Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 januari 2015
Tijdens de plenaire behandeling van de Verzamelwet pensioenen 2014 heb ik aan de heer
De Lange en de heer Hoekstra toegezegd in te gaan op de gevolgen van de aftopping
voor het nabestaandenpensioen in de situatie die in het debat aan de orde is geweest.
Het ging om personen die voor hun arbeidsongeschiktheid langdurig veel meer dan € 100.000
verdienden, al langere tijd arbeidsongeschikt zijn en een slechte gezondheidsprognose
hebben en die premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid bij een pensioenfonds
hebben. Dat laatste betekent dat de opbouw van het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen
wordt voortgezet waarbij de deelnemer zelf geen premies hoeft af te dragen. Als een
betreffende deelnemer overlijdt op (of vóór) 31 december 2014 zou de partner ervan
een fors hoger nabestaandenpensioen krijgen dan indien deze deelnemer overlijdt op
of na 1 januari 2015.
Mede namens de Staatssecretaris van Financiën, kan ik hierover het volgende opmerken.
In de eerste plaats is het goed om te benadrukken dat het hier alleen gaat om de dekking
met betrekking tot het inkomen boven de € 100.000. Ook na 1 januari 2015 verandert
niets aan de mogelijkheden om tot een pensioengevend loon van € 100.000 te voorzien
in dekking van het nabestaandenpensioen.
Welke dekking mogelijk is voor het inkomen daarboven hangt af van de situatie. Ik
ga hierbij uit van de situatie die veelal bij een pensioenfonds voorkomt.1
De fiscale regels respecteren de dekking van het deel van het nabestaandenpensioen,
dat is opgebouwd respectievelijk toegezegd op basis van het inkomen in de periode
vóór 2015. Dit is geregeld voor zowel het nabestaandenpensioen op opbouwbasis (via
artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964) als voor het nabestaandenpensioen
op risicobasis (door het Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van
23 september 2014, nr. BLKB2014/1702M).
Vanaf 2015 is voor de jaren vanaf 2015 voor het inkomensdeel boven de € 100.000 een
nabestaandenvoorziening mogelijk door een nettopensioenregeling via de werkgever in
de tweede pijler, maar ook door een individueel nettolijfrenteproduct in de derde
pijler.
In de tweede pijler geldt daarbij een keuringsverbod, in de derde pijler niet. Als
een werkgever, die is aangesloten bij een pensioenfonds, vanaf 1 januari 2015 ook
mensen met een slechte gezondheidsprognose een nettopensioen aanbiedt, behouden deze
mensen nabestaandendekking voor het inkomen boven de € 100.000. Omdat iemand met premievrijstelling
wegens arbeidsongeschiktheid nog steeds pensioenaanspraken jegens een pensioenuitvoerder
verwerft en daarmee deelnemer is in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet, kan ook
aan deze deelnemer een dergelijk aanbod van een nabestaandenpensioen in de vorm van
een nettopensioen worden gedaan.
Als de (voormalige) werkgever geen nettopensioenregeling aanbiedt, dan zijn deelnemers
– voor het inkomensdeel boven de € 100.000 – aangewezen op de derde pijler. Daarbij
bestaat het risico dat mensen met een slechte gezondheid zich niet of moeilijk kunnen
verzekeren.
Of deze zeer specifieke groep mensen ook na 1 januari 2015 toegang heeft tot een nabestaandendekking
hangt derhalve af van de afspraken die sociale partners daar over maken. Dat is het
geval als zij ook een nettopensioen aanbieden aan de groep mensen met premievrijstelling
wegens arbeidsongeschiktheid.
Op dit moment zijn, respectievelijk worden, door cao-partners en pensioenuitvoerders
afspraken gemaakt. Ik ga er van uit dat de gevolgen voor het nabestaandenpensioen
en voor deze specifieke groep daarbij bijzondere aandacht krijgt, omdat ik heb begrepen
dat sociale partners deze problematiek al meerdere keren hebben besproken in de Stichting
van de Arbeid.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma