Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433818 nr. 9

33 818 Wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en wijziging van verschillende wetten in verband met het aanpassen van de Werkloosheidswet, het verruimen van de openstelling van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de beperking van de toegang tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Wet werk en zekerheid)

Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID DIJKGRAAF

Ontvangen 10 februari 2014

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel O, wordt aan artikel 669, eerste lid, een volzin toegevoegd, luidende: Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien dat redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verwacht of in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d, e, g en h.

Toelichting

Het wetsvoorstel formuleert een algemene verplichting voor de werkgever om te werken aan herplaatsing, in aanvulling op de eis dat bij opzegging sprake dient te zijn van een redelijke grond. Die algemene verplichting is onwenselijk. Daardoor zou deze verplichting namelijk ook van toepassing zijn op situaties waarin sprake is van verwijtbaar handelen van de werknemer en omstandigheden waarin het voorduren van de overeenkomst in redelijkheid niet van de werkgever verwacht kan worden. Het huidige Ontslagbesluit past de verplichting om te werken aan herplaatsing ook slechts toe op specifieke situaties. Dit amendement regelt dat de verplichting tot herplaatsing slechts aan de orde kan zijn wanneer dat redelijkerwijs van de werkgever gevergd kan worden. Bovendien wordt geregeld dat deze verplichting ten aanzien van een aantal specifieke in het voorgestelde artikel 7:669 BW genoemde gronden in ieder geval niet van toepassing is.

Dijkgraaf