Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433969 nr. 3

33 969 Wijziging van de Wet strategische diensten in verband met de uitvoering van het op 2 april 2013 te New York tot stand gekomen Wapenhandelsverdrag (Trb. 2013, 143)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Het Verdrag

Het Wapenhandelsverdrag (Arms Trade Treaty, hierna: het Verdrag) reguleert de legitieme handel in militaire goederen. Regulering van de wapenhandel draagt bij aan het voorkomen van onverantwoorde wapentransacties en van doorvoer van wapens naar de illegale markt. Hiermee levert het verdrag een belangrijke bijdrage aan de internationale veiligheid en stabiliteit. Essentieel is dat het Verdrag de verdragspartijen verplicht een wapenexportsysteem op te tuigen. Deze exportcontrole op conventionele wapens zal moeten leiden tot verantwoorde nationale beslissingen omtrent uitvoer van militaire goederen die onder de reikwijdte van het verdrag vallen. Op 3 juni 2013 werd het verdrag in New York opengesteld voor ondertekening. Nederland behoorde op die dag tot de eerste ondertekenaars.

Het Verdrag bevordert de internationale veiligheid en stabiliteit, onder meer door de verdragspartijen te verplichten gepaste maatregelen te nemen om de uitvoer, invoer, doorvoer en tussenhandel van militaire goederen te reguleren. Het Verdrag noemt daarnaast in de artikelen 6 en 7 verschillende weigeringsgronden en overwegingen die moeten worden meegenomen bij de beoordeling van transacties inzake militaire goederen.

Artikel 6 bepaalt wanneer de overdracht van conventionele wapens onder het Verdrag verboden is. Staten mogen overdracht niet toestaan indien dit de verplichtingen van het land zou schenden onder resoluties van de VN-Veiligheidsraad. Het gaat hier met name om VN-wapenembargo’s (eerste lid). Ingevolge het tweede lid van artikel 6 mogen ook die overdrachten niet toegestaan worden die relevante internationale verplichtingen zouden schenden. Hier kunnen onder meer wapenembargo’s van de EU en de OVSE onder worden geschaard. Tenslotte bepaalt het artikel dat overdracht van conventionele wapens onder het Verdrag niet toegestaan mag worden indien op het moment van autorisatie bekend is dat de wapens zouden worden gebruikt voor het plegen van genocide, misdaden tegen de menselijkheid, ernstige inbreuken op de Geneefse Conventie uit 1949, aanvallen op burgerdoelen of burgers, of andere oorlogsmisdaden. In artikel 7, eerste lid, worden de criteria genoemd die bij de toetsing voor het verlenen van toestemming voor uitvoer van conventionele wapens dienen te worden gewogen, indien de uitvoer niet reeds is verboden op basis van artikel 6: bijdrage of ondermijning van vrede en veiligheid, mogelijk gebruik bij schendingen van internationaal humanitair recht of internationaal recht van de rechten van de mens, gebruik bij schendingen van internationale verdragen aangaande terrorisme of grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.

Indien na de risicotoetsing en eventuele mitigerende maatregelen de exporterende staat bepaalt dat er een doorslaggevend risico bestaat op negatieve consequenties onder de genoemde criteria, mag de exporterende staat geen toestemming geven voor uitvoer (derde lid). Het vierde lid van artikel 7 verplicht verdragspartijen om het risico op inzet van de goederen voor genderspecifiek geweld of geweld tegen vrouwen en kinderen mee te wegen.

Implementatie

Voor zowel het Europees als Caribisch Nederland betekent het Verdrag geen grote wijziging ten opzichte van de bestaande regelgeving en praktijk. De bestaande regelgeving omvat reeds regulering van invoer-, uitvoer en doorvoer van, onder meer, de conventionele wapens waarop het Verdrag ziet. Ook de in de artikelen 6 en 7 van het Verdrag opgenomen criteria en overwegingen zijn reeds in meer of mindere mate expliciet, opgenomen in het EU Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (Pb EU L 335/99). Militaire transacties worden in de praktijk steeds getoetst aan de criteria van dit Gemeenschappelijk Standpunt. Dit geldt zowel voor het Europese deel van Nederland als voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De vergunningaanvragen worden in de praktijk voor beide delen van Nederland (voor Caribisch Nederland via een frontoffice aldaar) afgehandeld door de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer in Groningen. De toetsingscriteria zijn dezelfde. Toetsing aan deze criteria is niet uitdrukkelijk vastgelegd in nationale wet- of regelgeving, maar blijkt wel uit de jurisprudentie.

Ter verhoging van de transparantie en om buiten twijfel te stellen dat genoemde verdragsbepalingen te allen tijde kunnen worden uitgevoerd, wordt nu uitdrukkelijk in de wet opgenomen, dat een vergunning voor tussenhandeldiensten militaire goederen en voor de immateriële overdracht van militaire goederen door middel van elektronische media, zowel voor het Europese deel van Nederland als voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt geweigerd indien anders in strijd wordt gekomen met internationale verplichtingen. Hiermee zijn de criteria van het Verdrag alsmede (mogelijk toekomstige) andere internationale verplichtingen op dit gebied toetsingscriteria in het kader van de wet geworden.

Omdat het Verdrag naast tussenhandeldiensten met betrekking tot en immateriële overdracht van militaire goederen ook ziet op de feitelijke overdracht van militaire goederen, zullen vergelijkbare wijzigingen worden opgenomen in het Besluit strategische goederen en het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES, die (mede) zien op de (fysieke) doorvoer en uitvoer van wapens.

Administratieve lasten en IAK

De voorliggende wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten. Zij omvatten uitsluitend het uitdrukkelijk vastleggen van een grond voor het weigeren van vergunning, maar hebben, zoals hierboven toegelicht, geen gevolgen voor de bestaande praktijk.

Met de in het voorafgaande opgenomen toelichting op aanleiding, inhoud en gevolg van dit voorstel van wet is voldaan aan het Integraal Afwegingskader beleid en regelgeving.

II Artikelsgewijs

Artikel I

A

  • 1. Onderdeel 1 is puur technisch en voegt de bestaande, inhoudelijk sterk samenhangende, leden 4 en 5 van artikel 14 van de Wet strategische diensten samen tot één artikellid, zodat met de invoeging van het nieuwe vijfde lid (artikel I, onderdeel A, onder 2) een logischer volgorde ontstaat. Door deze aanpassing bevatten zowel het vierde lid als het nieuwe vijfde lid een weigeringsgrond. Waren het oude vierde en vijfde lid niet samengevoegd, dan had tussen twee weigeringsgronden een procedurele bepaling gestaan.

  • 2. Artikel 14 van de Wet strategische diensten bevat bepalingen omtrent vergunningverlening op grond van deze wet op het terrein van alle strategische diensten ten behoeve van het Europese deel van Nederland. Deze bepaling ziet op vergunningverlening op het terrein van diensten aangaande zowel militaire goederen als dual use goederen. Het Verdrag ziet echter uitsluitend op militaire goederen en deze wijzigingswet beperkt zich tot implementatie van het Verdrag. Om deze reden wordt uitsluitend met betrekking tot vergunningverlening ten aanzien van militaire goederen (artikel 8 inzake overdracht militaire programmatuur of militaire technologie en artikel 10 inzake tussenhandeldiensten militaire goederen) uitdrukkelijk in de wet, in het nieuwe vijfde lid van artikel 14, opgenomen dat een vergunning wordt geweigerd voor zover dat voortvloeit uit internationale verplichtingen. Hiermee wordt zeker gesteld dat te allen tijde kan worden voldaan aan de verplichtingen van onder meer het Verdrag (en eventuele andere, huidige en toekomstige internationale verplichtingen op het terrein van militaire goederen).

B

De wijziging van artikel 25 van de Wet strategische diensten bevat een vergelijkbare wijziging als die van artikel 14 in verband met vergunningenverlening voor strategische diensten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen