33 847 Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014

I BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 mei 2014

Met het oog op de plenaire behandeling van de novelle Witteveen stuur ik, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uw Kamer een afschrift van de nota naar aanleiding van het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer over de richtinggevende brief (onderbrengen nettolijfrente in tweede pijler en sanctiebepaling afkoop nettolijfrente).

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET SCHRIFTELIJK OVERLEG TOEZEGGING RICHTINGGEVENDE BRIEF NOVELLE WITTEVEENKADER

Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, het CDA, de ChristenUnie en 50PLUS.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden. Waar meerdere fracties vragen van gelijke strekking hebben gesteld, zijn deze vragen zo veel mogelijk gezamenlijk beantwoord bij de eerste fractie die de vraag heeft gesteld. Deze nota naar aanleiding van het schriftelijk overleg wordt mede aangeboden namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

VVD

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigen dat wanneer er op termijn een algemeen pensioenfonds komt deze ook de nettolijfrente kan uitvoeren.

Ofschoon er op dit moment nog geen (concept)regels zijn met betrekking tot het algemeen pensioenfonds, is er op dit moment geen reden waarom de nettolijfrente op termijn niet door een algemeen pensioenfonds zou kunnen worden uitgevoerd.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet gaat monitoren in hoeverre sprake is van kruissubsidiëring.

De insteek van het kabinet is om voor zover dat mogelijk en acceptabel wordt geacht kruissubsidiëring te voorkomen en niet achteraf te corrigeren. Met het stellen van producteisen en het voorschrijven van een gescheiden administratie kan volgens het kabinet de nettolijfrente fiscaal hygiënisch worden uitgevoerd en wordt de kruissubsidiëring tot op een acceptabel niveau teruggebracht. Als van tevoren duidelijk is waar de kruissubsidiëring zich kan voordoen is het achteraf monitoren in hoeverre er dan sprake is van kruissubsidiëring niet zinvol en past dat dan ook niet bij de voorgestelde insteek van het kabinet.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet voornemens is om de nettolijfrente enkel als zuivere DC-regeling te laten uitvoeren.

Het kabinet merkt op dat de pensioenregelingen die een pensioenfonds uitvoert één financieel geheel vormen. Bij een tekort bij een van de regelingen treedt dan kruissubsidiëring op tussen de verschillende regelingen. Een kruissubsidiëring tussen de brutoregelingen (waarvoor de premies aftrekbaar zijn) en de nettolijfrente (van waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan) wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Het kabinet is daarom voornemens de uitvoering van de nettolijfrente door pensioenfondsen te beperken tot zuivere DC-regelingen zonder rendementsgarantie.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet nog andere maatregelen overweegt waardoor het risico (met name in de opbouwfase) zich manifesteert bij de deelnemer, zodat een eventuele aanvulling vanuit de andere (bruto)pot zo veel mogelijk beperkt wordt. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet nog andere producteisen overweegt.

Het kabinet denkt bij producteisen aan een nettolijfrente die verplicht wordt aangeboden in de vorm van een zuivere premieovereenkomst zonder rendementsgarantie (zuivere DC-regeling zonder rendementsgarantie). Anders dan bij een definedbenefitregeling, doet zich bij een zuivere DC-regeling zonder rendementsgarantie het langlevenrisico en het rendementsrisico bij ouderdomspensioen tijdens de opbouwfase niet voor, omdat deze risico’s dan volledig voor rekening van de deelnemer blijven en niet voor rekening van het pensioenfonds komen.

Voor het overlijdensrisico bij partnerpensioen en de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid blijft in de opbouwfase in principe de verplichting op het pensioenfonds rusten en daarmee het risico op kruissubsidiëring. Als deze vormen van risicodekking worden aangeboden door pensioenfondsen is het kabinet voornemens om een herverzekering verplicht te stellen. Het kabinet is overigens nog in overleg met de pensioensector over deze te stellen eisen en of er nog alternatieven zijn die binnen de randvoorwaarden van fiscale hygiëne en vrijwilligheid passen. De verdere uitwerking zal haar weerslag vinden in de algemene maatregel van bestuur, die bij zowel de Tweede Kamer als Eerste Kamer wordt voorgehangen.

De leden van de fractie van de VVD stellen diverse vragen over de werkgeversbijdrage voor de deelname aan de nettolijfrente in de tweede pijler als deze door een pensioenfonds wordt uitgevoerd. De eis dat de werkgeverspremie ten minste 10% bedraagt vindt zijn oorsprong in de solidariteit die uitvoering door een pensioenfonds rechtvaardigt. In de Regeling taakafbakening was deze eis ook opgenomen. Het gaat overigens om een minimumwerkgeversbijdrage (een hogere bijdrage dan 10% is volgens de Pensioenwet toegestaan).

Het kabinet kan – in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD – bevestigen dat overigens vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan de nettolijfrente de werkgeversbijdrage eveneens als loon ontvangen. De werkgeversbijdrage voor zowel niet-deelnemers als deelnemers wordt tot het loon gerekend en daarmee in de belastingheffing betrokken (er geldt immers geen omkeerregel voor de nettolijfrente). Daarbij zij opgemerkt dat de nettolijfrente een regeling is met een vrijwillig karakter. Het kabinet vindt het namelijk belangrijk dat de opbouw van een oudedagsvoorziening voor het inkomensdeel boven de aftoppingsgrens van € 100.000 een keuze is die op individueel niveau gemaakt wordt. Om het vrijwillige karakter te waarborgen is in de novelle (33 847) opgenomen dat voor de fiscale facilitering van de nettolijfrente is vereist dat indien een werkgever (inhoudingsplichtige) een bijdrage verstrekt aan deelnemers van de nettolijfrente, hij in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage dient te verstrekken.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet van plan is om het punt van een wettelijke scheiding mee te nemen bij de bredere discussie over het pensioenstelsel die dit jaar aanvangt.

Het kabinet kan dit bevestigen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of bij de voorgestelde forfaitaire methode in de gaten wordt gehouden of op termijn sprake is van een langere inlegperiode dan 10 jaar.

Het kabinet heeft voorgesteld bij afkoop van de nettolijfrente het (ten onrechte) genoten box 3-voordeel forfaitair te bepalen om de uitvoeringskosten en administratieve lasten te beperken. Het kabinet heeft er in dit kader voor gekozen om voor de inlegperiode uit te gaan van inleg vanaf 1 januari 2015 met een maximuminlegperiode van 10 jaar. Het past niet bij deze forfaitaire benadering en de voordelen daarvan voor de uitvoeringskosten als zou moeten worden bijgehouden of de daadwerkelijke inlegperiode langer is. Het kabinet is dan ook niet voornemens om dit te laten bijhouden.

PvdA

De leden van de fractie van de PvdA zijn van mening dat in de tweede pijler gesproken moet worden over nettopensioen in plaats van nettolijfrente. Zij vragen daarom of kan worden toegezegd om beide begrippen zorgvuldig te gebruiken bij de uitwerking van de aangekondigde wetgeving.

Het kabinet onderschrijft de wens om zorgvuldig met begrippen om te gaan. In dat verband merkt het kabinet op dat het juist is dat het bij een nettolijfrente in de tweede pijler gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet, omdat het in dat geval gaat om een (netto)lijfrente die arbeidsvoorwaardelijk wordt overeengekomen tussen werkgever en werknemer. In de tweede pijler wordt de nettolijfrente dus uitgevoerd als pensioen in de zin van de Pensioenwet. De (fiscale) voorwaarden die gesteld worden aan de nettolijfrente in de tweede en de derde pijler zijn gelijk. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om geen aparte terminologie voor de nettolijfrente in de tweede pijler te hanteren. Een andere keuze was ook mogelijk geweest. Overigens staat het pensioenfondsen vrij in de communicatie richting hun deelnemers het product van de nettolijfrente een andere naam te geven.

Dat het bij de nettolijfrente in de tweede pijler gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet, staat er volgens het kabinet ook niet aan in de weg om de term «nettolijfrente» te blijven gebruiken. De termen lijfrente en pensioen hoeven namelijk niet met elkaar strijdig te zijn. Pensioen in de zin van de Pensioenwet is namelijk een vorm van een lijfrente in de zin van het Burgerlijk Wetboek.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de geschetste problematiek enkel van toepassing is op pensioenfondsen en niet op andere pensioenuitvoerders die regelingen in de tweede pijler uitvoeren.

De problematiek waarop wordt ingegaan in de richtinggevende brief ziet voor een groot deel op pensioenfondsen. Dit komt door de specifieke regelgeving die geldt voor pensioenfondsen, met name de eis van één financieel geheel (artikel 123 van de Pensioenwet). Door de eis van één financieel geheel treedt namelijk bij een tekort in een regeling automatisch kruissubsidiëring op waardoor de gewenste fiscale hygiëne onder druk komt te staan. Met de maatregelen die in de richtinggevende brief worden voorgesteld, kunnen de fiscale risico’s naar de mening van het kabinet op afdoende wijze worden beperkt. Voor zover de maatregelen in de richtinggevende brief niet zien op het zo veel mogelijk beperken van de kruissubsidiëring zullen de maatregelen (gescheiden administratie en kostentoedeling) ook gelden voor andere pensioenuitvoerders.

De leden van de fractie van de PvdA stellen enkele vragen over de gevolgen voor pensioenfondsen van de uitvoering van de nettopensioenregeling, zoals de gevolgen voor het gescheiden administreren, de gevolgen voor de huidige praktijk, alsmede om een reactie op de wens van de Pensioenfederatie om risicodeling mogelijk te maken.

Over de exacte invulling van de in de richtinggevende brief geschetste voorwaarden is het kabinet nog in overleg met het pensioenveld. Deze uitwerking zal worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur die bij zowel de Tweede als Eerste Kamer voor de zomer zal worden voorgehangen. Wel merkt het kabinet op dat ook onder het huidige wettelijke regime voor elke regeling een kostendekkende premie geldt, die dus afzonderlijk bepaald wordt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts om een reactie op de oproep van de Pensioenfederatie om risicodeling mogelijk te maken.

Het kabinet vindt het onwenselijk als een tekort in de nettoregeling – van waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan – wordt aangevuld vanuit een brutoregeling waarvoor premies zijn afgetrokken en waarop een fiscale claim rust. Het kabinet wil risicodeling dan ook zo veel mogelijk beperken, maar accepteert dat deze niet geheel voorkomen wordt. Overigens wordt over de verdere uitwerking nog overlegd met het pensioenveld.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat een zuivere DC-regeling in hoge mate kruissubsidiëring kan voorkomen. Ook vragen zij of kruissubsidiëring in de uitkeringsfase kan worden voorkomen door een verplicht levensverwachtingsaanpassingsmechanisme.

Het risico dat binnen een pensioenfonds een tekort bij de nettolijfrente moet worden aangevuld vanuit de brutopensioenregelingen doet zich voor als het pensioenfonds verplichtingen op zich heeft genomen die hoger blijken uit te vallen dan aanvankelijk ingeschat. Bij een zuivere DC-regeling zonder rendementsgarantie speelt dit risico niet voor het op te bouwen pensioen in de opbouwfase. Door de voorgestelde eis van een zuivere DC-regeling zonder rendementsgarantie wordt het risico op kruissubsidiëring dan ook in sterke mate verkleind. Daarmee wordt dit risico teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau, omdat de levensverwachting en de rendementen op pensioendatum (inkoopmoment) beter zijn in te schatten dan in de opbouwfase. Een levensverwachtingsaanpassingsmechanisme (LAM) heeft alleen betrekking op het langlevenrisico. Bij de voorgestelde eis van een zuivere DC-regeling acht het kabinet een LAM dan ook niet nodig. Dit kan anders zijn wanneer niet gekozen zou worden voor een zuivere DC-regeling.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke vorm huidige (individuele) excedentregelingen hebben die fondsen nu al uitvoeren en of hier ook DB-regelingen tussen zitten. Tevens vragen zij hoe de risicodeling hier is vormgegeven en wat de wettelijke basis is van de huidige (individuele) excedentregelingen.

Het kabinet gaat ervan uit dat de leden met de term (individuele) excedentregeling doelen op regelingen waar de omkeerregel niet voor geldt. Fiscaal is dit mogelijk met toepassing van artikel 18, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. In de praktijk wordt hier nauwelijks gebruik van gemaakt, omdat dit fiscaal niet aantrekkelijk is voor de deelnemers (premie niet aftrekbaar, waarde aanspraak jaarlijks belast in box 3). In theorie kunnen hier ook DB-regelingen tussen zitten, omdat de wet deze niet uitsluit. Ten aanzien van risicodeling bij (al dan niet vrijwillige) regelingen met het karakter van een uitkerings- of kapitaalovereenkomst (DB-regelingen), kan worden opgemerkt dat een pensioenfonds uiteindelijk één financieel geheel is op grond van artikel 123 van de Pensioenwet. Dat impliceert dat indien bij één regeling van het fonds op een gegeven moment korten dreigt, eventuele middelen uit de andere regeling(en) eerst zullen moeten worden aangewend om die korting te voorkomen. Bij vrijwillige regelingen met het karakter uitkerings- of kapitaalovereenkomst kan dus ook al in de opbouwfase sprake zijn van risicodeling.

Bij de nettolijfrente in de tweede pijler zal het gaan om een regeling met een fiscale faciliteit, bestaande uit een vrijstelling in box 3. Hierdoor is de regeling wel fiscaal aantrekkelijk. Wel zijn nieuwe regels nodig om voor de nettolijfrente in de tweede pijler uitvoering te kunnen geven aan de voorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne door het stellen van de in de brief van 28 maart jl.1 voorgestelde eisen. Deze zullen worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur die voor de zomer in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer zal worden voorgehangen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of alle soorten pensioenfondsen de nettopensioenregeling kunnen aanbieden.

Dit kan worden bevestigd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het klopt dat de afkoopmogelijkheid voor fiscaal bovenmatig pensioen overbodig is geworden, nu het nettopensioen een vrijwillige regeling is. Zij zijn van mening dat niemand er vrijwillig voor zou kiezen om een fiscaal bovenmatig pensioen op te bouwen als de belastingheffing alleen kan worden voldaan door het pensioen af te kopen.

De afkoopmogelijkheid voor fiscaal bovenmatig pensioen is bedoeld voor pensioenopbouw die niet fiscaal wordt gefaciliteerd. Het kabinet vindt het onwenselijk dat pensioen wordt opgebouwd buiten de fiscale kaders waarbij er niet over dat pensioen kan worden beschikt en wel box 3-heffing verschuldigd is. Het kabinet erkent dat het fiscaal niet aantrekkelijk is om deel te nemen aan een niet fiscaal gefaciliteerde pensioenregeling, maar voor de enkele gevallen waarin dit voorkomt wil het kabinet afkoop van een dergelijke regeling mogelijk maken. Bij de nettolijfrente gaat het echter om een andere situatie: de nettolijfrente is vrijgesteld in box 3. Vanwege dit verschil is een bepaling opgenomen in de nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioenen 2014 waarmee wordt geregeld dat de nettolijfrente in de tweede pijler niet afkoopbaar is2. Artikel 117 van de Pensioenwet – de leden vragen hiernaar – is op dit punt niet gewijzigd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts welke andere uitwerkingen van de sanctie mogelijk waren dan een forfaitaire benadering waarbij het genoten box 3-voordeel wordt teruggenomen. De leden vragen op basis van welke argumenten gekozen wordt voor een forfaitaire benadering.

In plaats van een forfaitaire benadering is ook denkbaar aan te sluiten bij het daadwerkelijk genoten box 3-voordeel. Dit zou echter zeer complex zijn, zowel voor de Belastingdienst als voor belastingplichtigen, en acht het kabinet daarom niet wenselijk. Een forfaitaire benadering is daarentegen eenvoudig en gemakkelijk te hanteren voor de praktijk. Om te voorkomen dat een forfaitaire benadering onnodig ruw uitwerkt zal wel een tegenbewijsmogelijkheid worden opgenomen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet al meer duidelijkheid kan geven over de wetgevingstrajecten waarin de maatregelen worden meegenomen. De leden van de fractie van het CDA vragen of er al conceptwetteksten zijn die als een nota van wijziging worden ingebracht op de verzamelwet pensioenen. Deze leden zouden graag deze conceptwetteksten ontvangen inclusief de concept-amvb. Voorts vragen deze leden of het kabinet de nota van wijziging voor advies wil voorleggen bij de Raad van State. De leden van de fractie van 50PLUS vragen of een conceptwetsvoorstel voor de zomer aan de Kamer wordt aangeboden. Deze leden vragen of het mogelijk is dat het wetsvoorstel voor 1 juni aan de Kamer wordt aangeboden en indien dit niet het geval is waarom dan niet. Tot slot vragen deze leden of het kabinet een concrete datum kan noemen waarop de conceptwetteksten uiterlijk worden aangeboden.

In de richtinggevende brief van 28 maart 20143 is aangegeven dat de uiteindelijke wetgeving ten aanzien van het onderbrengen van de nettolijfrente in de tweede pijler zijn weerslag zal vinden in een nota van wijzing bij een reeds lopend wetgevingstraject (zoals de Fiscale verzamelwet), ofwel in een ander voorgenomen wetgevingstraject. Omdat het kabinet goede notie heeft genomen van pensioenuitvoerders om voor de zomer duidelijkheid te krijgen, heeft het kabinet op 25 april 2014 een nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioen 2014 ingediend. In deze nota van wijzing zijn delegatiebepalingen opgenomen zodat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van een nettolijfrente door pensioenfondsen. Op dit moment vindt nog overleg met het pensioenveld plaats over de nadere uitwerking in de amvb. Het voornemen is om deze algemene maatregel van bestuur voor de zomer in de Tweede en in de Eerste Kamer voor te hangen en waarbij de inwerkingtreding is voorzien per 1 januari 2015. Uiteraard zal de algemene maatregel van bestuur na de voorhangprocedure voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd.

Voorts heeft het kabinet het voornemen om de fiscale gevolgen bij afkoop van een nettolijfrente op te nemen in het Belastingplanpakket dat op Prinsjesdag 2014 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

CDA

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe gedetailleerd kosten moeten worden bijgehouden en volgens welke standaarden.

Pensioenfondsen moeten op dit moment op basis van het voorschrift voor beheerste bedrijfsvoering «in control» zijn waar het gaat om hun administratie. Dat impliceert dat ze moeten uitgaan van gedegen gegevens indien zij een opslag op de premie voor kosten moeten vaststellen en moeten bepalen hoe groot de kostenvoorziening moet zijn.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de optie multi-OPF met ringfencing niet als mogelijkheid is genoemd en of op deze mogelijkheid een reactie kan worden gegeven.

Zoals is aangegeven in de tweede voetnoot bij de brief van 28 maart jl.4 heeft het voorstel om de nettolijfrente ook door pensioenfondsen te laten aanbieden betrekking op alle soorten pensioenuitvoerders. Daarmee is het voorstel ook van toepassing op het multi-OPF.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan bevestigen dat het premiestaffelbesluit kan worden toegepast omdat de oplossing wordt gezocht in beschikbarepremieregelingen.

Het kabinet is voornemens om voor de fiscale ruimte voor de nettolijfrente zowel in de tweede als derde pijler dezelfde premiestaffel te laten gelden, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het nettokarakter van de faciliteit (over de uitkeringen wordt geen belasting in box 1 meer geheven). Het voornemen van het kabinet is om de staffel te baseren op de meest ruime staffel uit bijlage 1 van het staffelbesluit (staffel 4). Het is niet mogelijk om staffels te hanteren waarbij in het staffelbesluit een uitkeringsbegrenzing geldt. Dat zou leiden tot een verschil in premie-inleg tussen de tweede- en derdepijlervariant. In de derde pijler is het namelijk niet mogelijk om op de uitkering te begrenzen. Een dergelijk verschil in premie-inleg acht het kabinet onwenselijk.

De leden van de fractie van het CDA en de leden van de fractie van 50PLUS vragen om een reactie op een alternatieve vormgeving van de nettolijfrente in de tweede pijler. Naar het kabinet aanneemt doelen de leden van beide fracties op het onderzoek dat het Expertisecentrum Pensioenrecht van de Vrije Universiteit heeft gedaan5. De leden van beide fracties vragen om een reactie.

In dit artikel bespreken de auteurs de huidige wetgeving en doen zij (tekst)suggesties voor wetgeving. In de kern komt het stuk erop neer dat het onder de huidige wetgeving al mogelijk is om een (netto)pensioen uit te voeren dat niet onder de omkeerregel valt. Om het nettopensioen vrij te stellen van box 3, is volgens de auteurs alleen een wijziging van de Wet IB 2001 nodig. Tevens stellen de auteurs voor om te voorkomen dat het nettopensioen afkoopbaar is. In reactie op het stuk merkt het kabinet het volgende op. Het kabinet onderschrijft dat het bij de nettolijfrente in de tweede pijler per definitie gaat om pensioen in de zin van de Pensioenwet, voor zover althans niet expliciet uitgezonderd. Ook onderschrijft het kabinet dat de kwalificatie van pensioen in de zin van de Pensioenwet in principe losstaat van de wijze waarop een regeling in de fiscale wetgeving wordt gekwalificeerd. Mede daarom meent het kabinet – in tegenstelling tot de auteurs – dat het geen bezwaar ontmoet om ook in de tweede pijler de term nettolijfrente te hanteren. Pensioen in de zin van de Pensioenwet is namelijk een vorm van een lijfrente in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Omdat het kabinet meent dat het voor de fiscale ruimte van de nettolijfrente niet uit zou moeten maken dat deze ook in de tweede pijler kan worden uitgevoerd, wordt niet voorzien in een afwijking van de fiscale voorwaarden die zijn gesteld aan de nettolijfrente in de derde pijler. Daarbij acht het kabinet het tevens relevant dat het gaat om een regeling waarbij de premie-inleg is begrensd. De auteurs houden in het voorstel voor een mogelijke wettekst geen rekening met het nettokarakter van de regeling. Ook lijken zij er ten onrechte van uit te gaan dat het met toepassing van de omkeerregel gefaciliteerde pensioen alsnog in box 3 moet worden vrijgesteld. De auteurs gaan voorts voorbij aan de voorwaarden die worden gesteld aan de nettolijfrente, onder meer om het vrijwillige karakter en de fiscale hygiëne te waarborgen. Het stuk besteedt geen aandacht aan de eis van één financieel geheel wat voor pensioenfondsen betekent dat tekorten bij de nettoregeling worden aangevuld vanuit de brutoregeling. Tot slot gaan de auteurs in op de afkoopmogelijkheid die voor de enkele fiscaal niet gefaciliteerde pensioenregelingen geldt. Deze bepaling zou volgens de auteurs kunnen vervallen. Het kabinet onderschrijft de wens om de nettolijfrente in de tweede pijler niet afkoopbaar te laten zijn. Hiertoe strekt ook de nota van wijziging bij de Verzamelwet pensioenen 2014. Tegelijkertijd merkt het kabinet op dat dit los staat van de afkoopmogelijkheid voor pensioen dat in het geheel niet fiscaal wordt gefaciliteerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een rekenvoorbeeld hoe de sanctie in de praktijk werkt bij afkoop na 10 jaar. Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om de sanctie met een aantal rekenvoorbeelden toe te lichten.

Om de werking van de sanctie voor een aantal voorbeelden toe te lichten, is gekozen voor een 40-jarige belastingplichtige met een inkomen dat ieder jaar € 100.000 boven de aftoppingsgrens ligt. Deze belastingplichtige doet vanaf het begin met de voor hem geldende maximumbedragen mee aan de nettolijfrenteregeling voor het deel van het inkomen boven de aftoppingsgrens. Verondersteld is dat het vermogen dat via de nettolijfrenteregeling wordt gevormd een rendement heeft van 4%. Als deze belastingplichtige na 5 jaar afkoopt, bedraagt het vermogen in de nettolijfrenteregeling € 30.678. De belastingplichtige betaalt op dat moment 5 * 1,2% * € 30.678 / 2 = € 920 heffing. Koopt de belastingplichtige na 10 jaar af, dan bedraagt het vermogen in de nettolijfrenteregeling € 74.242. De belastingplichtige betaalt op dat moment 10 * 1,2% * € 74.242 / 2 = € 4.455 heffing. Koopt de belastingplichtige na 15 jaar af, dan bedraagt het vermogen in de nettolijfrenteregeling € 135.044. De belastingplichtige betaalt op dat moment 10 * 1,2% * € 135.044 / 2 = € 8.103 heffing.

ChristenUnie

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de consequenties voor een verzekerde zijn van een zuivere definedcontributionregeling zonder rendementsgarantie ten opzichte van een definedbenefitregeling.

Bij de nettolijfrente in zowel de tweede als de derde pijler gaat het om een regeling waarbij fiscaal een begrenzing geldt voor de premie die ingelegd mag worden. De consequentie van een zuivere definedcontributionregeling zonder rendementsgarantie is dat pas op pensioendatum uitkeringen worden aangekocht. De aankoop van deze uitkeringen is dus afhankelijk van het (beleggings)resultaat dat met de ingelegde premies tot die tijd is behaald. Het tarief waartegen de uitkeringen worden ingekocht zal worden bepaald door de rendementsverwachtingen van dat moment en de op pensioendatum bestaande inzichten over de resterende levensverwachting van de desbetreffende groep. Bij een definedbenefitregeling zouden direct uitkeringen worden toegezegd. Daarmee zou het pensioenfonds verplichtingen op zich nemen die mogelijk niet voldaan kunnen worden uit de (vrijwillige) premie voor de nettolijfrente, waardoor de kans groter is dat tekorten moeten worden aangevuld vanuit de brutopensioenpot.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen voorts hoe de gestelde eisen zich verhouden tot de eisen die aan banken en verzekeraars worden gesteld.

In de richtinggevende brief wordt ingegaan op de gevolgen van de nettolijfrente in de tweede pijler en hoe volgens het kabinet onwenselijke effecten afdoende kunnen worden ondervangen. Daarbij wordt aandacht besteed aan pensioenfondsen, omdat voor hen de eis geldt van één financieel geheel waardoor tekorten bij de nettolijfrente moeten worden aangevuld vanuit de pot voor de brutoregelingen. Bij banken en verzekeraars geldt ook dat zij de nettolijfrente op fiscaal hygiënische wijze moeten uitvoeren. Voor zover de maatregelen in de richtinggevende brief niet zien op de kruissubsidiëring zullen de maatregelen (gescheiden administratie en kostentoedeling) ook gelden voor andere uitvoerders. Het kabinet meent dan ook dat de keuzevrijheid van consumenten niet wordt ingeperkt en dat consumenten tegen gelijkwaardige voorwaarden terecht kunnen bij zowel hun eigen pensioenfonds als bij banken en verzekeraars.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 25.

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 33 863, nr. 8.

X Noot
3

Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 25.

X Noot
4

Kamerstukken II 2013/14, 33 847, nr. 25.

X Noot
5

H. Kapelle, E. Lutjens en I. Witte, Notitie: Nettopensioen in de tweede pijler.

Naar boven