Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533963 nr. 7

33 963 Initiatiefnota van het lid Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid

Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2015

Op 9 maart jl. vond met de Algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het notaoverleg plaats over het initiatief van Kamerlid Van Laar inzake het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid (Kamerstuk 33 963, nr. 6). Tijdens dit notaoverleg heb ik toegezegd de Kamer nader te informeren over de inzet die op EU-niveau mogelijk is om kinderarbeid (beter) te bestrijden. Met deze brief voldoe ik graag aan die toezegging.

Op werkniveau zijn in Brussel verschillende gesprekken gevoerd met de Directoraten-Generaal voor Handel, Ontwikkelingssamenwerking en Justitie, evenals met de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) en met verschillende andere EU-lidstaten.

Nederland heeft in Brussel gepleit voor meer coherentie tussen handels- en ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten. Meer coherentie zou de effectiviteit van het APS+ en ook van bilaterale handelsverdragen kunnen verbeteren. Dit verbeterpunt wordt onderkend door de Commissie. Daarom start de Commissie een pilotprogramma waarbinnen wordt samengewerkt met de ILO om de handhaving van de fundamentele arbeidsnormen (waaronder het verbod op kinderarbeid) in de APS+-landen te versterken. Deze pilot wordt ondersteund met EU-ontwikkelingsgeld.

Ook in het kader van bilaterale handelsverdragen van de EU is dit een aandachtspunt. De uitvoering van de hoofdstukken «handel en duurzame ontwikkeling» – die mede op sterk aandringen van Nederland standaard in de nieuwste generatie EU-handelsverdragen zijn opgenomen – moeten meer ondersteund worden vanuit EU-ontwikkelingsprojecten.

In het duurzaamheidshoofdstuk worden doorgaans bestaande verplichtingen op het terrein van de fundamentele arbeidsverdragen van de ILO herbevestigd. Een gezamenlijk subcomité van de verdragspartijen monitort implementatie. Ook betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij deze monitoring is doorgaans vastgelegd in het duurzaamheidshoofdstuk. Net als bij APS+ gaan ook de duurzaamheidsafspraken in de handelsverdragen uit van een coöperatieve aanpak om implementatie van de arbeidsnormen te versterken. Zo stond een uitwisseling van best practices op het gebied van kinderarbeidbestrijding op de agenda tijdens de bijeenkomst van het subcomité voor handel en duurzame ontwikkeling binnen het EU-Associatieakkoord met Midden-Amerika eerder dit jaar.

Het thema «mensenrechten en bedrijfsleven» staat nadrukkelijk op de kaart tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap. Dit bredere punt is onder de aandacht gebracht bij de gesprekspartners van de EU-instellingen. Een versterkte inzet van de EU op het gebied van mensenrechten en bedrijfsleven komt ook ten goede aan de strijd tegen kinderarbeid. Nederland heeft ervoor gepleit dat de Europese Commissie in de aanstaande Commissiemededeling over MVO een stevige nadruk legt op mensenrechten en bedrijfsleven, inclusief prioriteiten voor de implementatie van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Mogelijke oplossingen voor de ergste misstanden in mondiale waardeketens, zoals kinderarbeid, zullen bovendien nadrukkelijk een onderwerp van bespreking zijn tijdens de conferentie die Nederland op 7 december 2015 organiseert in aanloop naar het voorzitterschap. De conferentie is gericht op wat de EU kan doen – met name in haar handels- en OS-beleid – om mondiale waardeketens te verduurzamen.

Nederland heeft verder bij de EDEO gepleit voor het aannemen van Conclusies over kinderarbeid door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) tijdens ons EU-voorzitterschap. Overigens voert Nederland in 2016 niet het voorzitterschap van de RBZ – dat ligt bij de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, Federica Mogherini. De Raadsconclusies zouden in het teken moeten staan van de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Volgens de Roadmap for Achieving the Elimination of the Worst Forms of Child Labour, die in 2010 tijdens de tweede mondiale kinderarbeidconferentie in Den Haag werd vastgesteld, zouden die vormen van kinderarbeid in 2016 uitgebannen moeten zijn. Helaas zal vastgesteld moeten worden dat dat doel niet gehaald wordt. De Raadsconclusies kunnen weergeven wat op EU-niveau kan worden gedaan om dit doel desondanks dichterbij te brengen. Vooruitlopend hierop zal ik inzetten op een intensivering van de samenwerking met gelijkgezinde EU-lidstaten ter versterking van de gezamenlijke inzet tegen kinderarbeid.

Met de EDEO en het DG Ontwikkelingssamenwerking is ook overlegd over de manier waarop de bestrijding van kinderarbeid op dit moment figureert in mensenrechten- en ontwikkelingsprojecten van de EU. Nederland heeft daarbij gepleit voor een geïntegreerde, gebiedsgerichte aanpak die bijvoorbeeld centraal staat in het Child Labour Free Zones-programma, dat met steun vanuit het Mensenrechtenfonds in zes landen (Mali, Oeganda, Zimbabwe, Nicaragua, India en Turkije) wordt uitgevoerd door de Coalitie Stop Kinderarbeid. Inderdaad bekijken ook de EU-instellingen de mogelijkheden om een dergelijke, meer geïntegreerde aanpak te hanteren.

Tijdens een gesprek met Commissaris Malmström (Handel) is aangekaart dat handelsinstrumenten zoals het Algemeen Preferentieel Stelsel+ (APS+) mogelijk beter ingezet kunnen worden tegen kinderarbeid. De Europese Commissie en de EDEO onderkennen dat het APS+ een belangrijk instrument kan zijn in de strijd tegen mensenrechtenschendingen, waaronder kinderarbeid. Wel moet aangetekend worden dat het APS+ momenteel geldt voor slechts veertien landen: Armenië, Bolivia, Kaapverdië, Costa Rica, de Filipijnen, Ecuador, Georgië, Mongolië, Pakistan, Paraguay, Peru, El Salvador, Guatemala en Panama. Het APS+ is een instrument dat uitgaat van positieve prikkels en van continue dialoog met de betreffende landen om implementatie te verbeteren van de 27 internationale verdragen (waaronder ILO-conventies 138 en 182, gericht tegen kinderarbeid) waarop het stelsel gestoeld is.

Het stelsel werd in vernieuwde vorm van kracht in 2014, en momenteel loopt de eerste ronde beoordelingen van APS+-landen via de zogenaamde score cards. Deze worden opgesteld door de Europese Commissie, voornamelijk op basis van betrouwbare bronnen zoals (publicaties van) verdragscomités. De score cards brengen de voortgang van implementatie van verdragen in kaart, en laten ook zien waar eventuele tekortkomingen liggen. De dialoog is erop gericht gezamenlijk mogelijkheden voor verbetering te identificeren. Zo worden de APS+-landen geholpen bij de implementatie van de verdragen. Van de betreffende landen kan niet verwacht worden dat misstanden, waaronder kinderarbeid, binnen enkele maanden worden opgelost. Wel wordt oprechte vooruitgang en serieuze inzet verwacht. Het systeem in de huidige vorm wordt in 2017 geëvalueerd. Deze evaluatie zal moeten uitwijzen of de huidige benadering voldoende effect heeft.

Zoals toegezegd aan uw Kamer is in Brussel ook overleg gevoerd over de mogelijke inzet van andere handelsinstrumenten tegen kinderarbeid, in het bijzonder een importverbod voor producten die voortkomen uit de ernstigste vormen van kinderarbeid. In de periode 2007–2010 pleitte Nederland al eerder voor een dergelijk verbod. Deze poging kon toentertijd niet rekenen op voldoende steun van andere lidstaten. Uit een rondgang langs een aantal EU-lidstaten bleek dat dit beeld sinds 2010 niet noemenswaardig veranderd is. Net als verschillende lidstaten wezen ook gesprekspartners bij DG Handel en bij de EDEO op bezwaren ten aanzien van uitvoerbaarheid en effectiviteit. Met name de moeilijkheid voor de douaneautoriteiten om bij import van elk product vast te stellen of het voortkomt uit kinderarbeid, evenals het gegeven dat slechts ongeveer 5% van de producten van kinderarbeid bestemd is voor de export, werden daarbij aangehaald.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen