Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433877 nr. 2

33 877 Staat van de Europese Unie 2014

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2014

Naar aanleiding van het verzoek van het lid Madlener, treft u hierbij een reactie van het kabinet aan op het op 6 februari jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 51, Regeling van Werkzaamheden) verschenen rapport naar de waarschijnlijke economische gevolgen van het verlaten van de Europese Unie door Nederland. Het rapport is opgesteld door het Britse onderzoeksbureau Capital Economics in opdracht van de PVV.

Het rapport concludeert dat Nederland binnen de EU economische groeipercentages zou realiseren die lager zijn dan die op elk continent van de wereld gewoon zijn, maar ook lager dan de afgelopen decennia in eigen land zijn gerealiseerd. Vertrek uit de EU zou, aldus het rapport, de Nederlandse economie versterken door lagere kosten voor het bedrijfsleven, lagere of geen EU-afdrachten, herziening van het migratiebeleid waarbij enkel migranten die een economische bijdrage leveren opgenomen worden en niet-westerse migratie gericht op gezinshereniging of asiel uitgesloten is, het voeren van een zelfstandig handelsbeleid en effectiever management van de conjunctuurcyclus door autonoom monetair en begrotingsbeleid. Het rapport suggereert dat de herinvoering van een nationale munt slechts zou leiden tot bescheiden en beheersbare economische kosten, geen structurele herwaardering van de gulden ten opzichte van de euro teweeg zou brengen en dus geen bedreiging zou vormen voor de stabiliteit van de financiële sector, de staatsschuld of de pensioenfondsen. Het rapport gaat uit van het scenario dat Nederland een relatie kan bedingen met de EU zoals Zwitserland die heeft, en daarmee volledige toegang tot de Europese interne markt kan behouden. Een dergelijke constructie zou leiden tot 10–13% hoger BBP in 2035 dan wanneer Nederland onderdeel zou blijven van de EU. Per huishouden zou dat voordeel in die periode van 21 jaar neerkomen op een bedrag van € 7.100 tot € 9.800 per jaar. Zelfs wanneer een dergelijke relatie niet bewerkstelligd wordt, zou uittreden gunstig zijn voor de Nederlandse economie. Het rapport benadrukt tot slot de noodzaak om de risico’s die het verlaten van de EU met zich meebrengt, «te erkennen en aan te pakken», maar geeft hierover geen verdere details.

Achtereenvolgens zal het kabinet zijn reactie geven op de conclusies uit het rapport van Capital Economics wat betreft uittreding uit de Euro, de gevolgen van een uittreden van Nederland uit de EU voor de interne markt, de Nederlandse handelspositie en het Nederlandse migratiebeleid.

Zoals een eerder aan uw Kamer gezonden overzicht van onderzoeken naar de economische gevolgen van een uiteenvallen van de euro1 laat zien, bestaat er grote onzekerheid over de economische gevolgen hiervan. Gemene deler is wel dat uittreding gepaard gaat met hoge directe kosten vanwege wisselkoersfluctuaties en financiële instabiliteit. Op lange termijn komen daar de kosten van het mislopen van de baten van de euro bij. Het CPB heeft geconcludeerd dat een verantwoorde onderbouwing van de kostenbatenanalyse van de euro nauwelijks te geven is2. Het CPB merkt hierbij op dat aannames die aan een onderzoek ten grondslag liggen, veelal de uitkomst bepalen. Het kabinet meent dat het rapport van Capital Economics is gebaseerd op onrealistische aannames en de risico’s en negatieve effecten van een euro-uittreding onderschat. Het kabinet deelt de aannames, overwegingen en conclusies van het rapport derhalve niet.

In lijn met studies van de OESO en het CPB3 verwacht het kabinet dat de effecten van een uittreding groot zijn en gepaard gaan met zeer grote onzekerheden en risico’s op de financiële markten. Capital Economics hanteert een te conservatieve schatting van de kosten van uittreding door te stellen dat er op middellange termijn geen significante appreciatie of depreciatie te verwachten is van de nieuwe munt t.o.v. de euro; op de lange termijn zou de nieuwe munt licht kunnen appreciëren. Het rapport onderschat daarmee de risico’s van een uittreding voor de Nederlandse bezittingen in het buitenland, bedrijfsleven, pensioenfondsen en banken. Een handelsland als Nederland, met zijn omvangrijke netto-vermogenspositie in het buitenland en zijn grote afhankelijkheid van de exportsector (waarvan 73 procent naar andere EU-lidstaten) heeft economisch baat bij deelname aan een stabiele gezamenlijke munt.

Voorts is een volledig onafhankelijk monetair beleid, gezien de gevoeligheid voor wisselkoersschommelingen, niet in het voordeel van een kleine open economie zoals Nederland. In feite staat het monetair beleid van Nederland al sinds voor de invoering van de euro in het teken van de inwerkingtreding van het Europees Monetair Stelsel in 1979 en de expliciete koppeling van de gulden aan de Duitse mark in 1983. Ook Zwitserland heeft sinds september 2011 de Zwitserse frank gekoppeld aan de euro.

Capital Economics gaat voorbij aan het positieve effect van harmonisatie van regelgeving op de handel binnen de EU, onze grootste afzetmarkt. De interne markt is onmisbaar voor de Nederlandse handel en werkgelegenheid, en kan alleen functioneren dankzij de gezamenlijke regie in EU-kader. Het naleven van Europese regels en voorschriften geldt als voorwaarde voor toegang tot de interne markt. Dit geldt ook indien Nederland zich buiten de EU zou plaatsen. Uittreding ontzegt Nederland echter zijn inspraak in de besluitvorming over EU-regelgeving. Regelgeving t.a.v. de interne markt is automatisch van toepassing op de Europese Economische Ruimte (Noorwegen, Liechtenstein, IJsland); Zwitserland heeft een reeks verdragen afgesloten met de EU om het EU-acquis in de Zwitserse wetgeving te verankeren. Hoewel alle genoemde landen de regelgeving dus implementeren, heeft geen van hen een plek aan de onderhandelingstafel. Overigens leveren zowel de EER-landen als Zwitserland, ook als niet-EU leden, een substantiële bijdrage aan het EU-cohesiebeleid. Het kabinet acht het tot slot onwaarschijnlijk dat, naar voorbeeld van het Zwitserse model, de EU zonder meer een relatie aan zou gaan met Nederland zoals Capital Economics die voorstelt. De reacties, zowel vanuit de lidstaten als van het internationale bedrijfsleven, op het recente Zwitserse referendum over migratiequota laten voorts zien dat van selectief toepassen van de verworvenheden van de interne markt – wel de lusten, niet de lasten – geen sprake kan zijn.

Anders dan Capital Economics concludeert, acht het kabinet uittreding uit de EU schadelijk voor de Nederlandse handelspositie. De EU heeft met tientallen landen handelsakkoorden gesloten en is momenteel in onderhandeling over handelsakkoorden met de VS, Japan, Singapore en andere landen. Bilaterale heronderhandeling van bestaande verdragen zou voor Nederlandse bedrijven jarenlange onzekerheid opleveren. Daarbij is de onderhandelingspositie van Nederland vele malen zwakker dan die van de Unie met ruim 500 miljoen consumenten als geheel. Een grotere afzetmarkt levert immers een sterkere onderhandelingspositie op. Bovendien zou de aantrekkelijkheid van Nederland als handelspartner buiten de EU en de interne markt aanzienlijk verminderen. Het CPB heeft berekend dat Europese integratie en Europees handelsbeleid samen steeds hebben bijgedragen aan onze welvaart4. Het in het rapport van Capital Economics genoemde handelsverdrag tussen Zwitserland en China illustreert dat de onderhandelingspositie van Zwitserland minder goed is dan die van de EU. Zo heeft dit verdrag een beperkt bereik; belangrijke sectoren zoals zuivel en graan zijn uitgesloten. De EU-onderhandelingen met China daarentegen omvatten een breder scala aan onderwerpen waaronder overheidsopdrachten, diensten, informatietechnologie, douanesamenwerking, milieugoederen en -diensten en toegang en behandeling van investeringen. Het kabinet ziet de voortgang bij deze onderhandelingen als opstap naar een overkoepelend handelsakkoord tussen China en de EU.

Het EU-migratiebeleid biedt een kader dat enerzijds bijdraagt aan het bevorderen van voor de Nederlandse economie gunstige migratie, en anderzijds beoogt migratie in goede banen te leiden. In tegenstelling tot wat het rapport aanneemt, kan niet selectief gekozen worden welke delen van het EU-migratiebeleid op Nederland van toepassing zouden moeten zijn. Uittreding zou afbreuk doen aan de voordelen van intra-EU arbeidsmigratie voor de Nederlandse handelspositie, aan de mogelijkheid voor Nederlanders om zich elders binnen de EU te vestigen en aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor bedrijven. Het volledig sluiten van grenzen voor migratie gericht op gezinshereniging en asiel zou in strijd zijn met fundamentele rechten die zijn vastgelegd in internationale verdragen5. Om deze redenen acht het kabinet een dergelijke maatregel niet gewenst.

Samenvattend meent het kabinet dat Capital Economics de economische gevolgen van een uittreden van Nederland uit de EU baseert op onrealistische aannames en overwegingen. Het rapport laat daarnaast aantoonbare baten van het EU-lidmaatschap buiten beschouwing. Het kabinet deelt de conclusies van het rapport derhalve niet. Overigens maakt het kabinet de overweging wel of geen onderdeel te vormen van de Europese Unie niet enkel op economische gronden. Hoewel de nettobijdrage van de EU aan de Nederlandse economie positief en omvangrijk is, zijn ook politieke, sociale en culturele overwegingen van groot belang. Zoals het kabinet ook in de Staat van de Unie heeft betoogd, nopen onze geschiedenis, geografische ligging, (economische) belangen en onze overtuigingen tot Europese samenwerking en integratie. Daarom beoogt dit kabinet actief mee te werken en te bouwen aan een slagvaardige en democratisch legitieme EU met als uitgangspunt «Europees wat moet, nationaal wat kan». Alleen op die manier kunnen we onze invloed vergroten en meesturen op de ontwikkelingen die onze toekomst bepalen.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans


X Noot
1

Kamerbrief van de Minister van Financiën, kenmerk BFB2011–2828M, 6 december 2011.

X Noot
2

CPB, Second Opinion rapport «Nederland en de Euro», 18 april 2012.

X Noot
3

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Economic Outlook, pp. 48/53, november 2011 (http://www.oecd.org/economy/outlook/49113623.pdf ) en C. Teulings e.a., Europa in Crisis; Het Centraal Planbureau over Schulden en de Toekomst van de Eurozone, pp. 80–89, november 2011.

X Noot
4

CPB document nr. 194, «The contribution of trade policy to the openness of the Dutch economy», november 2009.

X Noot
5

O.a. Vluchtelingenverdrag, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.