1. Algemeen
Het kabinet dankt de vaste commissie voor de vragen en opmerkingen bij de nota naar
aanleiding van het verslag en de nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioenen
2014.
2. Met betrekking tot de nota naar aanleiding van het verslag
Bijzonder partnerpensioen bij overlijden van de ex-partner
De leden van de PvdA-fractie stellen twee vragen over bijzonder partnerpensioen bij
overlijden van de ex-partner. Begrijpen de leden goed dat het bijzonder partnerpensioen
is uitgesloten van de uitruilmogelijkheid van het partnerpensioen voor een hoger ouderdomspensioen,
en dat daarom gepensioneerden die gaan scheiden niet in aanmerking kunnen komen voor
de voorgestelde regeling? Zo nee, kan de regering nader toelichten waarom gepensioneerden
geen gebruik kunnen maken van de voorgestelde regeling?
De leden van de PvdA-fractie stellen terecht dat het bijzonder partnerpensioen is
uitgesloten van de uitruilmogelijkheid van het partnerpensioen voor een hoger en/of
eerder ingaand ouderdomspensioen. Dit is uitdrukkelijk geregeld in artikel 60, tweede
lid, PW.
De reden dat gepensioneerden die gaan scheiden niet in aanmerking kunnen komen voor
de voorgestelde regeling is gelegen in het volgende. De voorgestelde regeling ziet
op de situatie vóór het bereiken van de pensioenleeftijd. Vanaf het moment van bereiken
van de pensioenleeftijd treedt een andere fase in. Op dat moment wordt de hoogte van
het ouderdomspensioen vastgesteld en begint de uitkering van het ouderdomspensioen.
De keuzemogelijkheden om te beschikken over pensioen die zijn opgenomen in de artikelen 60
en verder van de Pensioenwet (PW), zoals hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen,
uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen en andere vormen van uitruil, gelden
ook alleen tot dat moment. In de onderhavige regeling voor bijzonder partnerpensioen
is daarbij aangesloten. Dit betekent dat de voorgestelde regeling geldt voor deelnemers
en gewezen deelnemers en niet voor pensioengerechtigden.
3. Met betrekking tot de nota van wijziging
De leden van de fracties van de VVD, PvdA en het CDA hebben diverse vragen gesteld
over de uitvoering van een netto lijfrente door een pensioenfonds.
Deze nota van wijziging van de Verzamelwet pensioenen 2014 strekt ertoe – conform
de brief van 28 maart jl1 – dat de regeling voor de netto lijfrente in de tweede pijler kan worden uitgevoerd
binnen de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne door het stellen van
de in die brief voorgestelde eisen. Omdat over de uitwerking van die voorwaarden nog
overleg plaatsvindt met het pensioenveld en omdat het kabinet goede nota heeft genomen
van pensioenuitvoerders om voor de zomer duidelijkheid te krijgen, bevat deze nota
van wijziging delegatiebepalingen zodat bij algemene maatregel van bestuur regels
kunnen worden gesteld over de uitvoering van die netto lijfrente door pensioenfondsen.
Met betrekking tot de vragen van deze drie fracties waarom het begrip netto lijfrente
nog niet is veranderd in het begrip netto pensioen, kan worden opgemerkt dat in de
nota naar aanleiding van een schriftelijk overleg richtinggevende brief novelle Witteveenkader
van 12 mei jl.2 is aangegeven waarom het kabinet heeft gekozen voor de term netto lijfrente en dat
ook een andere keuze mogelijk was geweest.
In die nota is ook ingegaan op de vragen van de leden van de VVD-fractie en van de
CDA-fractie hoe de netto lijfrente in de tweede pijler fiscaal gezien wordt behandeld,
of de nettolijfrente in de tweede pijler arbeidsvoorwaardelijk is en wanneer de aangekondigde
amvb kan worden verwacht.
De leden van de CDA-fractie stellen diverse vragen over de voorwaarden waaronder uitvoering
van die netto lijfrente in de tweede pijler kan worden uitgevoerd.
De netto lijfrente wordt in de tweede pijler uitgevoerd als pensioen in de zin van
de Pensioenwet. Dat betekent dat in beginsel de gehele Pensioenwet van toepassing
is, tenzij de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne zich daartegen
verzetten. Dat betekent bij voorbeeld dat de netto lijfrente in de tweede pijler niet
kan worden uitgevoerd door een bank of een beleggingsinstelling, zoals is gevraagd,
omdat uitvoering in de tweede pijler alleen mogelijk zal zijn door de toegelaten aanbieders
in artikel 23 van de Pensioenwet. Ook zal er geen sprake kunnen zijn van uitkeringen
in eenheden. Voor de fiscale facilitering gelden de voorwaarden van de Wet IB 2001.
Over de uitwerking van de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne vindt
nog overleg met het pensioenveld plaats. De uitwerking hiervan in de algemene maatregel
van bestuur wordt nog aan uw Kamer voorgelegd.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma