Artikel I, onderdeel A, van het voorstel van wet komt te luiden:
A
Artikel 1.1, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede volzin komt te luiden: Onze Minister kan per geval besluiten of bij ministeriële
regeling per afvalstroom regelen dat een afvalstof, respectievelijk een afvalstroom,
die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, niet als afval wordt
aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof respectievelijk afvalstroom geen criteria
van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook wordt voldaan aan artikel
6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen.
2. De vierde volzin komt te luiden: Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt
stoffen, preparaten of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van
de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel
gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel van de kaderrichtlijn
afvalstoffen vastgestelde uitvoeringsmaatregel of in een regeling van Onze Minister
daartoe aangegeven criteria.
Toelichting
Met deze nota van wijziging wordt de voorgestelde wijziging van artikel 1.1, zesde
lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) aangevuld. In het oorspronkelijke wetsvoorstel
werd alleen voorgesteld om de tweede volzin van artikel 1.1, zesde lid, inzake de
«einde-afval-fase» te wijzigen. Die wijziging wordt door deze nota van wijziging niet
aangepast.
Met deze nota van wijziging wordt voorgesteld om tevens de vierde volzin van het betreffende
artikellid inzake bijproducten te wijzigen. Met die wijziging wordt artikel 5 van
de Kaderrichtlijn afvalstoffen (hierna: kaderrichtlijn) nader geïmplementeerd. Artikel
5 van de kaderrichtlijn geeft een aantal voorwaarden op basis waarvan stoffen en voorwerpen
die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats op de
productie van die stof of dat voorwerp bedoeld zijn aan te merken als bijproducten.
Op deze wijze wordt voorkomen dat deze stoffen of voorwerpen als afval worden bestempeld.
Daar waar dat verantwoord is moet bevorderd worden dat bruikbare productieresiduen
worden ingezet als grondstof. Hiermee sluit het aanmerken van een stof of voorwerp
als bijproduct aan bij de ambities en doelstellingen van de beleidsprioriteit Van
Afval Naar Grondstof (VANG). Het uitgangspunt van bijproducten is grofweg dat zij
worden geproduceerd als integraal onderdeel van een bestaand productieproces en dat
verder gebruik van het product rechtmatig is, waarbij het specifieke gebruik niet
mag leiden tot ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid. De
Europese Commissie heeft op basis van artikel 5 van de kaderrichtlijn de bevoegdheid
om criteria vast te stellen om te bepalen of een stof of voorwerp als bijproduct moet
worden aangemerkt. Daarnaast geeft de Europese Commissie in de «Guidance on the interpretation
of key provisions of Directive 2008/98/EC» aan dat ook lidstaten de bevoegdheid hebben
om op nationaal niveau criteria vast te stellen.
De voorgestelde wijziging maakt het mogelijk dat de Minister van Infrastructuur en
Milieu ook voor bijproducten bij ministeriële regeling met criteria nadere invulling
kan geven aan de voorwaarden die in de kaderrichtlijn zijn opgenomen. In het oorspronkelijke
wetsvoorstel had de Minister deze bevoegdheid enkel met betrekking tot het oordeel
dat een stof of voorwerp niet langer als afval mag worden aangemerkt, de zogenaamde
«einde-afval-fase». Aangezien het wenselijk is om de behandeling van alle stoffen
of voorwerpen, zowel bijproducten als einde-afval producten, zoveel mogelijk gelijk
te trekken is ervoor gekozen ook voor bijproducten een grondslag voor een ministeriële
regeling in de Wm op te nemen. Om te voorkomen dat er wellicht een periode zou ontstaan
waarin voor einde-afval wel nadere nationale invulling mogelijk is, en voor bijproducten
niet, is ervoor gekozen deze wijzing van artikel 1.1, zesde lid, bij nota van wijziging
op te nemen en hiermee niet te wachten tot een volgende wijziging van de Wm. Hierbij
speelt mee dat deze aanpassing aansluit bij de VANG-doelstelling en het streven naar
een circulaire economie waarin bruikbare materialen zoveel mogelijk als grondstof
en niet als afvalstof worden bestempeld. Dit betekent in elk geval dat bij toepassing
van een bijproduct geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid
mogen optreden. Uiteraard zullen bij het opstellen van de criteria de voorwaarden
zoals deze in de kaderrichtlijn zijn opgenomen en in de jurisprudentie over de kaderrichtlijn
zijn ontwikkeld in acht worden genomen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld