Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 februari 2014
Tijdens de behandeling van wetsvoorstel 33032 lesbisch ouderschap in de Eerste Kamer
op 12 november 2013 is door de fractie van de SP een motie ingediend die verzoekt
om het instellen van een Staatscommissie «familierecht» (Kamerstukken 33 032 en 33 514 (R1998), G). Ik heb deze Staatscommissie toegezegd. Tevens heb ik inmiddels over de opdracht
aan de staatscommissie de vaste Commissies voor Veiligheid en Justitie van de Eerste
Kamer en de Tweede Kamer geconsulteerd.
Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen leiden tot nieuwe mogelijkheden
en inzichten en veranderende gezinssamenstellingen. Deze ontwikkelingen leiden ook
tot nieuwe vragen omtrent de rol van ouders, de band tussen ouder en kind en de wijze
waarop individuen zich ontplooien. De Staatscommissie wordt in dit verband gevraagd
een aantal terugkerende vraagstukken te bezien. In het huidige Nederlandse afstammingsrecht
ontstaat juridisch ouderschap door geboorte uit een vrouw, door het zijn van echtgenoot/echtgenote
of geregistreerde partner van die vrouw, door de rechtshandeling van erkenning door
een man of vrouw of door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap door de rechter.
Deze ontstaanswijzen van juridisch ouderschap zijn te kwalificeren als een mengvorm
van biologisch ouderschap, vermoedelijk biologisch ouderschap en sociaal ouderschap.
In de eerste plaats zal de Staatscommissie verzocht worden te reflecteren op de uitgangspunten
betreffende het ontstaan van juridisch ouderschap. In de tweede plaats zal de Staatscommissie
worden gevraagd in het bijzonder in te gaan op vragen die betrekking hebben op het
creëren van wettelijke mogelijkheden tot meerouderschap, meeroudergezag en draagmoederschap.
Ten aanzien van de deelonderwerpen meerouderschap en het meeroudergezag zal de Staatscommissie
worden verzocht zich uit te spreken over het huidige wettelijke uitgangspunt dat een
kind niet meer dan twee juridische ouders kan hebben en niet meer dan twee personen
het gezag over hem kunnen uitoefenen. Vervolgens dient de vraag aan de orde te komen
of dit uitgangspunt verlaten dient te worden teneinde met het oog op het recht op
eerbiediging van het gezinsleven te kunnen voorzien in de behoefte om meer dan thans
het geval is leefvormen naar individuele inzichten in te richten. Daarbij zou de situatie
onderscheiden kunnen worden dat alle betrokkenen het eens zijn over vorm en inrichting
van hun gezinsleven en de situatie waarin zulks mogelijk niet het geval is, of niet
langer het geval als er sprake is van verbreking van een of meer van de relaties die
tezamen de desbetreffende leefvorm vormen. Daarbij dient tevens de vraag aan de orde
te komen hoe het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap in dit licht beoordeeld
zal worden. Het belang van het kind dient in deze beoordelingen steeds een eerste
overweging te vormen en de Staatscommissie zal daarom gevraagd worden zich hierover
uitdrukkelijk uit te laten. Tot slot van dit onderdeel zal de Staatscommissie gevraagd
worden om, indien zij tot het oordeel komt dat meerouderschap of meeroudergezag mogelijk
moet worden, advies te geven over hoe de wettelijke regeling zou moeten worden ingericht.
Voor wat betreft het derde deelonderwerp, draagmoederschap, zal de Staatscommissie
worden verzocht te inventariseren hoe het fenomeen draagmoederschap beoordeeld wordt
mede met het oog op het belang van het kind. De Staatscommissie zal hierbij worden
gevraagd zowel draagmoederconstructies te bezien die geheel in Nederland tot stand
komen, als draagmoederconstructies, waarbij sommige of alle aspecten van het draagmoederschap
zich in het buitenland afspelen. In dit verband zal de Staatscommissie eveneens gevraagd
worden te bezien welke juridische consequenties draagmoederschap in andere landen
heeft, waarbij met name aandacht dient te zijn voor de belangrijke vraag of het Nederlandse
uitgangspunt dat de vrouw die het kind baart altijd de juridische ouder van het kind
is en, mits tot gezag bevoegd, het gezag uitoefent wenselijk of noodzakelijk is. Een
andere belangrijke vraag in dit verband is hoe ver het recht van het kind op afstammingsvoorlichting
strekt. Buiten discussie staat dat het kind recht heeft op kennis van en voorlichting
over de personen van wie hij in genetisch opzicht afstamt. Mogelijk echter omvat voornoemd
recht ook andere personen die bij het ontstaan van het kind betrokken zijn. De Staatscommissie
zal gevraagd worden zich ook hierover uit te laten en daarbij vanzelfsprekend internationale
verdragen tot leidraad te nemen. Tot slot zal de Staatscommissie gevraagd worden om,
indien zij tot het oordeel komt dat een wettelijke regeling rond draagmoederschap
tot stand dient te komen, advies te geven over de inhoud van deze regeling.
Juridische vragen hangen samen met maatschappelijke vragen. De Staatscommissie zal
daarom een brede samenstelling hebben. Voor wat betreft de juridische component zullen
specialisten worden aangetrokken vanuit de verschillende relevante juridische beroepsgroepen
rechterlijke macht, advocatuur en wetenschap. Daarbij zullen met name personen benaderd
worden met gedegen kennis van kinderrechten en het Nederlandse personen- en familierecht,
in het bijzonder het afstammings- en gezagsrecht en het internationaal privaatrecht.
Verder zal een in voortplantingsgeneeskunde gespecialiseerd medicus worden aangezocht,
een ethicus en een pedagoog.
Te verwachten valt dat de Staatscommissie twee jaar nodig zal hebben om tot een gedragen
advies te komen. De commissie wordt daarom gevraagd voor 1 maart 2016 rapport uit
te brengen.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven