Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633859 nr. 6

33 859 Goedkeuring van het op 19 december 2013 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Restmechanisme voor het Speciaal Hof voor Sierra Leone betreffende de zetel van het Restmechanisme voor het Speciaal Hof voor Sierra Leone (Trb. 2013, 256 en 2014, 84)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 15 oktober 2015

De regering dankt de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor haar verslag van 9 juli 2015 met betrekking tot het voorstel van wet tot goedkeuring van het Verdrag betreffende de zetel van het Restmechanisme voor het Speciaal Hof voor Sierra Leone (hierna: het Zetelverdrag RSC). Met belangstelling is kennis genomen van de vragen van de leden van de VVD-fractie. In deze nota naar aanleiding van het verslag worden, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, de vragen van de commissie beantwoord.

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting op pagina 3 dat het Zetelverdrag RSC een aantal bepalingen bevat dat verband houdt met specifieke strafrechtelijke taken van het RSC. Zij vragen om welke specifieke bepalingen het gaat.

In antwoord hierop kan worden toegelicht dat het gaat om de artikelen 6, 7 en 8 van het Zetelverdrag RSC. Artikel 6 heeft betrekking op de detentie van verdachten en andere personen die in hechtenis worden gehouden door het Restmechanisme, alsmede op de aanhouding en overdracht aan het Restmechanisme van personen die zijn ontsnapt uit detentie of tijdens het vervoer. In artikel 7 is geregeld dat Nederland en het Restmechanisme elkaar in de ruimst mogelijke zin ondersteuning verlenen. Artikel 8 bepaalt dat gedetineerde personen slechts met toestemming van Nederland hier te lande in vrijheid kunnen worden gesteld door het Restmechanisme. In verband hiermee is het Restmechanisme verantwoordelijk voor de eventuele overbrenging naar een andere staat van personen die in vrijheid worden gesteld.

Voorts stellen de leden van de VVD-fractie de vraag welke soort verdragsbepalingen onder de machtiging van artikel 3 van de Wet van 1947 vallen.

Hierover wordt het volgende opgemerkt. Artikel 3 van de Wet uit 1947 luidt: «Wij behouden Ons voor verdragen te bekrachtigen en andere maatregelen te nemen teneinde aan andere internationale organisaties overeenkomstige voorrechten en immuniteiten toe te kennen als in het in artikel 1 bedoelde Verdrag worden toegekend aan de Verenigde Naties.»

De zetelverdragen die onder dit machtigingsartikel vallen, bevatten bepalingen die overeenkomen met de aan de Verenigde Naties toegekende voorrechten en immuniteiten en zaken regelen zoals de juridische status van de organisatie, de onschendbaarheid en de bescherming van het terrein van de organisatie, de immuniteit van de organisatie, haar fondsen, activa en overige eigendommen, alsmede de vrijstelling van belastingen, heffingen en in- en uitvoerbeperkingen. Ook kan het gaan om het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan onder meer de functionarissen bij de uitoefening van hun functie. Zoals in de memorie van toelichting bij dit wetsontwerp reeds is aangegeven, is in een brief van 2008 aan de Eerste Kamer medegedeeld dat wanneer een zetelverdrag een aantal bepalingen bevat die verband houden met de specifieke (bijvoorbeeld strafrechtelijke) taken van een tribunaal, deze verdragen niet onder de machtiging van artikel 3 vallen. Dergelijke verdragen worden dan ook ter goedkeuring aan het parlement voorgelegd.

Tot slot hebben de leden van de VVD-fractie nog een aantal vragen over het faciliteren van detentie van verdachten en andere personen die in hechtenis van het Restmechanisme zijn. Zij vragen de regering toe te lichten hoe dit faciliteren vorm krijgt. Ook vragen zij waar de personen in hechtenis worden gesteld, welke kosten hieraan zijn verbonden en hoe de financiering is geregeld.

Op grond van het Zetelverdrag staat Nederland detentie door het RSC in Nederland toe en draagt er zorg voor dat detentiecapaciteit beschikbaar is als het RSC die nodig heeft. Nederland draagt tevens zorg voor (bewaakt) transport van verdachten of andere personen aan wie op last van het Restmechanisme hun vrijheid is ontnomen. Nederland is eveneens verantwoordelijk voor de bewaking en beveiliging van de panden die in gebruik zijn van het Restmechanisme. Personen die op last van het Restmechanisme zijn gedetineerd, zullen kunnen verblijven in de aan het Restmechanisme ter beschikking te stellen ruimtes van de VN detentie unit in Scheveningen. De kosten voor de detentiefaciliteit worden gedragen door het Restmechanisme zelf. De kosten voor het vervoer worden daarentegen gedragen door de Nederlandse staat.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders