bestrijding en uitbanning van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie. Artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens verlangt van de verdragspartijen dat zij een effectief vergunnings- of autorisatiestelsel vaststellen of verbeteren voor de uitvoer, invoer en doorvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie. Daartoe bepaalt de verordening2 dat voor de uitvoer van de in bijlage I van de verordening opgesomde vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie een uitvoervergunning vereist is.3 De verordening voorziet daarnaast in vereenvoudigde procedures voor bepaalde gevallen van tijdelijke uitvoer of wederuitvoer.4 Ter uitvoering van de verordening wordt in de Wet wapens en munitie (Wwm) een specifieke verplichting tot het hebben van een vergunning voor de uitvoer van de in bijlage I opgesomde vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie opgenomen. Overtreding van dit voorschrift wordt strafbaar gesteld.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het voorstel, maar maakt onder meer opmerkingen over de reikwijdte van het voorgestelde artikel 20a en de voorgestelde delegatiebepaling. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 22 april 2014, nr. 2014000766, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 5 juni 2014, nr. W03.14.0099/II, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel tot wijziging van de Wet wapens en munitie (Wwm) geeft de Afdeling advisering, die de strekking van het voorstel onderschrijft, aanleiding tot het maken van enkele inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.

1. Delegatie aan de Minister

In het voorgestelde artikel 20a, derde lid, van de Wwm wordt aan de Minister een bevoegdheid gedelegeerd tot het stellen van nadere regels. Deze delegatiebepaling betreft de mogelijkheid die artikel 7, tweede lid, van de verordening biedt. Dit artikel bepaalt dat de lidstaten kunnen besluiten dat indien de exporteur van het geraadpleegde derde land van doorvoer geen bezwaren tegen de doorvoer heeft ontvangen, het derde land van doorvoer geacht wordt geen bezwaar daartegen te hebben.

Het is de Afdeling niet duidelijk waarom de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels bij de Minister wordt neergelegd. De hiertoe op te stellen regels zijn naar het oordeel van de Afdeling niet van zodanig administratieve aard of dermate gedetailleerd dan wel aan veelvuldige wijziging onderhevig dat delegatie aan een Minister gewenst is.5

De Afdeling adviseert het voorstel gelet op het bovenstaande aan te passen.

1. Delegatie aan de Minister

De Afdeling stelt de vraag waarom de er voor is gekozen de mogelijkheid die artikel 7, tweede lid, van de verordening (EU) nr. 258/2012 biedt voor het stellen van regels, te beleggen bij de Minister. Artikel 7, tweede lid, van de verordening geeft aan lidstaten de bevoegdheid om te besluiten dat indien binnen 20 werkdagen nadat de exporteur van een vuurwapen schriftelijk heeft verzocht om een verklaring van geen bezwaar tegen de doorvoer van een vuurwapen, er geen bezwaren tegen de doorvoer worden ontvangen, het geraadpleegde derde land van doorvoer wordt geacht geen bezwaar te hebben tegen de doorvoer.

Op dit moment staat nog niet vast of van de geboden mogelijkheid in de verordening gebruik zal worden gemaakt. De meeste nadere regelgeving ten aanzien van het doen binnenkomen of uitgaan van wapens vindt plaats bij ministeriële regeling. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de mogelijkheid van vrijstelling op de consentvereiste (artikel 14, vierde lid Wwm) en nadere regels over de combinatie van verschillende consenten, vergunningen en verloven (artikel 40 Wwm). Het heeft thans de voorkeur om aan te sluiten bij dit regelingsniveau, om zo de inzichtelijkheid van de mogelijke uitzonderingen op de verplichtingen voor exporteurs van wapens en munitie zo groot mogelijk te houden.

2. Het voorgestelde artikel 20a, eerste lid

Ingevolge artikel 4 van de verordening is voor de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie, opgesomd in bijlage I van de verordening, een uitvoervergunning vereist. Voor het doen uitgaan van wapens en munitie geldt krachtens artikel 14 Wwm een consentvereiste. Het begrip uitvoer in de zin van artikel 2, zesde lid, van de verordening betreft het verlaten van het douanegebied van de Europese Unie en omvat daarmee het begrip doen uitgaan als bedoeld in artikel 1, onder 7, Wwm dat slechts ziet op het verlaten van het grondgebied van Nederland. Een consentvergunning voor het doen uitgaan van wapens en munitie heeft geen toegevoegde waarde meer als voor diezelfde wapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie aan de voorwaarden voor een uitvoervergunning wordt getoetst. Om die reden wordt het voorgestelde artikel 20a ingevoerd.6

De Afdeling merkt op dat in de tekst van het voorgestelde artikel 20a (en in de artikelsgewijze toelichting) ten onrechte artikel 13 Wwm wordt betrokken. Artikel 13 Wwm bevat geen regels voor het doen uitgaan van wapens en munitie, maar houdt een verbodsbepaling in voor de wapens en munitie die onder categorie I vallen. In artikel 13 Wwm zijn dan ook geen regels met betrekking tot een consentvereiste opgenomen, zoals in de artikelen 14 tot en met 16 en 20. Deze artikelen vallen onder paragraaf 4 van de Wwm die betrekking heeft op het binnenkomen en doen uitgaan van wapens en munitie van de categorieën II en III.

De Afdeling adviseert artikel 13 Wwm uit het voorgestelde artikel 20a te schrappen.

2. Het voorgestelde artikel 20a, eerste lid, Wwm

De Afdeling merkt op dat in de tekst van het voorgestelde artikel 20a ten onrechte artikel 13 Wwm wordt betrokken, omdat artikel 13 Wwm geen betrekking heeft op het consentvereiste, en adviseert de opgenomen verwijzing naar artikel 13 Wwm uit het voorgestelde artikel 20a te schrappen. Dit advies is opgevolgd.

3. De geluiddemper

Voor zover artikel 13 Wwm ten behoeve van de geluiddemper in het voorgestelde artikel 20a is opgenomen, merkt de Afdeling het volgende op.

Geluiddempers vallen onder het begrip «onderdelen» als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening en staan op de lijst van bijlage I van de verordening. Dit brengt mee dat een geluiddemper op grond van de verordening kan worden uitgevoerd indien daarvoor een uitvoervergunning is verkregen. Krachtens de nationale regelgeving vallen geluiddempers in categorie I, onder 3°, van de Wwm.7 De indeling in deze categorie heeft tot gevolg dat op de geluiddemper artikel 13 Wwm van toepassing is en dat daarvoor, behoudens ontheffingen, een verbod geldt en geen systeem van consentverlening.

De Afdeling adviseert in het voorgestelde artikel 20a dan wel in een afzonderlijk artikel in de nieuwe paragraaf 4a van de Wwm, een aparte bepaling op te nemen voor geluiddempers.8

3. De geluiddemper

De Afdeling adviseert in het voorgestelde artikel 20a, dan wel in een afzonderlijk artikel in de nieuwe paragraaf 4a van de Wwm, een aparte bepaling op te nemen voor geluiddempers. Dit advies is opgevolgd. Aan het voorgestelde artikel 20a is een zevende lid toegevoegd over de uitvoer van geluiddempers.

4. Redactionele kanttekeningen

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

4. Redactionele kanttekeningen

Aan de redactionele kanttekeningen van de Afdeling is aandacht besteed.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W03.14.0099/II

  • In de considerans bij het voorstel «van de Europese Unie» schrappen.

  • In artikel I, onderdeel A, het voorgestelde artikel 1, onder 13° »van de Europese Unie» schrappen.

  • In artikel I, onderdeel E, het voorgestelde artikel 14 ook in het vijfde lid «in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen» vervangen door: in een andere lidstaat van de Europese Unie. [overeenkomstig het voorgestelde artikel 14, vierde lid]

  • De wijziging van de aanduiding van de CDIU in artikel I, onderdelen G en I, van een toelichting voorzien en ook doorvoeren in artikel 20, derde lid, van de Wwm.

  • In artikel I, onderdeel H, aan de voorgestelde paragraaf 4a na «Uitvoer van wapens en munitie» toevoegen: van bijlage I van verordening (EU) nr. 258/2012.


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012.

X Noot
3

Artikel 4 van de verordening.

X Noot
4

Artikel 9 van de verordening.

X Noot
5

Zie aanwijzingen 25 en 26 van de regelgeving.

X Noot
6

Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 20a, tweede alinea.

X Noot
7

Artikel 2, eerste lid, Wwm.

X Noot
8

Vergelijk het voorgestelde artikel 55, eerste en derde lid, onder c, Wwm.

Naar boven