Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433793 nr. A;1

33 793 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens met het oog op het identificeren van personen die ervan verdacht worden inbreuken te hebben begaan in het kader van het gebruik van de weg; Brussel, 25 april 2013

A/ nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 7 november 2013.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 7 december 2013.

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt / uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State)

Aan de Voorzitters van de Eerste en van Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2013

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 25 april 2013 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens met het oog op het identificeren van personen die ervan verdacht worden inbreuken te hebben begaan in het kader van het gebruik van de weg (Trb. 2013, 91).

Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor het Europese deel van Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

TOELICHTENDE NOTA

Algemeen

Nederland en België wisselen al enige jaren kentekengegevens uit voor onderzoeken naar verkeersovertredingen. De basis hiervoor zijn het op 20 april 1959 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 1965, 10) en, met name, de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2000, 96). Op grond van het EU-verdrag kan een lidstaat bijstand (rechtshulp) vragen en krijgen voor onderzoeken in strafzaken en voor onderzoeken van gedragingen die met bepaalde bestuursrechtelijke sancties kunnen worden bestraft. Nederland en België hebben in bilateraal verband nadere invulling gegeven aan de praktische aspecten van deze uitwisseling, zoals het aanwijzen van de autoriteiten (de nationale voertuigregistratiepunten) die de verzoeken ontvangen en beantwoorden. De uitwisseling vindt echter plaats op basis van een verzoek. Hierbij stuurt een land kentekens naar het andere land met het verzoek deze aan te vullen met naam- en adresgegevens. Verder geldt voor Nederland de mogelijkheid van artikel 8a, eerste lid, onder b, van het Kentekenreglement. Hierin staat dat op verzoek de Dienst Wegverkeer gegevens verstrekt uit het kentekenregister aan autoriteiten buiten Nederland die zijn belast met de handhaving van verkeersregels, de opsporing van verkeersovertredingen en de heffing van parkeerbelasting of andere heffingen inzake het gebruik van de weg. Artikel 10 van het Kentekenreglement bepaalt dat een aanvraag (verzoek) tot het verstrekken van gegevens geschiedt op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze. Deze artikelen hebben betrekking op de verstrekking van gegevens uit het kentekenregister door Nederland aan het buitenland.

Op 25 oktober 2011 is de Richtlijn 2011/82/EU van het Europees Parlement en de Raad ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen tot stand gekomen (PbEU 2011, L 288) (hierna: de Richtlijn). De Richtlijn heeft tot doel, dat de EU-lidstaten de nationale databank van de andere EU-lidstaten geautomatiseerd kunnen raadplegen om bij een verkeersovertreding door een buitenlandse overtreder de naam- en adresgegevens bij het kenteken te zoeken, deze te gebruiken voor het maken van een beschikking met een geldelijke sanctie en deze te sturen naar de overtreder.

In artikel 2 van de Richtlijn wordt een opsomming gegeven van de verkeersovertredingen waarop deze richtlijn van toepassing is. Het gaat daarbij limitatief om acht overtredingen (rijden met een te hoge snelheid; het niet dragen van een veiligheidsgordel; niet stoppen voor een rood licht; rijden onder invloed van drank; rijden onder invloed van drugs; het niet dragen van een veiligheidshelm; het gebruiken van een verboden rijstrook; en het illegale gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatie-apparaat tijdens het rijden).

Nederland en België achten het wenselijk een grondslag te scheppen voor het geautomatiseerd uitwisselen van gegevens voor het onderzoek naar andere overtredingen dan de acht genoemde, alsmede voor gedragingen op de weg die in strijd zijn met een rechtsvoorschrift, waarmee met name parkeerboetes en het niet betalen van parkeergeld worden bedoeld. Het op 25 april 2013 tot stand gekomen Verdrag, dat hierbij ter parlementaire goedkeuring wordt aangeboden, vormt daartoe de grondslag. Het is gesloten in het kader van de samenwerking in de Benelux Unie. De preambule van het Verdrag verwijst in dit kader naar artikel 350 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de lidstaten van de Benelux toestaat de Benelux te voltooien, zolang dit niet in strijd is met Europees Recht. De Richtlijn staat aan het voorliggende Verdrag niet in de weg. Het Verdrag geeft voorts in het bijzonder uiting aan artikel 2 van op 17 juni 2008 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot herziening van het op 3 februari 1958 gesloten Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Trb. 2008, 135), waarin als doel van de Benelux-samenwerking wordt genoemd dat de Benelux-staten een voortrekkersrol kunnen vervullen binnen de Europese Unie en dat zij de grensoverschrijdende samenwerking op alle niveaus kunnen versterken en verbeteren. Met het oog op genoemde voortrekkersrol voorziet artikel 8, derde lid, van het Verdrag in de mogelijkheid van toetreding van derde staten.

De EU-lidstaten hebben overigens al directe, geautomatiseerde toegang tot elkaars nationale databanken met voertuighoudergegevens op grond van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PbEU 2008, L 210). Het opvragen van de voertuighoudergegevens uit deze nationale databanken kan op grond van dit Raadsbesluit alleen plaatsvinden ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten alsmede ter afhandeling van overtredingen die in de verzoekende lidstaat tot de bevoegdheid van de rechtbanken of het openbaar ministerie behoren, en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid. Door de meeste EU-lidstaten werd de doelstelling van het Besluit, namelijk de intensivering van de gegevensuitwisseling tussen de rechtshandhavingsautoriteiten in de lidstaten, niet beschouwd als een geschikte grondslag om de nationale databanken met voertuighoudergegevens te bevragen ten behoeve van een onderzoek naar verkeersovertredingen. Dit maakte het noodzakelijk Richtlijn 2011/82/EU op te stellen. Overigens, de Richtlijn verwijst naar en sluit aan op de systematiek van het opvragen van voertuighoudergegevens zoals vastgelegd in het Besluit.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Artikel 1 specificeert dat de geautomatiseerde bevraging van kentekengegevens van voertuigen het doel vormt van het onderhavige Verdrag. De toepassing betreft voorts voertuigen die bij een andere Verdragspartij zijn ingeschreven en waarmee een inbreuk wordt begaan in het kader van het gebruik van de weg. Wat onder een dergelijke inbreuk wordt volstaan, wordt in artikel 2 omschreven.

Het tweede lid van artikel 1 betreft de verhouding tot de Richtlijn en stelt in de eerste plaats dat het Verdrag alleen die inbreuken begaan in het kader van het gebruik van de weg betreft, die niet al onder de Richtlijn vallen. Daarnaast wordt het Verdrag, zolang partijen bij het Verdrag de Richtlijn niet hebben geïmplementeerd, ook gebruikt als rechtsgrond voor de uitwisseling van gegevens over de acht overtredingen die onder de Richtlijn vallen.

Artikel 2

Artikel 2 omvat begripsbepalingen die in het Verdrag worden gebruikt.

De omschrijving van de begrippen «gebruik van de weg» en «een inbreuk begaan in het kader van het gebruik van de weg» onder a en b vormen, in samenhang met artikel 1, eerste lid, de juridische grondslag voor de geautomatiseerde bevraging. Aangezien het begrip «weg» niet is gedefinieerd, geldt voor dit begrip de nationale wetgeving van de Verdragspartijen.

Niet alleen het rijden, maar ook het stilstaan en parkeren op de weg vallen ingevolge letter a van artikel 2 onder de werking van het Verdrag. De in artikel 2, onder b, genoemde inbreuken betreffen onder meer de strafbare feiten bij het gebruik van de weg of andere gedragingen die in strijd zijn met het gebruik van de weg. Onder dit laatste gaat het bijvoorbeeld om gedragingen die vallen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en die onder meer parkeerboetes tot gevolg hebben of om het niet betalen van parkeerbelasting die op grond van de Gemeentewet wordt geheven.

De definitie van «voertuig» in artikel 2, onder d, is ontleend aan de Richtlijn. Anders dan in de Richtlijn vallen echter ook stilstaande (foutief geparkeerde) aanhangwagens onder het Verdrag.

Evenals bij de Richtlijn verzorgen de nationale contactpunten die in artikel 2, onder e, worden omschreven, de uitvoering van het Verdrag. Bij de bespreking van artikel 4 wordt hierop nader ingegaan.

De in artikel 2, onder f en g, opgenomen definities van «geautomatiseerde bevraging» en van «houder van het voertuig» zijn ontleend aan de Richtlijn.

Artikel 3

Artikel 3 vormt de kernbepaling van het Verdrag. In het eerste lid wordt de wederzijdse toegang van de nationale contactpunten in elkaars kentekenregisters verzekerd. In de praktijk betekent dit dat een nationaal contactpunt directe, online en real time toegang heeft tot de nationale databank met voertuighoudergegevens van een andere Verdragspartij. Voorts wordt, analoog aan artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn, de omvang van deze toegang beperkt tot voertuiggegevens en gegevens met betrekking tot de houder van een voertuig.

Bij de uitvoering van het Verdrag wordt gebruik gemaakt van de procedures van de Richtlijn. In artikel 3, tweede lid, van het Verdrag worden daarom artikel 4, tweede lid tot en met vijfde lid, alsmede artikel 5 van de Richtlijn van toepassing verklaard. In artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn, wordt verwezen naar Raadsbesluit 2008/616/JBZ, behorend bij Raadsbesluit 2008/615/JBZ, over het gebruik van EUCARIS-voorzieningen (zie het op 29 juni 2000 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag betreffende een Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (EUCARIS); Trb. 2000, 98) voor het raadplegen van de nationale databanken met voertuighoudergegevens. De technische implementatie van de bevraging verloopt derhalve met gebruikmaking van het EUCARIS, waarbij de precieze technische en procedurele uitwerking in onderling overleg tussen de nationale contactpunten zal plaatsvinden. Overigens kunnen op grond van het Verdrag, net als in de Richtlijn, de voertuighoudergegevens zowel per geval (één kenteken per zoekopdracht) worden opgevraagd als batchgewijs (meerdere kentekens tegelijkertijd per zoekopdracht).

In het derde lid van artikel 3 wordt in het belang van de bescherming van persoonsgegevens verwezen naar Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PbEU 2008, L 350) en naar artikel 26, tweede lid en artikel 30, tweede, derde en vierde lid, van het eerder genoemde Besluit 2008/615/JBZ. Het Kaderbesluit en het Besluit zijn inmiddels in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Voor de verwerking van politiegegevens betreft dit de Wet politiegegevens en het Besluit politiegegevens.

Het vierde lid van artikel 3, dat nagenoeg overeenkomt met de derde alinea van het tweede lid van artikel 2 van de Richtlijn, bepaalt dat de verkregen gegevens gebruikt kunnen worden voor het vaststellen wie persoonlijk aansprakelijk is. Terzijde wordt opgemerkt dat de betrokken persoon tegen een boete in bezwaar kan gaan. In dat geval geldt de bezwaarprocedure die gebaseerd is op het nationale recht van de Verdragspartij waar de overtreding heeft plaatsgevonden.

Artikel 4

Gezien de centrale rol van de nationale contactpunten bij de uitvoering van het verdrag werd het raadzaam geacht een aparte bepaling daaraan te wijden. Op grond van het eerste lid van artikel 4 hebben de Verdragspartijen het recht elk één nationaal contactpunt aan te wijzen dat bevoegd is voor de betreffende gegevensuitwisseling. Voor Nederland is dit de Dienst Wegverkeer, die ook in het kader van de Richtlijn als nationaal contactpunt functioneert.

Artikel 4, tweede lid, stelt dat de gegevens van de nationale contactpunten zijn opgenomen in de bijlage. Het Verdrag verplicht er toe dat de aanwijzing van een ander contactpunt tijdig en onder vermelding van de ingangsdatum in een verklaring door de bevoegde Minister wordt medegedeeld aan zowel de andere Verdragspartij(en) als aan de Secretaris-generaal van de Benelux Unie, die de depositaris van het Verdrag is. De bijlage is aan te merken als zijnde van uitvoerende aard. Wijziging van de in de bijlage genoemde contactpunten behoeft ingevolge artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.

Op grond van het derde lid kunnen de contactpunten om hun samenwerking te vergemakkelijken uitvoeringsafspraken maken. Een belangrijke uitvoeringsafspraak vormt de toekenning van «codes» aan specifieke inbreuken en gedragingen. Daarbij wordt aangesloten bij de systematiek van de Richtlijn, waarin is bepaald dat bij bevraging van een nationaal kentekenregister van een andere EU-lidstaat een doel (reden) van bevraging moet worden aangegeven. Daartoe zijn aan de acht overtredingen die de Richtlijn betreft codes (cijfers) toegekend, die bij elke bevraging moeten worden opgegeven. De Richtlijn hanteert de codes die zijn vastgesteld binnen de specificaties van het EUCARIS-systeem. Omdat het onderhavige Verdrag een ruimer toepassingsgebied kent dan de Richtlijn dienen de nationale contactpunten aan de overtredingen en gedragingen die onder het Verdrag vallen, codes toe te kennen. Daarbij zullen zij voor zover mogelijk de specificaties van het EUCARIS-systeem volgen.

Artikel 5

Artikel 5 stelt, dat de bepalingen van het Verdrag bij strijdigheid met rechten en verplichtingen van andere verdragen voorrang hebben.

Artikel 6

Geschillen over de uitlegging en toepassing van het Verdrag worden door de Verdragspartijen alleen langs diplomatieke weg beslecht.

Artikel 7

In artikel 7 is bepaald dat het Verdrag uitsluitend van toepassing is op overtredingen die na de inwerkingtreding van het Verdrag zijn gepleegd.

Artikel 8

Behalve het derde lid behoeft artikel 8 geen toelichting. Gezien de vierde alinea van de preambule van het Verdrag waarin de aanvullende werking van het Verdrag op de Richtlijn tot uitdrukking is gebracht, geeft het derde lid van artikel 8 andere staten mogelijkheid tot het Verdrag toe te treden. Dit geldt voor de lidstaten van de Europese Unie, waaronder uiteraard Luxemburg dat heeft besloten niet aan de verdragsonderhandelingen deel te nemen. Ook derde landen kunnen toetreden, mits deze daartoe overeenkomstig de twintigste overweging van de considerans van de Richtlijn een overeenkomst met de Europese Unie hebben gesloten. Een staat dient een verzoek tot toetreding in te dienen bij Secretaris-generaal van de Benelux Unie, die als depositaris bij het Verdrag dit verzoek aan de bestaande Verdragspartijen zal doorgeleiden.

Koninkrijkspositie

Het Verdrag is gesloten met het oog op de grensoverschrijdende verkeersstromen op de Europese wegen tussen Nederland en België. In dat kader wordt de toepassing van het Verdrag door artikel 9 beperkt tot Europa. Het Verdrag zal, wat het Koninkrijk betreft, dan ook alleen voor het Europese deel van Nederland gelden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus