Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van
de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De leden van de fractie van SP hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Mediation
naast rechtspraak neemt een grote vlucht in Europa. Deze leden juichen dat toe, niet
alleen omdat mediation in het algemeen sneller en goedkoper tot een oplossing van
het geschil leidt, maar vooral omdat de tevredenheid bij beide partijen veelal groter
is dan na een rechterlijke uitspraak doordat ook een onderliggend conflict wordt opgelost.
Dat laatste aspect speelt bij het wetsvoorstel nauwelijks een rol. Het doel is hier
primair om het vertrouwen in de Europese markt te vergroten. Het is dan ook terecht
dat het wetsvoorstel de term mediation niet gebruikt. Het gaat sec om snellere en
goedkopere conflictoplossing. Toegang tot de rechter blijft echter altijd mogelijk.
De verhouding van de Richtlijn buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten
tot andere Europese instrumenten
De aan het woord zijnde leden lezen in de memorie van toelichting dat de Wet implementatie
richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in
burgerlijke en handelszaken (Stb. 2012, 570) naast dit wetsvoorstel van toepassing is op grensoverschrijdende consumentengeschillen
en dat, in geval van conflicterende bepalingen, genoemde wet vóór gaat. Dit betekent,
zo nemen deze leden aan, dat de bepalingen over stuiting van de verjaring en het verschoningsrecht
van de mediator ook op de geschillenbeslechting uit dit wetsvoorstel van toepassing
zijn. Is de consequentie daarvan dat deze bepalingen van toepassing zijn op alle buitengerechtelijke
geschillencommissies voor consumentenzaken? Indien een zaak is behandeld door meerdere
personen van een geschillencommissie, bestaat dan voor deze personen verschoningsrecht?
Wijze van implementatie
De Afdeling advisering van de Raad van State wijst erop dat deze wet ook in bestaande
wetten had kunnen worden opgenomen. Een reden om dit niet te doen is, volgens de regering,
dat de implementatietermijn anders niet gehaald zou worden. Dat impliceert dat het
vormgeven van een nieuwe wet makkelijker en sneller is dan het inpassen in bestaande
wetten. De vraag van de leden van de SP-fractie is of de regering in zijn algemeenheid
een visie heeft over de vraag of inpassing in bestaande wetgeving al dan niet de voorkeur
verdient boven het maken van een nieuwe wet? Is hierover iets geregeld in de Aanwijzingen
voor de regelgeving? Zo ja, hoe luidt deze aanbeveling? Zo nee, zou zo’n aanwijzing
er niet moeten komen?
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1, lid 1, onderdelen e en f
De memorie van toelichting stelt dat de reikwijdte van de richtlijn is beperkt tot
materiële schade. Ook materiële schade voortkomend uit letselschade zou niet onder
de richtlijn vallen. De merkwaardige situatie doet zich voor dat een dergelijke beperkende
bepaling – hoe begrijpelijk ook overigens – noch in de richtlijn en de toelichting
daarop, noch in het wetsvoorstel zelf is te vinden. De memorie van toelichting baseert
zich op een expertmeeting bij de Europese Commissie op 25 juni 2013. De vraag van
de aan het woord zijnde leden is of het vaker voorkomt dat op een dergelijke wijze
de uitleg van een richtlijn wordt beperkt, zonder dat dit kenbaar is in de wettekst
of de toelichting daarop? Een volgende vraag is waarom de regering, indien zij de
reikwijdte aldus wenst te beperken, dat niet in de wet heeft opgenomen teneinde de
kenbaarheid te garanderen?
De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de
regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler
De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren