Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533970 nr. 8

33 970 Vaststelling van een nieuwe Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 201.)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 15 december 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

1. In artikel 6, eerste lid, wordt «de artikelen 3, 25 en 29» vervangen door: de artikelen 3, 24 en 28.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd luidende:

2. De leden van de Afdeling rechtspraak stellen het bestuur van de Raad in kennis van hun overige betrekkingen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking. Ook indien zij geen overige betrekkingen vervullen, stellen zij het bestuur daarvan in kennis.

3. De kennisgevingen worden jaarlijks geactualiseerd en gepubliceerd op de website van de Raad.

C

Onder vernummering van de artikelen 31 tot en met 41 tot 32 tot en met 42, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31

1. Op verzoek van een der partijen kan elk van de leden van de beroepscommissie die de betreffende beroepszaak behandelen dan wel de voorzitter die een schorsingsverzoek behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

2. Wanneer een wrakingsverzoek wordt gedaan, wordt de behandeling van het beroep dan wel de behandeling van het schorsingsverzoek geschorst. Indien het wrakingsverzoek ter zitting wordt gedaan, wordt van het verhandelde een proces-verbaal opgemaakt waarin de reden voor de wraking is vermeld.

3. Het lid wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.

4. Het wrakingsverzoek wordt behandeld door een wrakingskamer, waarin het lid wiens wraking wordt verzocht geen zitting heeft.

5. De verzoeker en het lid wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord dan wel hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken. De wrakingskamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of het lid wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord.

6. Nadat op het verzoek is beslist, kan de wrakingskamer de behandeling van het beroep voortzetten.

7. Een volgend verzoek om wraking in dezelfde beroepszaak van hetzelfde lid van de beroepscommissie wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

8. In geval van misbruik kan worden bepaald dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.

9. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

D

In artikel 34 (nieuw) wordt onder vernummering van het eerste tot en met derde lid tot tweede tot en met vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

1. Artikel 2, tweede lid, komt te luiden:

2. Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk en afhankelijk van het gedrag van de betrokkene dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij. Bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

Toelichting

Onderdeel A

Dit betreft een technische verbetering.

Onderdelen B en C

Een van de doelstellingen van dit wetsvoorstel vormt het inzichtelijker maken van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de RSJ en dit juridisch te waarborgen. De onderdelen B en C bevatten twee wijzigingen die bijdragen aan deze doelstelling.

Onderdeel B betreft de verplichting voor de (buitengewone) leden van de RJS om hun (neven)betrekkingen te melden en de verplichting tot publicatie daarvan. Op dit moment vermeldt de website van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (hierna: RSJ) de (neven)betrekkingen van haar leden en plaatsvervangende leden. In het licht van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de (buiten)gewone leden van de RSJ die belast zijn met rechtspraak en het vertrouwen daarin, is het van belang dat er transparantie is over de (neven)betrekkingen die zij vervullen. Met de in onderdeel B voorgestelde bepaling, wordt daarom op het niveau van de wet geborgd dat (buitengewone) leden van de Afdeling rechtspraak hun (neven)betrekkingen moeten melden en dat deze gepubliceerd worden.

De wijziging in onderdeel C verplaatst de wrakingsregeling uit het Procesreglement rechtspraak van de RSJ naar het niveau van de wet. Ik vind het wenselijk dat dit middel dat partijen kunnen aanwenden wanneer zij twijfelen aan de onpartijdigheid van een lid van de behandelende beroepscommissie, in de wet wordt opgenomen.

Onderdeel D

Met dit wetsvoorstel wordt geëxpliciteerd dat bij beslissingen over externe vrijheden, de belangen van slachtoffers en nabestaanden en de veiligheid van de samenleving, onderdeel uitmaken van de belangenafweging die aan die beslissing ten grondslag ligt. Daartoe wordt dit in dit wetsvoorstel onder meer als uitgangspunt vastgelegd in artikel 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 2 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Een soortgelijke wijziging van artikel 2 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) werd reeds voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (Kamerstukken 33 745). Nu laatstgenoemd wetsvoorstel is verworpen, zal de wijziging van artikel 2 van de Pbw naar dit wetsvoorstel worden overgeheveld.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven