Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433848 nr. 14

33 848 Burgerinitiatief «Geen EU-bevoegdhedenoverdracht zonder referendum»

Nr. 14 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 maart 2014

Tijdens het debat over het burgerinitiatief «Geen EU-bevoegdhedenoverdracht zonder referendum» d.d. 21 januari jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 43, item 22, blz. 1–29) werd gerefereerd aan een uitspraak van Commissievoorzitter José Manuel Barroso tijdens een toespraak in Florence, Italië, in 2010. Via deze brief reageert het kabinet – zoals toegezegd – nader op deze uitspraak.

Commissievoorzitter Barroso stelde in deze toespraak: «Wat te gebeuren staat, is een stille revolutie op het vlak van een sterker economisch bestuur in kleine stappen. De lidstaten hebben ermee ingestemd – ik hoop dat ze dat goed hebben begrepen – om de Europese instellingen zeer verregaande bevoegdheden te geven betreffende het toezicht op de lidstaten en een veel striktere controle op hun overheidsfinanciën.» Hij duidde met zijn uitspraken op de conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010. Daarin werden afspraken gemaakt om te komen tot een aanscherping van het begrotingstoezicht. Deze principe-afspraken zijn later omgezet in concrete wet- en regelgeving, het zogenoemde «six pack», vorig jaar aangevuld met het zogenoemde «two pack».

Zoals tijdens het debat al is uiteengezet, kan de EU alleen optreden wanneer aan haar bevoegdheden zijn toebedeeld. De Unie heeft geen autonome bevoegdheden, maar enkel afgeleide bevoegdheden, dat wil zeggen alleen wanneer deze aan haar door lidstaten zijn gegeven. Bevoegdheden kunnen uitsluitend door middel van primair recht, de verdragen, worden toebedeeld aan de Unie. De keuze om de bevoegdheden samen met andere lidstaten in Unieverband uit te oefenen wordt vrijwillig genomen door lidstaten. In Nederland gebeurt dit op grond van de uitdrukkelijke mogelijkheid hiertoe in art. 92 van de Grondwet, en pas na instemming van beide Kamers.

In de Europese verdragen hebben lidstaten neergelegd op welke terreinen de Unie de bevoegdheid heeft om op te treden. Het Verdrag van Lissabon heeft bovendien voor het eerst een duidelijke bevoegdheidscatalogus gecreëerd.

Door het aannemen van Unie-wetgeving (secundaire wetgeving: richtlijnen, verordeningen, besluiten) wordt de aan de Unie toegekende bevoegdheid daadwerkelijk uitgeoefend en wordt als gevolg van die bevoegdheidsuitoefening de ruimte voor eigen optreden door de lidstaten in meer of mindere mate beperkt. Er bestaat vanzelfsprekend geen verplichting voor de EU-instellingen de toebedeelde bevoegdheden te gebruiken. Met de follow-up in EU-verband van de Nederlandse subsidiariteitsexercitie, zet het kabinet zich actief in voor een betere focus van EU-optreden, door te bepleiten dat de aan de EU gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt als daar een noodzaak toe bestaat («Europees waar nodig, nationaal waar mogelijk»).

Het kabinet onderschrijft het belang dat de heer Barroso toekende aan de afspraken in de Europese Raad van juni 2010. De afspraken die toen zijn gemaakt hebben het fundament gelegd voor een aantal belangrijke maatregelen om het begrotingstoezicht, alsmede het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden in lidstaten, te versterken. De kwalificatie «stille revolutie» van de heer Barroso deelt het kabinet echter niet. De afspraken leiden weliswaar tot een beperking van de beleidsvrijheid van lidstaten, maar daar heeft Nederland met partners ook bewust voor gepleit. De maatregelen impliceerden vooral een aanscherping van het toezicht op reeds bestaande begrotingsafspraken en op macro-economisch beleid. Het kabinet heeft voor dit versterkte Europese toezicht, bij voorkeur zoveel mogelijk «rules based», altijd actief gepleit met brede steun van uw Kamer. Uw Kamer is daarbij steeds nauwgezet betrokken geweest bij de voortgang van de besluitvorming over de verschillende wetgevingspakketten. De pakketten zijn uiteindelijk ook na instemming door het parlement omgezet in nationale wetgeving.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans