33 777 Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie)

Nr. 24 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 7 februari 2014

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 2 december 2013 overleg gevoerd met Minister Kamp van Economische Zaken over:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie) (Kamerstuk 33 777);

  • de nota van wijziging van de Minister van Economische Zaken d.d. 29 november 2013 inzake wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie) (Kamerstuk 33 777, nr. 10);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 29 november 2013 inzake de aanbieding beantwoording vragen door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie (Kamerstuk 33 777, nr. 23).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Hamer

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Franke

Voorzitter: Verheijen

Griffier: Franke

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Tongeren, Leegte, Paulus Jansen, Van Veldhoven, Klever, Vos, Verheijen,

en Minister Kamp van Economische Zaken.

Aanvang 18.00 uur.

De voorzitter: Dames en heren, welkom. Ik open dit wetgevingsoverleg inzake de Elektriciteitswet 1998. Ik heet welkom de Minister en zijn ambtelijke ondersteuning, de Kamerleden en de mensen op de publieke tribune en thuis. Op de agenda staat een wet. Die behandelen wij dus in twee termijnen, met de mogelijkheid om amendementen in te dienen. Een aantal is al ingediend. In tweede termijn kunnen er ook moties worden ingediend.

Er zijn spreektijden vastgesteld per fractie. Die zijn gecommuniceerd en kunnen door de fracties zelf worden verdeeld over de eerste en tweede termijn. Ik stel voor om in de eerste termijn van de Kamer te bezien of we uit kunnen met een tweetal onderlinge interrupties per fractie.

Daarmee heb ik volgens mij alles gezegd wat er vooraf gezegd moet worden. We beginnen de eerste termijn van de zijde van de Kamer met de inbreng van GroenLinks, mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Mag ik eerst een vraag stellen ter verduidelijking? Ik heb begrepen dat we richttijden hebben, maar geen tijden waar we heel strak aan gehouden worden. Ik ga waarschijnlijk iets over mijn zeven minuten heen. Dat weet ik niet helemaal zeker, maar kan ik dan in tweede termijn toch nog iets zeggen?

De voorzitter: Ik zal u proberen te houden aan de afgesproken tijden, maar de leden hoeven zich daar niets van aan te trekken. Bij wetgevingsoverleggen gelden in principe onbeperkte spreektijden. De tijden die ik noem, zijn voor vanavond afgesproken in de procedurevergadering, met het verzoek om ons daar zo veel mogelijk aan te houden. Dat vraag ik dan ook aan u.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Dank u. Ik zal het zeker niet langer maken dan strikt noodzakelijk.

Deze regering zegt met regelmaat dat zij bezig is met een transitie naar schone energie. Daar is GroenLinks erg blij mee. Daar hoort bij een transitie van het bedrijfsleven en ook een transitie van ons belastingen- en tarievensysteem. Het lijkt GroenLinks dan ook logisch dat iedere overheidsingreep helpt om richting die schone energie en dat duurzame bedrijfsleven te komen, of dat het op zijn minst overheidsingrepen zijn die de transitie naar schone energie en een duurzaam bedrijfsleven niet hinderen. Is de Minister dat met ons eens? Zou hij kunnen uitleggen hoe deze ingreep helpt om te komen tot schonere energie, meer energiebesparing en een duurzamer bedrijfsleven, of dat deze ingreep op zijn minst die transitie niet in de weg staat?

Immers, laten we eerlijk zijn: het lijkt er toch op dat deze Minister een manier zoekt die Europaproof is en waarmee hij in deze moeilijke conjuncturele tijden deze bedrijven financieel kan helpen. De Minister is eigenlijk industriepolitiek aan het voeren om de grootverbruikers in de sectoren chemie, olie, aluminium, fosfaat, staal et cetera financieel te kunnen ontzien. Klopt deze aanname van GroenLinks? Wij zien namelijk een patroon. Eerst staat er in het energieakkoord 78 miljoen ter compensatie van de ETS-kosten, vervolgens zien we dat de Minister wel bezig is met het handhaven van de Wet milieubeheer, maar dat hij ook regelmatig tegen de Kamer zegt dat hij bedrijven die in zulke financiële problemen verkeren, niet ook nog kan dwingen om energiebesparende maatregelen te nemen. Nu komt er weer een korting van circa 21 miljoen op de transportkosten.

Is de Minister het eens met GroenLinks dat een race to the bottom, waarbij Europese landen tegen elkaar op blijven bieden om hun grootverbruikers steeds grotere kortingen te geven, onwenselijk is? Is de Minister het ook met GroenLinks eens dat het ETS-systeem pas echt gaat werken als nationale regeringen niet langer een eigen steunbeleid gaan voeren voor grootverbruikers? Als de prijs van grondstoffen omhoog gaat en de Nederlandse bedrijven in de problemen komen, overweegt de Minister dan ook een vorm van financiële steun te geven? Hier is de grondstof – dat beschrijft de Minister ook in de antwoorden – elektriciteit, maar wat als fosfaat ineens een stuk duurder wordt, als ruwe olie duurder wordt, gas of aluminiumerts? Wordt het bedrijfsleven dat daarmee werkt dan ook ondersteund? Zo nee, waarom dan nu wel en bij die andere bedrijven mogelijkerwijs niet?

De onderbouwing van de Minister is: hoe meer grootverbruikers stabiel energie afnemen, hoe stabieler het net is. Verderop in de beantwoording op de schriftelijke vragen stelt de Minister echter dat er geen extra maatregelen nodig zijn om de piekvraag te verminderen en dat de huidige financiële prikkels in het systeem voldoende zijn om de piekvraag te dempen. Volgens de GroenLinks-fractie kan het niet beide zijn, dus dat we enerzijds deze bedrijven nodig hebben voor een stabiel net om pieken op te vangen en we anderzijds geen extra maatregelen nodig hebben om pieken op te vangen. Kan de Minister zijn licht hierover laten schijnen?

De stabiliteit van het net is afhankelijk van het laatste kwartier tussen de voorspelling en de daadwerkelijke levering. Op dat moment komt TenneT in actie en lopen de kosten enorm op. TenneT moet dan vragen of bedrijven kunnen afschakelen of moet kijken wie er snel bijgeschakeld kan worden. Volgens de GroenLinks-fractie is het voorspellen van die pieken en dalen en een snel aanbod van bijschakelen of afschakelen veel belangrijker om het net stabiel te houden dan een grote basisvraag. Is één grote grootverbruiker dan niet net zo goed, in de redenering van de Minister, voor het stabiel houden van het net als tien stabiele kleinere verbruikers die samen optellen tot hetzelfde gebruik? Waarom alleen voor de grootverbruikers? Is het Nederlandse energienet instabieler geworden vanwege de sluitingen van de aluminiumfabriek Thermphos? Daarmee is een heel grote verbruiker van het net gegaan. Volgens mij is dat niet het geval. Als de NS van tevoren bekend maakt een dag lang volgens een winterdienstregeling te rijden, dan gebruikt de NS veel minder stroom. Wordt het net daar dan instabieler van? Volgens de GroenLinks-fractie niet, omdat het is aangekondigd en dus voorspelbaar is. Dan kunnen er maatregelen worden genomen.

De Minister geeft in zijn antwoorden ook aan dat het harmoniseren van deze regelgeving over deze systeemdiensten en transportkosten binnen de Europese Unie een van zijn doelen is. Verderop in de schriftelijke beantwoording staat echter dat deze opbouw in Europa eigenlijk helemaal niet vergelijkbaar is, omdat elk land een heel andere opbouw kent en daarom niet vergelijkbaar is met het Nederlandse systeem. Óf je wilt harmoniseren, dan moet je ergens naartoe werken, óf elk land gebruikt echt een heel ander systeem.

Is een flink deel van het probleem met Duitsland niet opgelost wanneer wij veel meer interconnectiecapaciteit krijgen? Mij is verteld dat dat over een paar jaar het geval zal zijn. Er werden net al een aantal interconnectoren genoemd die er dan zijn. Als dat echt helpt, moet dit dan wel een openeinderegeling zijn? Ik weet dat de Minister een hekel heeft aan openeinderegelingen op energiegebied. Moet op dit punt dan wel een openeinderegeling worden toegestaan? Als onze bedrijven over enkele jaren volop kunnen meegenieten van de zeer lage tarieven van de Duitse schone stroom, is deze regeling dan niet een vorm van oversubsidiëring? Op dit punt heb ik een amendement voorbereid om net als bij de schone energie over vier jaar te evalueren en te bepalen of deze maatregel zijn doel treft, nog moet worden voortgezet of op dat moment overbodig is.

Is de Minister behalve met financiële steun voor de korte termijn ook bezig met het robuust maken van de Nederlandse economie op langere termijn? De voorspellingen zijn dat de prijzen van grondstof en energie eerder omhoog zullen gaan dan zullen dalen. Zou er voor die 78 miljoen plus deze 21 miljoen jaarlijks niet een effectievere bestemming zijn dan besteding aan het redden van deze bedrijven? Ik breng in herinnering dat ALDEL voor het laatst gered is in 1996 op deze wijze. Toen is erbij gezegd: we doen dat uiterlijk tot 2006. Toen speelde eigenlijk precies dezelfde set problemen als de problemen die nu spelen en werd ook het argument gebruikt van de werkgelegenheid voor de sector en de hoge stroomprijzen waarmee ALDEL kampte.

De voorzitter: Ter inspiratie en overdenking: u zit ruim over de zeven minuten spreektijd inmiddels.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Sorry voorzitter, maar ik ga toch nog heel even verder. De Minister vergelijkt de situatie met de Duitse grootverbruikers. Die krijgen wel transportkorting. Tegelijkertijd zegt de Minister dat onze bedrijven concurreren in de wereldmarkt en dus last hebben van de wereldwijde stroom- en grondstoffenprijzen. Helpt het gelijktrekken met de Duitse bedrijven dan wel? De Minister wil deze regeling invoeren vanwege oneerlijke concurrentie met Duitsland maar de bedrijven zelf noemen schaliegas, wat wereldwijd speelt, als een van de grote factoren. Helpt dit dan wel? De Minister heeft geen informatie over de Duitse energieslurpers en zegt ook dat een en ander eigenlijk niet vergelijkbaar is. Gaat de Minister voornamelijk af op de informatie van de Nederlandse grootverbruikers zelf of is er nog een onafhankelijke toets?

Voorzitter. Ik heb nog een half A4'tje.

Minister Kamp: Sorry, waar heb ik geen informatie over? Dat heb ik even niet begrepen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Sorry, ik raffel het nu wat af, omdat ik wat sneller moet zijn. In de schriftelijke beantwoording wordt door meerdere fracties gevraagd: over welke bedrijven in Nederland gaat het, over welke bedrijven gaat het in Duitsland en naar wat voor soort tarieven kijken wij? De Minister zegt: een heleboel van die informatie is concurrentiegevoelig; die kan ik niet geven. Bovendien kun je de Nederlandse grootverbruikers niet vergelijken met de Duitse en ik heb de informatie over de Duitse bedrijven niet, aldus de Minister. Waarop baseert hij dat deze maatregel nodig is? Zijn dat uitsluitend de signalen van de Nederlandse grootverbruikers of zit er nog een vorm van een onafhankelijke toets op?

Het volgende punt is schaliegas. Herhaaldelijk worden door grootverbruikers en grootproducenten de problemen genoemd die schone energie zou oplossen. Welk specifiek probleem lost de Minister op? Is dat nu opgelost of komt dat jaarlijks terug?

Deze wet heeft een clausule over terugwerkende kracht. Wat is de reden dat het echt van groot belang is om dit voorstel met flinke druk toch nog voor de kerst erdoor te krijgen? Als de wet in januari of in februari wordt aangenomen, zou die met deze clausule over terugwerkende kracht precies hetzelfde doen als nu.

GroenLinks vindt dat Nederland zo snel mogelijk moet overstappen op schone energie. Dat zal geen verbazing wekken. Daarbij hoort ook het mogelijk maken van schone energie die lokaal wordt opgewekt. Op dit moment moeten corporaties die lokale schone energie opwekken transportkosten betalen. Ik weet dat door de netbeheerders is gezegd dat zij daarvan zullen afzien vanaf 1 januari, maar sommige zeggen ook dat er nog geen wettelijke basis voor is. GroenLinks heeft een amendement voorbereid dat die wettelijke basis geeft, zodat de netbeheerders kunnen doen wat zij voornemens zijn te doen.

Er wordt goed rekening gehouden met ongewenste neveneffecten op de warmte-krachtkoppeling. Die worden weggewerkt in het voorstel. Er zijn echter ook bedrijven die schone energie opwekken zijn of voornemens zijn dat te doen, bijvoorbeeld Tata Steel, dat bezig is met en nagedacht heeft over een groter windpark voor de kust. Zou de Minister het zo kunnen regelen dat niet alleen voor de wkk, maar ook voor de schone energie belemmeringen worden weggenomen als deze grootverbruikersbonus wordt gehandhaafd, zodat een bedrijf niet zegt: ik doe dat windpark niet, want dan ben ik mijn grootverbruikerskorting kwijt? Ik heb hiervoor een amendement.

De heer Leegte (VVD): Dit wetgevingsoverleg heeft een hoog gehalte van kleur bekennen. Als ik het verhaal van GroenLinks goed begrijp, zegt zij dat wij zo snel mogelijk naar schone energie toe moeten. Mijn vraag is of dat ten koste mag gaan van de werkgelegenheid in de energie-intensieve industrie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik denk dat het onmogelijk is om over te gaan naar schone energie zonder werkgelegenheidsverlies in de kolen- en oliesector. Het heeft dus consequenties. Je moet dat geleidelijk doen. Daarom moet je op tijd beginnen, zodat je op tijd nieuwe werkgelegenheid hebt in die nieuwe branche. Je kunt niet in één keer, van de ene week op de volgende week, overgaan op schone energie. Ik noem ALDEL, dat in 1996 al is gered onder dezelfde voorwaarden. Hoe lang kun je een bedrijf blijven redden zonder dat je ervoor zorgt dat de economie van het land als geheel die transitie maakt?

De heer Leegte (VVD): Precies. Dus als ik het goed begrijp, is de kerstboodschap van GroenLinks aan de 500 medewerkers van ALDEL: wij kunnen niks voor u doen, want voor ons gaat de windmolen en het redden van de planeet voor de werkgelegenheid in Groningen. Is dat de kern van uw betoog?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Nee, dat is foutief samengevat.

De heer Jan Vos (PvdA): Zonder het meteen te willen verbinden aan duurzame energie, zou ik toch willen weten of de fractie van GroenLinks nu wel of niet voor het redden van ALDEL is, met name omdat geheel duidelijk is dat er in Europees verband wetgeving nodig is, dat Duitsland die wetgeving al heeft doorgevoerd en dat Duitsland daardoor concurrerender is. Zegt de fractie van GroenLinks: laat die werknemers maar zitten?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): GroenLinks is vanavond bezig om een paar verbeteringen in dit wetsvoorstel te krijgen. Ik begrijp dat dit wetsvoorstel de steun heeft van beide regeringspartijen; er is dus een meerderheid voor. Dus ik heb mij geconcentreerd op drie amendementen om ervoor te zorgen dat energiecorporaties geen transportkosten krijgen en dat er over vier jaar, op hetzelfde moment dat de schone energie wordt geëvalueerd en als er sprake blijkt te zijn van oversubsidiëring, een evaluatie komt van deze regel waarbij goed gekeken wordt hoever wij al zijn met de transitie en wat wij dan moeten doen. Het derde amendement ... Nou ben ik het even kwijt.

De heer Jan Vos (PvdA): De vraag is anders, namelijk: steunt u wel of niet het redden van ALDEL en de 500 mensen die daar werken?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Mijn antwoord is dat wij bezig moeten zijn met een transitie naar schone energie.

De heer Jan Vos (PvdA): Ja of nee?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dit is mijn antwoord.

Voor die transitie moet je op een langere termijn kijken dan bij een stap-voor-stapbenadering. Als u kijkt naar de doorrekeningen van de GroenLinks-voorstellen, zult u zien dat die het ook erg goed doen op het gebied van werkgelegenheid. Dat kun je alleen maar doen als je op tijd begint en als je daar stelselmatig aan doorwerkt.

De voorzitter: Dank u wel.

Wij gaan door in eerste termijn met de heer Leegte van de fractie van de VVD.

De heer Leegte (VVD): Voorzitter. Het is een nogal cynische kerstboodschap van GroenLinks dat zij de werkgelegenheid van de 500 mensen bij ALDEL ondergeschikt acht aan de bouw van windmolens in Nederland.

De voorzitter: Dit was uitlokking. Daar mag mevrouw Van Tongeren op reageren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik vind het heel jammer dat de regeringspartijen niet gewoon hun eigen beleid kunnen uitleggen en kunnen verantwoorden waarom zij dit doen, maar dat zij het nodig vinden om mij woorden in de mond te leggen die ik niet heb gebezigd.

De voorzitter: Dat staat genoteerd.

De heer Leegte (VVD): Terwijl de Nederlandse economie voorzichtig lijkt te groeien, is de constante groei van de Duitse economie inmiddels geen verrassing meer. De Duitsers lijken met hun economische voorspoed en relatief lage lonen – ze hebben nog geen minimumloon – zonder kleerscheuren de Europese crisis te weerstaan, maar schijn bedriegt. De auto-industrie is de belangrijkste motor achter de goede exportcijfers. De export van deze Duitse luxegoederen is ongekend, maar komt ook tot stand door de kunstmatig lage energieprijs, waar overigens alleen de Duitse industrie de vruchten van plukt en de Nederlandse industrie, net als de Duitse burgers en het Duitse midden- en kleinbedrijf, onder te lijden heeft.

Terwijl de Duitse export floreert, blijven de binnenlandse bestedingen achter. De lonen zijn relatief laag en de lage energieprijs, waar vooral bedrijven van profiteren, komt tot stand dankzij torenhoge subsidies. Een gemiddeld Duits gezin is zo'n € 700 per jaar kwijt aan die subsidies. Dat is € 700 koopkrachtverlies per huishouden. De Duitse industrie krijgt de lusten: een lage energierekening. De burgers en het midden- en kleinbedrijf van onze oosterburen krijgen de lasten.

Niet alleen de inwoners van Duitsland hebben er last van, ook Nederlandse energie-intensieve bedrijven, zoals het Groningse ALDEL, ondervinden hinder. Terwijl ALDEL met aanzienlijk minder energie per eenheid product produceert dan zijn Duitse concurrenten, staat het bedrijf onder financiële druk. De energiekosten dreigen het Groningse bedrijf en zijn 500 werknemers de nek om te draaien. Donderdag 5 december zullen wij, waarschijnlijk zonder GroenLinks, in de plenaire zaal de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie) aannemen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik herhaal mijn vraag of de VVD haar eigen verhaal vertelt zonder te refereren aan een door GroenLinks niet ingenomen standpunt.

De heer Leegte (VVD): Met dit hoopvolle bericht verander ik mijn tekst in: donderdag 5 december zullen wij misschien wel unaniem in de plenaire zaal aannemen de wijziging van de Elektriciteitswet enzovoort. Daarmee komt de toedeling van de energiekosten voor Nederlandse bedrijven weer enigszins gelijk met het Duitse niveau. Nederlandse bedrijven krijgen hierdoor weer een eerlijke kans om te concurreren en banen blijven behouden. Het blijft echter wringen dat wij een noodconstructie moeten optuigen voor fouten in het huidige beleid.

Als open economie is het verstandig dat Nederland het Duitse voorbeeld volgt om energie-intensieve bedrijven te laten profiteren van de lage stroomprijs en niet mee te laten betalen voor de torenhoge kosten die daarmee gepaard gaan, maar op de lange termijn is dit onhoudbaar. Iedere dag lezen wij, ook in de Nederlandse kranten, dat het huidige energiebeleid niet is vol te houden. Het energieakkoord heeft Nederland met de rug naar Europa gekeerd en de mogelijkheden tot samenwerken verzwakt.

Mevrouw Klever (PVV): Hoor ik de heer Leegte nu pleiten voor het zwaarder belasten van de huishoudens in Nederland in navolging van Duitsland? Begrijp ik dat goed?

De heer Leegte (VVD): Ik zit voorlopig in mijn analysefase, maar het moet uit de lengte of uit de breedte komen. De breedte is in dit geval het zwaarder belasten van huishoudens ten gunste van de energie-intensieve industrie, omdat dat banen scheelt. Zonder die banen hebben huishoudens veel meer last dan de € 1 à € 1,50 die dit wetsvoorstel aan extra lasten gaat opleveren.

Mevrouw Klever (PVV): Dank voor deze toelichting. Dus de lastenverzwaring van 3 miljard die met dank aan de VVD rondom het energieakkoord wordt ingevoerd, mag van de VVD grotendeels op huishoudens worden verhaald?

De heer Leegte (VVD): U hebt het nu over de SDE-plus. Daarvan gaat de helft naar de huishoudens en de helft naar het bedrijfsleven. Binnen die helft voor het bedrijfsleven wordt op grond van deze wet de energie-intensieve industrie uitgezonderd. Dat is verstandig. Het is allemaal niet fraai en het huidige beleid blijft wringen, maar het is wel de beste oplossing gegeven alle omstandigheden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): In het betoog van de VVD probeer ik te ontdekken of zij nog steeds voorstander is van het liberaliseren van de energiemarkt. De heer Leegte wees er namelijk op dat het jammer is dat er nu een kunstgreep nodig is. Heb ik hem daarin goed verstaan of niet?

De heer Leegte (VVD): De heer Leegte en de VVD zijn voorstander van de liberalisering van de energiemarkt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Waarom is er dan een kunstgreep noodzakelijk op die energiemarkt? Je zou immers zeggen dat er op een vrije markt zo min mogelijk moet worden ingegrepen. De prijs moet daarop vanzelf tot stand komen. De VVD is toch altijd van mening geweest dat bedrijven niet aan het subsidie-infuus moeten hangen?

De heer Leegte (VVD): Dat is helemaal correct. Het huidige energiebeleid heeft steeds minder met een vrije markt voor energie te maken, omdat we met overheidsgeld, met subsidies, overcapaciteit financieren. Wij bouwen met subsidiegeld tot 3 miljard per jaar aan windmolens; de PVV wees daar terecht op. Daardoor ontstaat er overcapaciteit. De systeemkosten die daarmee gepaard gaan, moeten ergens neerdalen. Die komen terecht bij de huishoudens en de industrie. Dat zijn zorgen waar ongelukken door komen, zoals bij ALDEL. Dat gaan wij met een noodverband zoals deze wet oplossen. Dat is allemaal niet fraai. Vandaar ook dat de VVD er altijd voor pleit dat de overheid zich terugtrekt en dat we sturen op één doelstelling, namelijk CO2-reductie, om daarmee de markt de gelegenheid te geven om de meest efficiënte manier van CO2-reductie te vinden.

De voorzitter: Mijnheer Leegte, u hebt ook de aandacht getrokken van mevrouw Van Veldhoven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik kom terug op ongeveer hetzelfde punt. Mijn fractie maakt zich namelijk een beetje zorgen over al die noodverbanden die wij aan het aanleggen zijn; ik ben blij dat de VVD dat ook zegt. Raken wij daarmee niet verder van het doel af dat wij willen bereiken, namelijk een geliberaliseerde markt? Maken we op deze manier niet wetgeving die niet toekomstvast is? Hoe ziet de VVD de toekomst van deze wet? De heer Leegte heeft toch ook een ander doel voor ogen?

De heer Leegte (VVD): De toekomst van deze wet beschouw ik als vrij robuust. Daarom nemen we hem ook aan en is het een wet en geen motie of een beleidsregeling. Ik heb er dan ook het volste vertrouwen in dat deze wet nog lang in de Nederlandse wetboeken zal staan.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Maar de vraag is natuurlijk of de heer Leegte het wenselijk vindt dat we een noodverband zo permanent en robuust maken. Hij sprak net van een ongewenst noodverband. Dan zou het toch logisch zijn om in ieder geval – dat zal ik in mijn termijn ook voorstellen – een evaluatie te houden en te bekijken hoe we andere, nieuwe ontwikkelingen in de markt, zoals het afschakelen van de vraag, ook kunnen gebruiken om toch tot minder hoge netkosten te komen en daardoor tot een andere kostenverdeling?

De heer Leegte (VVD): Dat begrijp ik vanuit het perspectief van D66 en GroenLinks, maar de VVD zit daar iets anders in. Wij denken dat het verstandig is om op Europees niveau te stoppen met de drie doelstellingen en om te sturen op CO2-reductie en daarbij de markt de gelegenheid te geven om de meest efficiënte vorm te vinden. Dan zullen de systeemkosten voor energie dalen. Daarmee zal Europa in zijn geheel weer terug in de internationale concurrentierace kunnen komen. Daar schort het namelijk aan. Wat D66 en GroenLinks zeggen, is allemaal gerommel binnen de marge. Daarmee verschuift het een beetje binnen Europa en blijven de kosten hoog. Nee, wij vinden dat de Europese energiekosten naar beneden moeten. Dat kan alleen op Europese schaal. Zolang dat niet zo is, zullen wij deze wet nodig hebben. Ik zal er straks ook over te spreken komen dat dit een goede wet is.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. Terwijl energie bij uitstek een terrein is voor Europese samenwerking, zoekt ieder land een eigen, zwaar gesubsidieerde oplossing. Het geeft een land als China in de tussentijd de ruimte om te profiteren van goedkope energie op basis van fossiele brandstoffen, die royaal voorhanden zijn. Het kortetermijnvoordeel daarvan is dat de Chinezen Duitse kwaliteitsauto's kunnen kopen, voor zolang het duurt. Over de demografie van China kunnen we immers van alles zeggen. Wie tegelijkertijd de ontwikkelingen in de VS volgt, ziet dat de VS voor het eerst sinds de industrialisatie energie-exporterend worden. Snap dan dat het tijd wordt voor een koerswijziging. Woensdag zullen wij spreken over de Energieraad. Dan zullen wij bespreken hoe wij er met elkaar voor kunnen zorgen dat Europa weer gaat doen waar het ooit voor bedoeld was, namelijk samenwerken. In de tussentijd modderen wij door met allerhande noodverbanden om bedrijven als ALDEL te redden en de werkgelegenheid vast te houden.

De gortdroge titel van het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (volumecorrectie nettarieven voor de energie-intensieve industrie), doet dus op geen enkele manier recht aan het belang van deze wijziging. Op woensdagavond 18 september hebben wij een spoed-AO gehouden over de situatie bij ALDEL. Het is klasse dat wij vandaag al over een definitieve oplossing spreken, zodat de 500 medewerkers een goede kerst tegemoet gaan.

Het bijna-faillissement van ALDEL is een concreet voorbeeld van wat de Minister laatst in het FD «het langzaam afbreken van de interne energiemarkt» noemde. Alle landen hebben een eigen subsidiegedreven systeem voor hernieuwbare energie. De prijs van fossiele energie gaat maar niet stijgen en zal waarschijnlijk zelfs gaan dalen, nu Iran weer olie mag leveren. In andere landen in de wereld vindt een omschakeling plaats van kolen- naar gascentrales, die veel CO2-winst oplevert. Ondertussen zien wij dat er steeds meer subsidies zijn om het Europese systeem enigszins in de benen te houden. Als huishoudens straks de concrete kosten voor hernieuwbare energie op hun rekening zullen zien en als bedrijven deze kosten steeds meer gaan voelen in hun concurrentiepositie, verwacht ik dat wij elkaar vaker zullen spreken over dit onderwerp.

Met betrekking tot ALDEL schetste de Minister scherp het dilemma dat een kortetermijnoplossing alleen zin heeft als er een langetermijnperspectief bestaat. Met de aanleg van een directe lijn bestaat dat langetermijnperspectief. Op de korte termijn helpt de overbruggingskrediet. De wetswijziging die wij vandaag bespreken, betreft zowel de korte als de lange termijn. Natuurlijk maken wij geen wetten voor individuele bedrijven. Deze wetswijziging is dan ook goed voor de hele energie-intensieve sector en geeft Nederland een gelijk speelveld ten opzichte van zijn buurlanden.

Ten aanzien van de wetswijziging zelf heb ik verder geen opmerkingen. Ik dank via de Minister de ambtenaren en de ACM voor de beantwoording van de vragen in de nota naar aanleiding van het verslag die wij op 20 november ontvingen. Ook het advies van de Raad van State geeft geen aanleiding tot het stellen van vragen over de wijziging zelf.

Ik heb nog wel een andere vraag. Het wetgevingsvoorstel toont klip-en-klaar aan dat een maximale volumecorrectie van 90% mogelijk is. Waarom, zo vraag ik, heeft de rechtsvoorganger van de Minister er destijds niet meteen voor gekozen om het Duitse model te volgen? Belangrijk nog, hoe kunnen wij voorkomen dat bij de implementatie van nieuwe richtlijnen Nederland weer kiest voor een interpretatie die ons bedrijfsleven op achterstand zet ten opzichte van onze buren? Constaterende dat energiebeleid steeds meer verwordt tot industriepolitiek en concurrentiebeleid, krijg ik graag de toezegging van de Minister dat Nederland bij nieuwe energierichtlijnen altijd zal zoeken naar de variant die voor het energie-intensieve bedrijfsleven het gunstigst, althans ten minste gelijk is aan de gunstigste variant van de andere lidstaten.

Mij zijn twee amendementen bekend. Een derde amendement dat GroenLinks heeft aangekondigd heb ik nog niet gezien, dus daarover kan ik nog niets zeggen. Wat de andere twee amendementen betreft: ik zal mijn fractie voorstellen om tegen te stemmen. Het eerste amendement gaat over het niet mee laten tellen van zelf opgewekte energie. Dat zorgt juist voor minder vlak verloop en dat haalt de argumentatie onder de wet weg. Zo zie ik het althans. In het andere amendement wordt voorgesteld om hetzelfde te doen voor corporaties en verenigingen van eigenaren. Dat gaat voorbij aan dit wetsvoorstel. Dit was immers nu net een oplossing voor energie-intensieve industrie. Veel waardering voor het werk – ik vind dat dit de corebusiness van ons werk is – maar ik zal mijn fractie adviseren om tegen te stemmen.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. De energie-intensieve industrie is van groot belang voor onze economie. De SP-fractie ziet niet welk belang wij erbij hebben om onze staal-, zink- of aluminiumindustrie te laten verkassen naar Duitsland of naar landen verder weg: China of India. Het is het fundament waarop veel dienstverlening en hoogwaardige toelevering rusten. Als wij de Nederlandse industrie nog verder laten uithollen, plukken wij daar op termijn de wrange vruchten van.

Het is voor deze bedrijven echter van cruciaal belang dat ze qua energie-efficiency tot de wereldtop behoren of gaan behoren. Energie is immers hun grootste kostenpost, een kostenpost die in de toekomst waarschijnlijk alleen maar hoger zal worden. Hoe minder je nodig hebt per eenheid product, hoe sterker je concurrentiepositie wordt. Landen die subsidie geven op energie voor de energie-intensieve industrie zijn strategisch, zo denken wij, niet slim bezig. Als de prijs lager is, wordt het minder interessant om te investeren in energie-efficiency, terwijl de concurrentie in landen zonder subsidie dat wel doet. Op termijn creëer je dus een probleem.

Aan de andere kant kan subsidie, in dit geval in Duitsland, gebruikt worden om concurrenten op korte termijn uit te schakelen. Daarover moeten wij niet naïef zijn. Dat zou schadelijk zijn voor onze economie. Dit wetsvoorstel is vooral gebaseerd op het oplossen van het kortetermijnconcurrentieprobleem van onze energie-intensieve industrie. Overigens waardering voor het tempo dat de Minister heeft gemaakt na het al genoemde overleg van vorige maand. Er is ook helemaal niets mis mee, mits de kortetermijnoplossing niet onze strategische langetermijnkoers in gevaar brengt. Is de Minister het met de SP-fractie eens dat de toekomst van de energie-intensieve industrie niet gediend is bij structurele subsidies op energie of netkosten? Onderschrijft de Minister ook de opvatting dat wij zo snel mogelijk met Duitsland dan wel in EU-verband afspraken moeten maken over reële net- en energietarieven voor de industrie?

Daarmee kom ik op een merkwaardig aspect van het wetsvoorstel. De Minister zegt dat hij met dit wetsvoorstel is gekomen om een eind te maken aan de discrepantie tussen de kostenstructuur en de tariefstructuur. Grootverbruikers, met name grootverbruikers met een constant afnamepatroon, zijn goed voor de netstabiliteit. Die factoren worden op dit moment onvoldoende gewaardeerd in de tariefstructuur; dat is de redenering van de Minister. Als die redenering klopt, zou de tariefstructuur wat ons betreft sowieso veranderd moeten worden, want de SP-fractie is een groot voorstander van een tariefstructuur die is gebaseerd op het beginsel dat de veroorzaker betaalt. Maar klopt die redenering wel? We hebben in onze schriftelijke inbreng gevraagd om een beschrijving van de bestaande kostenstructuur van het netbeheer, een analyse van de bij de gebruikers spelende variabelen die de kosten beïnvloeden, een onderbouwing van de huidige tariefstructuur en een analyse van de wijze waarop die tariefwijziging volgt uit het kostenveroorzakersbeginsel. Het antwoord van de Minister was letterlijk: «Dergelijke analyses zijn niet eenduidig te maken. (...) De reden daarvoor is dat het in de praktijk niet mogelijk is om precies te bepalen wie precies welke kosten veroorzaakt.»

Hier is iets merkwaardigs aan de hand. Aan de ene kant zegt de Minister dat er op dit moment sprake is van een discrepantie tussen kostenstructuur en tariefstructuur. Aan de andere kant kan ik van de Minister geen onderbouwing krijgen van de kostenstructuur. Dat wringt dus. Wat ons betreft, mag er best aan de tariefstructuur gesleuteld worden en mag dat ook best leiden tot een netto-voordeel voor grootverbruikers, mits dit voordeel voortvloeit uit het kostenveroorzakersbeginsel. Dat is des temeer van belang daar de huidige tariefstructuur ons niet op alle punten evenwichtig voorkomt. Zo is er het probleem van de geconcentreerde vestiging van nieuw fossiel productievermogen op drie locaties in Nederland, waardoor zeer hoge extra investeringen in het netwerk nodig zijn. Die kosten worden voor bijna 100% gesocialiseerd. Dat lijkt mij niet echt in lijn met het principe dat de veroorzaker betaalt.

Daarentegen betaalt kleinschaliger duurzaam productievermogen een relatief veel groter deel van de veroorzaakte netkosten. Ik zag dat mevrouw Van Tongeren daar met haar amendement op stuk nr. 9 iets aan wil doen. Dat is sympathiek, al vraag ik mij af of de route «het is gratis voor de één en dus maken we het ook gratis voor de ander» in dit verband de meest logische is. Hoe dan ook, haar voorstel is in ieder geval beter dan de situatie zonder amendement, want er is in ieder geval sprake van het creëren van een gelijk speelveld voor grootschalige fossiele en decentrale duurzame energieproductie.

Een andere onvolkomenheid in de tariefstructuur is naar onze mening de doorbelasting van de netverliezen aan de diverse categorieën gebruikers. Daar hebben we tweeënhalf jaar geleden stevige discussies over gevoerd met Minister Verhagen, omdat kleinverbruikers naar onze mening een extreem groot aandeel van de netverliezen voor hun kiezen krijgen. In vergelijking met dit wetsvoorstel, dat een verschuiving van 21 miljoen euro per jaar aan kosten beoogt, gaat dat echt om groot bier. De netverliezen bedragen 400 miljoen euro per jaar, waarvan 280 miljoen euro aan fysieke verliezen en 120 miljoen euro aan fraude en diefstal. Een deskundige uit de sector heeft destijds, naar mijn mening overtuigend, voorgerekend dat de kleinverbruikers jaarlijks 112 miljoen euro te veel betalen. Daar is nog steeds niets aan gedaan.

Waarom al deze voorbeelden, die niet rechtstreeks aan het wetsvoorstel raken? Deze voorbeelden onderbouwen dat de huidige tariefstructuur al een krakkemikkig gebouw is, waar we nu zonder funderingsonderzoek een flinke dakopbouw op gaan zetten. Ik ben net met Minister Blok op werkbezoek geweest in het kader van het thema «funderingsherstel»; vandaar deze vergelijking.

De SP-fractie zou nog best kunnen leven met een ietwat opportunistische aanpak voor de korte termijn, als de coalitiepartijen en de Minister bereid zijn om hier te beloven dat zij net als wij vinden dat de tariefstructuur zo snel mogelijk echt kostengeoriënteerd moet worden, met als fundament een deugdelijke en onafhankelijke analyse van de huidige kostenstructuur. Zo nodig overweeg ik op dit punt een motie.

Feitelijk is er nog wat meer nodig, namelijk een echte publieke periodieke benchmark van de regionale netbeheerders en TenneT om te controleren hoe zij scoren ten opzichte van vergelijkbare bedrijven. Daarop krijg ik graag een reactie.

Mijn laatste punt is de afschaffing van het systeemtarief. Hoewel ook dit onderdeel van het wetsvoorstel niet onderbouwd is met een kwantitatieve analyse, vind ik de argumentatie van de Minister op dit punt wel hout snijden. Met name het gegeven dat de rest van Europa het aparte tarief voor systeemwinsten niet nodig vindt, is een argument voor het feit dat je ook zonder een systeemtarief kunt, met winst op het punt van beperking van de administratieve lasten. Het wetsvoorstel kan door deze wijziging wel leiden tot een fluctuatie van de transporttarieven in de komende twee jaar. Dat kan voorkomen worden door in de vaststelling van het transporttarief voor 2014 al te anticiperen op de stijging in 2015. Is de Minister bereid om de Autoriteit Consument & Markt te verzoeken om dit te doen?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Er is al veel gezegd over dit wetsvoorstel en ook mijn fractie heeft er op een aantal punten moeite mee. Het voorstel richt zich namelijk op de symptomen van de problemen van de industrie zonder de oorzaak ervan, namelijk het hoge energieverbruik per euro omzet, structureel te verhelpen. Ook neemt het directe overheidssturing als vertrekpunt voor de rol van de overheid in plaats van het borgen van betaalbare energie via een concurrerende markt. Tot slot is het opgesteld vanuit een puur nationale analyse in plaats van vanuit een visie op de ontwikkeling van een Europese energiemarkt.

Ik heb een aantal vragen, die ik in drie blokjes zal verdelen. Allereerst probeer ik scherp te krijgen voor welk probleem deze wet een oplossing moet bieden. Daarna ga ik in op het wetgevingsproces zelf en daarna op een aantal eigen ideeën.

Mijn eerste vraag is dus: waar is dit wetsvoorstel nu eigenlijk voor bedoeld? Eigenlijk zijn er twee doelstellingen. Aan de ene kant is er de wens om de kosten en de baten van het gebruik van het elektriciteitsnet eerlijker in rekening te brengen bij de veroorzaker. De SP refereerde daar zojuist ook aan. We gaan bedrijven immers belonen voor hun bijdrage aan de stabiliteit van het net. Aan de andere kant is er de wens om de rekening te verlagen van een klein aantal energie-intensieve bedrijven, ongeacht wat dit betekent voor andere energieverbruikers. Dat is met elkaar in tegenspraak en de toelichting van de regering is nog niet overtuigend.

Laten we om te beginnen kijken naar het idee dat deze wijziging is bedoeld om de kosten en de baten voor het elektriciteitsnet preciezer in rekening te brengen. Als de Minister stelt dat het vlakke en grote stroomgebruik van grote fabrieken tot lagere netkosten leidt en dat hij die besparing wil teruggeven aan die bedrijven, moet hij wel weten over welke bedragen het gaat. De SP refereerde er zonet ook al aan dat de Minister in zijn antwoord stelt dat een precieze cijfermatige onderbouwing niet te geven is. Hij wil echter wel de regels wijzigen om 21 miljoen euro per jaar aan kosten door te schuiven van de grootverbruikers naar de energierekening van de rest. Het is voor mijn fractie moeilijk om te beoordelen of het wetsvoorstel evenwichtig is als zij niet weet wat er tegenover die 21 miljoen euro staat. Wij willen de ambitie niet eens heel hoog leggen. Een precieze cijfermatige onderbouwing van historisch gegroeide kosten is voor de Minister lastig te geven, maar het bedrag in dit wetsvoorstel komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Daar heeft de Minister natuurlijk een goed onderbouwde schatting voor. Ik zou die heel graag zien voor de tweede termijn van de Kamer. Kan de Minister dat toezeggen? Een meer fundamentele vraag is waarom de Minister vindt dat kleinere gebruikers nu ineens moeten gaan betalen voor een bijeffect dat nooit in rekening werd gebracht.

Het tweede doel van het wetsvoorstel is het verlenen van een korting aan de energie-intensieve energie. Ook aan deze gedachtegang onderbreekt wat ons betreft de echte analyse die eronder ligt. Ook daar refereerde de SP aan. De Minister verwijst bijvoorbeeld naar zijn brieven over de vergelijking tussen Duitse en Nederlandse kosten voor stroom, maar als het voorstel werkelijk op die concurrentiepositie is gericht, waarom worden dan alleen deze bedrijven op dit punt geholpen? Waarom wordt er alleen ingezet op stroom en niet op gas? Waarom kijken we alleen naar Duitsland en niet naar andere landen? En hoe weegt dan de stroomrekening van die 39 bedrijven qua banen en baten in vergelijking tot de stroomrekening van duizenden huishoudens en 1,2 miljoen andere bedrijven, die straks duurder uit zijn? In welke mate werkt de herverdeling van de 21 miljoen euro concreet door in de onderliggende concurrentiekracht? Concurreren deze bedrijven nu nog primair op de transportkosten? Voor andere energiekosten maken we namelijk ook al andere regelingen. Kortom, kan de Minister onderbouwen waarom dit netto positief is voor de bv Nederland in plaats van voor de 39 bedrijven die er direct van profiteren? In dit kader wijs ik ook graag op de zeer kritische brief die we kregen van LTO Glaskracht, die aangeeft dat de korting moet worden opgehoest door de overige netgebruikers. Dat komt rechtstreeks uit de brief van deze partij.

De heer Leegte (VVD): Met groeiende verbazing luister ik naar de steeds kritischer wordende inbreng van D66. Hoe verhoudt zich die tot de bijna ongeclausuleerde oproep van de woordvoerder Economische Zaken van D66, die bij het spoed-AO over ALDEL in september zei dat de Minister met spoed moest zorgen voor een goede oplossing? Hoe verhouden die twee inbrengen zich? Hebben de woordvoerders contact met elkaar? Is dit ook de lijn die hij zocht?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Met spoed zoeken naar een goede oplossing betekent iets anders dan het verankeren van structurele noodverbanden in de wet. Daarom vroeg ik de heer Leegte zonet ook hoe hij de toekomst van deze regeling zag. Mijn fractie maakt daar onderscheid in.

De heer Leegte (VVD): We constateren beiden dat het energiesysteem met hernieuwbare energie duur wordt, en het moet ergens vandaan komen. We kunnen niet alles gratis maken, dus die kosten komen ergens neer. De collega van mevrouw Van Veldhoven roept de Minister op om ALDEL te redden. De Minister doet dat op zeer korte termijn, waarvoor hulde. Vervolgens wordt de oplossing die wij toen hebben aangegeven, nu door D66 kritisch weggezaagd. Ik begrijp niet meer welke D66 we moeten geloven. Is dat de woordvoerder Economische Zaken, die zegt dat de werkgelegenheid gered moet worden en dat de Minister iets moet doen voor ALDEL? Of is het de groene woordvoerder energie, die zegt dat we er met windmolens voor moeten zorgen dat de kosten gaan stijgen en dat iedereen daaraan mag meebetalen, ongeacht de consequenties voor ALDEL?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): De heer Leegte parafraseert graag op zijn manier wat andere partijen zeggen. Ik ben ook wel eens in verwarring over de manier waarop ik de VVD moet interpreteren, bijvoorbeeld als wij spreken over subsidies aan boeren. Moeten wij die nu wel of niet afschaffen in Europa? Moet de begroting omlaag? Daar moet het blijkbaar worden afgeschaft, maar in Nederland pleiten wij voor het behoud van subsidies aan de boeren. Aan de ene kant moet er vooral concurrentie zijn, maar aan de andere kant moeten wij grote bedrijven beschermen en daarvoor mogen andere bedrijven dan betalen. Ik zou bijna zeggen dat ik daar zelfs een gespleten persoonlijkheid zie verschijnen, maar laat ik de heer Leegte daarvan niet betichten.

Wij zijn ervoor dat wordt gestreefd naar een level playing field. Als er werkelijk sprake is van een verstoring van dat level playing field – wij zoeken dan ook naar de onderbouwing daarvan – waarbij je op korte termijn bedrijven helpt om het hoofd boven water te houden met daaraan gekoppeld een plan om die steun aan het bedrijf af te bouwen, is dat een heel ander verhaal dan het in de wet verankeren van een systeem. De heer Leegte zegt dat het robuust en vooral heel langjarig zo verankerd moet blijven. Dan subsidieer je deze bedrijven structureel terwijl andere bedrijven daarvoor de rekening moeten betalen. Ik dacht altijd dat de VVD een liberale partij is die zegt dat bedrijven hun eigen broek moeten ophouden in plaats van de staatssteun op deze manier structureel te institutionaliseren.

Voorzitter. Na deze inleiding over het waarom nog een paar kritische vragen over het hoe. Ik begin met het proces. Uit het antwoord van de Minister maak ik op dat hij niet in Brussel te rade is gegaan om te checken of de vormgeving van deze wet acceptabel is. Onze oosterburen zijn met een soortgelijke regeling tegen de lamp gelopen. Waarom heeft de Minister dit niet getoetst? Heeft hij zich wel intern of elders juridisch laten adviseren over de vraag hoe dit voorstel zich verhoudt tot de Europese wetgeving over staatssteun en de energiemarkt?

Wat doet hij met de opmerkingen van de ACM die ook na de nota van wijziging kritisch blijft op dit punt? Wij willen toch niet in een situatie terechtkomen waarin wij nu snel een noodverband aanbrengen dat vervolgens controversieel of in strijd met de Europese wetgeving wordt verklaard en ertoe leidt dat een bedrijf misschien grote bedragen moet terugbetalen? Daar is uiteindelijk niemand mee geholpen.

Wat D66 betreft moet de Minister de belangen van alle energiegebruikers meewegen. Het is opvallend dat de Minister schrijft dat met individuele bedrijven en belangenverenigingen overleg is gevoerd. Is ook gesproken met partijen die de rekening betalen? Wat vinden MKB Nederland, de detailhandel en de Consumentenbond hiervan? Zijn de regionale netbeheerders geconsulteerd voordat het voorstel aan de Kamer is gestuurd?

Na deze vragen over het proces, nu nog een paar opmerkingen over de haken en ogen in het wetsvoorstel. Beschikken de netbeheerders en de ACM over de benodigde informatie om de beoogde volumecorrectie te berekenen? Hoe beoordelen zij de extra administratieve lasten? De Minister schrijft dat het systeemtarief wordt afgeschaft om de administratieve lasten terug te dringen. Dat is een prima streven waar mijn fractie zich graag achter stelt, maar de vraag is of dit voorstel weer leidt tot een uitbreiding van de administratieve lasten.

De ACM schrijft dat een aanvullende wettelijke regeling nodig is om de liquiditeitstekorten van de regionale netbeheerders te dekken. Onderschrijft de Minister deze stelling? Zo ja, wat betekent dit dan in de praktijk?

Ik kom nu op het systeemtarief voor de individuele afnemers. Is een half procentpunt stijging in de nettarieven voor overige gebruikers alleen het gevolg van de volumecorrectie of is dit inclusief het systeemdienstentarief? Kan de Minister een betere schatting geven van de gevolgen, uitgesplitst naar de verschillende tariefschalen van de energiebelasting? Zijn er naast de zeer grove cijfers die hij geeft, ook uitschieters te verwachten, bijvoorbeeld bedrijven die wel een hoog verbruik hebben maar niet zo'n vlak profiel?

Dit brengt mij bij de toekomst. In de toekomst is er hopelijk veel meer Europese samenwerking, maar zeer zeker meer zon en wind en dus waarschijnlijk ook meer fluctuatie. Wij hebben dan juist belang bij bedrijven die geen vlak profiel hebben, maar in plaats daarvan bijdragen aan netstabiliteit als zij tegen een bepaalde prijs in- en afschakelen, want nog belangrijker dan de effecten op de korte termijn, is de vraag hoe deze wijzigingen die nu in de wet worden vastgelegd, doorwerken op de langere termijn. Wat is het structurele effect op de economie, het investeringsklimaat en het gedrag van de energie-intensieve industrie? Dreigt er geen perverse prikkel te ontstaan, doordat vlak- en veelgebruik wordt beloond terwijl je op termijn misschien graag zou willen dat bedrijven hun energieverbruik variëren naar gelang de prijs? Kan de Minister onderbouwen dat dit voorstel netto leidt tot extra banen?

Dan een paar eigen voorstellen. Mijn fractie is van mening dat de Minister werk moet maken van een echt onderzoek naar de opbouw en ontwikkeling van de netkosten, met als vertrekpunt de criteria van transparantie en non-discriminatie uit de Europese richtlijnen. Eigenlijk net zoals de heer Jansen namens de SP heeft gezegd. Is de Minister daartoe bereid?

Een stip op de horizon moet zijn dat wij in plaats van nationale pleisters plakken, een stap verder zetten naar een geïntegreerde Europese energiemarkt. Het zou een goed begin zijn om samen met onze buurlanden een berekening van het nettarief te onderzoeken waarbij wij zowel een gelijk speelveld borgen als het hoofd bieden aan de uitdagingen die spelen bij het vernieuwen van de netten voor stroom. De regels lopen wat dat betreft achter op de technische werkelijkheid.

D66 zou verder graag willen dat de Minister in EU-verband de race to the bottom, waarin we terecht dreigen te komen, aan de kaak stelt, met als inzet om Europese afspraken te maken over minimale tarieven en belastingen waarbij de vervuiler betaalt, maar dan wel aan beide kanten van de grens om een zo min mogelijk ongelijk speelveld te krijgen. En tot slot: evalueer deze wet over een aantal jaren en neem daarbij de mogelijkheden mee om meer via vraagsturing dan via vlak gebruik te zorgen voor stabiliteit op het net. Is de Minister daartoe bereid?

Mevrouw Klever (PVV): Voorzitter. Het afgelopen jaar is deze Minister druk geweest met het verhogen van de lasten van burgers en bedrijven. De btw is gestegen en dankzij het energieakkoord gaat de energieprijs stijgen, zal de energiebelasting stijgen, zal de SDE-plusheffing met een factor 20 stijgen en wordt ingezet op de versterking – oftewel: stijging – van de ETS-prijs in Europa. Het resultaat is ernaar: tot wel 500.000 mensen in en rond de chemiesector kunnen hun baan kwijtraken, zo blijkt uit een onderzoek van Deloitte. De energiekosten in Europa liggen fors hoger dan in de VS. In Nederland, nota bene een gas exporterend land, liggen deze kosten nog hoger dan in de rest van Europa, zo konden wij in Het Financieele Dagblad lezen. Nederlandse bedrijven moeten op een wereldmarkt concurreren tegen bedrijven die geen SDE-plusheffing hoeven te betalen, die geen torenhoge energiebelastingen hoeven te betalen en die niet te maken hebben met een stortvloed aan dure regelgeving. De mooie verhalen over een duurzame economie, een bio-based economy en een circulaire economie ten spijt, maar daar gaat Den Haag niet over het creëren van banen. Bedrijven gaan over banen. En bedrijven creëren alleen banen als zij kunnen concurreren op de wereldmarkt en uitzicht hebben op een winstgevende groei. In de landen om ons heen is dat besef al doorgedrongen. België gaat de btw op energie verlagen naar 6%. In Duitsland pleit een raad van economische wijzen voor een onmiddellijke stop op alle nieuwe subsidies voor groene stroom. Volgens Britse kranten zegt premier Cameron binnenskamers nu ook: let's get rid of all the green crap; laten we stoppen met die groene onzin.

Dit kabinet gaat echter stoïcijns door met de gedwongen verduurzaming en trekt zich kennelijk niets aan van wereldwijde ontwikkelingen. Dat illustreert hoe dit kabinet en alle andere partijen in de Kamer denken over onze energie-intensieve industrie. Bijna de gehele Kamer stemt in met maatregelen die de prijs van energie steeds hoger opdrijven. Ondertussen roepen dezelfde politici in het ALDEL-debat om het hardst dat energie betaalbaar moet blijven.

Nederland is geen eiland. Internationaal opererende bedrijven als Dow Chemical investeren miljarden in de Verenigde Staten, maar niet in Nederland. Vandaag maakt de Minister een begin om aan bedrijven als Dow en ALDEL te laten zien dat hij hun zorgen over de te hoge energierekening serieus neemt. Vandaag spreken we over een minimale lastenverlaging. Vandaag maken we een klein begin om in ieder geval binnen Europa het speelveld wat eerlijker te maken. Het gaat om een kleine correctie in de transporttarieven, waardoor de tien grootste energieverbruikers gemiddeld 55% vrijstelling krijgen. Voor nog eens 25 bedrijven die onder deze regeling vallen, ligt het gemiddelde nog lager. En dat terwijl in Duitsland 2.300 energie-intensieve bedrijven vooralsnog vrijwel volledig zijn vrijgesteld van extra lasten, zoals we ook in het PricewaterhouseCoopers-rapport kunnen zien.

De Minister zal uit mijn betoog begrijpen dat wij deze maatregel steunen. Het is weinig, het is laat, het is een doekje voor het bloeden. Hiermee wordt geen structurele oplossing geboden voor de hoge energierekening die nog veel meer bedrijven de das om zal doen. Ik vraag de Minister het volgende. Hoe gaat hij voorkomen dat die 500.000 banen verdwijnen, waarvan Deloitte zegt dat ze gevaar lopen? Hoe gaat de Minister al deze bedrijven compenseren? Wie gaat de rekening betalen? Die rekening valt natuurlijk niet te compenseren. Er is maar één structurele oplossing voor dit probleem van te hoge energiekosten: onmiddellijk stoppen met alle duurzaamheidssubsidies en belastingheffingen, zodat onze industrie daadwerkelijk kan profiteren van een structureel lagere energierekening en 500.000 banen voor Nederland behouden kunnen blijven. Let's get rid of the green crap!

De heer Jan Vos (PvdA): Voorzitter. Vandaag spreken we over de wijziging van de Elektriciteitswet die voorziet in een volumecorrectie van de nettarieven voor de energie-intensieve industrie, oplopend tot 90%. Dat is nodig omdat onze energie-intensieve industrie in heel zwaar weer zit, mede omdat in de omringende landen de prijs van stroom gewoon lager is. Zo simpel is het. In Duitsland is er een korting op het nettarief die oploopt tot 90%. Ook dat is natuurlijk sterk in het nadeel van de Nederlandse energie-intensieve industrie. Die bedrijven hebben een hoog verbruik en een vlak afnameprofiel en dat heeft een positief effect op de netstabiliteit. Dat positieve effect is tot nu toe nooit meegenomen in de tariefstelling. Het is dan ook goed dat we er vandaag over praten. Met dit wetsvoorstel wordt deze tekortkoming immers alsnog weggenomen. Dit is ook conform de eerder tot uitdrukking gebrachte wensen van de PvdA-fractie, onder andere geuit in het algemeen overleg van 18 september. We willen de Minister dan ook bedanken voor het snelle werk dat hij heeft verricht.

De heer Paulus Jansen (SP): De heer Vos komt nu toch wel snel tot de conclusie dat een patroon van constante afname goed is voor de netstabiliteit en dat dit dus gecompenseerd moet worden, wat ook zo'n beetje de redenering van de Minister is. Nu zijn er een aantal marktpartijen die ik toch ook wel enige deskundigheid toedicht, die dat bestrijden. Is de heer Vos het met de SP-fractie eens dat we eerst moeten beginnen, bijvoorbeeld gerekend vanaf een termijn van een jaar, met een goede analyse van wat de relatie is tussen enerzijds variabelen aan de kant van de gebruiker, zoals een patroon van constante afname, en anderzijds de netbelasting en de nettarieven? Zou dat niet eigenlijk de basis moeten zijn van een goed tariefsysteem?

De heer Jan Vos (PvdA): In de ruim een jaar dat ik als Kamerlid hier mijn werk heb mogen doen, heb ik nog nooit meegemaakt dat er een voorstel was van de regering waar niet ook rapporten tegenover stonden met kritiek op dat voorstel. Dat is in dit geval natuurlijk ook zo. De algemene redeneerlijn die hierbij wordt aangehouden, is dat de energie-intensieve industrie gedurende een langere periode constant veel energie gebruikt, waarbij ik heb begrepen dat dit vanaf ongeveer 55% tot 65% gaat gelden, en dat daardoor het net stabieler wordt, waar dan een korting tegenover mag staan. Die redeneerlijn kan ik met mijn boerenverstand wel volgen. Als je als bedrijf veel energie stabiel afneemt, dan krijg je korting in de prijs. Dat werkt eigenlijk op elke markt zo. Dus dat dit hier ook zo werkt, begrijp ik.

De heer Paulus Jansen (SP): Stabiliteit op het netwerk ligt toch iets ingewikkelder, kan ik tegen de heer Vos zeggen. Wie traditioneel altijd terecht beloond zijn, zijn energie-intensieve bedrijven zoals Nyrstar die heel snel capaciteit kunnen afschakelen en daarmee actief een bijdrage leveren aan de stabiliteit van het netwerk. Een patroon van constant hoge afname is echter toch iets anders. Nu hoeft de heer Vos die marktpartijen niet te geloven die dit zeggen, maar de Minister zelf zei letterlijk in de nota naar aanleiding van het verslag: dergelijke analyses over de relatie tussen de kostenstructuur en de tariefstructuur zijn niet eenduidig te maken. De Minister zegt zelf eigenlijk: ik weet het ook niet maar toch ga ik alvast wat doen. Er is sprake van urgentie, dus wat dat betreft ben ik bereid de Minister daarvoor krediet te geven. Is de heer Vos echter toch niet ook van mening dat de overheid eerst een fatsoenlijke analyse moet maken voordat zij de langetermijntariefstructuur gaat vaststellen?

De heer Jan Vos (PvdA): Waar het gaat om de eenduidigheid van die redenatie zult u bij de Minister moeten zijn. De algemene redeneerlijn dat een bedrijf dat veel en constant afneemt, korting krijgt, kan ik goed volgen. Dat mag dan wellicht gezien worden als een simplificatie maar ik heb ook geleerd dat als je dingen terug kunt brengen tot een eenduidige werkelijkheid, het heel vaak klopt en dat het lastig is om daar iets tegenin te brengen. Dat is wat mij betreft hier ook het geval. Het voorliggende wetsvoorstel kan ik dan ook alleen maar toejuichen, inclusief de argumentatie die daarbij wordt gehanteerd.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik ken de PvdA als een voorvechter voor schone energie. De heer Vos pleit regelmatig voor wind op zee of andere vormen van schone energie. Die vormen brengen een fluctuatie op het net met zich mee. Hoe verhoudt steeds meer fluctuatie zich met een beloning voor een stabiele afname? De heer Jansen sprak over een bedrijf dat heel snel kan af- en opschakelen. Er zitten vanavond drie heren van zo'n bedrijf op de tribune. Wordt nu wel de juiste partij gesteund, als we in gedachten houden dat we naar veel meer schone energie toe willen? Voor die energie is het nodig dat er snel op- en afgeschakeld kan worden.

De heer Jan Vos (PvdA): De PvdA-fractie pleit niet alleen voor schone energie en praat niet alleen over windmolens, maar zij ziet haar wensen ook verwezenlijkt via het regeerakkoord. Het gaat om een investering van 3 miljard op jaarbasis in duurzame energie. Het gaat dan niet alleen over windmolens, maar ook over bijvoorbeeld geothermie en over biomassa. Er is een heel palet aan duurzame energie waar we als land in investeren. Dat doen we, omdat we graag willen dat we naar 14% duurzame energie in 2020 en 16% duurzame energie in 2023 gaan. Het is voor het eerst sinds heel lange tijd dat er weer zo structureel geïnvesteerd wordt in duurzame energie. Daar zijn we trots op en blij mee. Een van de voordelen van duurzame energie is dat je die gemakkelijk aan- en uit kunt zetten. Dat geldt zowel voor windmolens als voor zonnepanelen. Een van de nadelen is dat het lastig is om die energie op te slaan. Dat heeft heel specifieke gevolgen. Er is veel gezegd en geschreven over de veronderstelde instabiliteit van het net. De PvdA heeft daar ook moties over ingediend. Nu wordt ook in toenemende mate duidelijk dat het eigenlijk nog niet helemaal helder is hoe dat zich in de komende periode gaat ontwikkelen. Dat is erg spannend. Dat heb je altijd in een transitieperiode. We gaan natuurlijk van 4% nu naar 14% in 2020. Dat zal veel aanpassing vragen van ons allemaal. Dat betekent niet dat we ALDEL nu maar gewoon failliet moeten laten gaan. Daarom ben ik ook heel blij met het wetsvoorstel dat voorligt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik begrijp dat de PvdA het wetsvoorstel steunt. Ik begrijp ook dat alle belastingbetalers in Nederland investeren in groene energie. Daar ben ik heel blij mee. Daar zitten ook niet-PvdA-leden bij. Schone energie geeft een wisselende hoeveelheid energie. Als je wilt bevorderen dat er meer schone energie op het net past, moet je dan juist niet de bedrijven belonen die hun energiebehoefte snel kunnen terugbrengen of opschroeven? In dit wetsvoorstel staat dat men een stabiele afname wenst. Dat vangt de gaten niet op van wind- of zonne-energie.

De heer Jan Vos (PvdA): Ik denk dat het goed is als we ons vandaag beperken tot de bedrijven waar het in het wetsvoorstel van vandaag om gaat. Ik wil best nog een keer met de fractie van GroenLinks over allerlei andere zaken en bedrijven van gedachten wisselen, maar de verschuiving als gevolg van deze maatregel kost natuurlijk wel 21 miljoen aan netkosten. Dat is op een totaal van zo'n 3,5 miljard aan netkosten een verschuiving van 0,5%. Voor een gemiddeld huishouden betekent dat dus € 1 à € 1,50. We betalen met zijn allen in Nederland mee aan het redden van ALDEL en aan andere energie-intensieve bedrijven. Daar wordt dus voor betaald. Dat doen we ook voor duurzame energie. Door een aantal fracties wordt er regelmatig op gewezen dat we heel veel voor duurzame energie betalen. Daar kiezen we voor. Dat bespreken we hier met elkaar in Den Haag. Dat bespreken we in de Tweede Kamer.

Als mevrouw Van Tongeren nog een keer wil kijken naar de bedrijven die snel op- en afschakelen, dan heb ik daar geen enkel probleem mee. Wij kunnen dat in de toekomst nog een keer uitgebreid bestuderen.

De PvdA-fractie is dus ook dankbaar voor het snelle werk dat is gedaan door de Minister op dit terrein. Wij wensen ook een spoedige behandeling van het wetsvoorstel. Op deze manier kan het een bijdrage leveren aan het level playing field van onze energie-intensieve industrie. Net als de regering streeft de PvdA-fractie ook naar inwerkingtreding per 1 januari 2014. Acht de Minister dat nog haalbaar? Zou een eventuele inwerkingtreding met terugwerkende kracht na 1 januari tot administratieve problemen leiden of valt dat in de praktijk wel mee? Wat is de inschatting van de Minister op dat terrein?

Zoals we weten en inmiddels ook uitgebreid hebben besproken, verkeert ALDEL in Groningen in zwaar weer. De oorzaak is natuurlijk de wereldwijde overproductie van aluminium maar vooral de hogere kosten voor elektriciteit ten opzichte van Duitsland. Omdat die situatie acuut is, heeft de Minister een voorstel tot wetswijziging gedaan waarin grootverbruikers, net als in Duitsland, 90% korting krijgen op de netwerkkosten. De PvdA-fractie vindt dat goed nieuws voor de honderden werknemers daar, goed nieuws ook dat ALDEL weer een eerlijke kans krijgt. Daar zijn wij heel verheugd over. De korting die voor grootverbruikers gaat gelden, is noodzakelijk.

Mevrouw Klever (PVV): In alle debatten over energie heb ik de PvdA alleen maar horen praten over vergroenen en verduurzamen, en horen zeggen dat het energieakkoord onverkort moet worden uitgevoerd, dat alles moet worden gesubsidieerd om de doelstelling van 14% en 16% te halen. Nu er, dankzij het PvdA-beleid, een bedrijf als ALDEL failliet dreigt te gaan, pleit de PvdA opeens voor lastenverlichting middels het wetsvoorstel dat hier voorligt. Is dit een beetje het beleid dat de PvdA wenst te voeren: we knijpen u uit totdat u failliet gaat en daarna gaan we praten?

De heer Jan Vos (PvdA): De plannen op het gebied van duurzame energie hebben vrijwel niets te maken met wat er nu in Groningen aan de hand is, dus die koppeling begrijp ik niet. Het is wel zo dat de PvdA zich altijd sterk heeft gemaakt voor de werknemers van bedrijven. Dat betekent dus ook dat wij de mensen die die arbeid verrichten graag in bescherming nemen. Ik vind het dan ook heel vervelend om te moeten constateren dat een bedrijf als Zalco in Zeeland failliet is gegaan, dat misschien nog wel zou hebben bestaan als wij eerder deze wetgeving hadden ingevoerd en tijdig hadden gereageerd. Ik ben heel blij dat wij dit nu wel doen en dat ALDEL daardoor wel kan worden gered. De PvdA is altijd voor dit soort bedrijven opgekomen. Sterker nog, het was naar ik meen Den Uyl die ooit de energie-intensieve politiek in Nederland heeft ingevoerd nadat wij het aardgas hadden gevonden. Dat zullen wij dus ook altijd blijven doen.

Daarnaast investeren wij natuurlijk ook heel graag in duurzame energie. Naar aanleiding van vragen van GroenLinks ben ik daar al eerder op ingegaan. Daar wil ik het bij laten.

Mevrouw Klever (PVV): Het standpunt van de PvdA is dus eigenlijk gewoon een beetje de dagkoers. We gaan door met gedwongen verduurzaming, we verhogen de lasten met 3 miljard euro per jaar. We wachten tot er een bedrijf failliet gaat en dan trekken we weer eens aan de bel en maken we ons hard voor de werkgelegenheid.

De heer Jan Vos (PvdA): Het is natuurlijk heel bijzonder dat we juist in deze kabinetsperiode een energieakkoord hebben afgesloten. Dat is gedaan omdat met name de industrie heeft gezegd: politiek, jullie veranderen iedere paar jaar het beleid, zorg er nu eens voor dat er langetermijnbeleid is. Ik ben dan ook heel blij dat mede door dit kabinet het energieakkoord nu tot stand is gekomen en er dus een breed afsprakenpalet is, waar wij als het goed is echt een decennium lang iets aan hebben en waarmee wij stabiliteit kunnen bieden aan die bedrijven, zodat zij investeringszekerheid hebben. Dus die «dagkoers» zie ik niet zo.

Dat geldt ook voor de bescherming van werknemers, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dat is echt een traditioneel PvdA-punt. Ik ben bijna dankbaar dat ik het nog een keer naar voren kan brengen dat wij dankzij het beleid dat wij hier voeren die werknemers hun baan kunnen laten behouden. Daarvoor zal ik mij altijd blijven inzetten, met name als er sprake is van een ongelijk speelveld, zoals nu, waardoor er in Duitsland gewoon goedkopere elektriciteit is voor bedrijven, die daardoor goedkoper kunnen produceren. Dan is het logisch dat je als land zegt: we moeten concurrerend zijn, het beleid passen we aan, zodat onze fabrieken ook op een goede manier kunnen blijven produceren en werkgelegenheid kunnen blijven bieden.

Het is misschien ook wel goed om toch te constateren dat in heel Europa bij voortduring maatregelen worden genomen om de energie-intensieve industrie te ondersteunen die wereldwijd nadelen ondervindt van de CO2-politiek die wij voeren. Het is ook goed om te constateren dat daarbij, net als bij sommige fiscale trajecten, concurrentie optreedt tussen lidstaten en dat daarbij soms sprake is van een race naar de bodem, waarvan uiteindelijk vooral het milieu schade ondervindt en waardoor niet het beste resultaat behaald voor de lidstaten van de Unie als geheel. Ik denk dat het goed is dat wij dat ook constateren bij alle vreugde over het wetsvoorstel dat vandaag voorligt.

De korting voor grootverbruikers houdt in dat er voor hen een uitzondering wordt gemaakt ten opzichte van andere gebruikers. De fractie van GroenLinks wees daar al op bij interruptie. Hoewel het maken van zo'n uitzondering risico's met zich brengt, vraagt de fractie van de Partij van de Arbeid zich ook af of er niet moet worden gekeken naar de situatie van corporaties die aan de slag willen met decentrale energie. Voor deze corporaties geldt dat de aansluitkosten een mogelijke belemmering vormen om een rendabele businesscase te realiseren. De Minister antwoordt op gestelde vragen dat het afhangt van het individuele project en dat hij samen met andere betrokken partijen wil bezien op welke wijze kan worden voorkomen dat aansluitkosten onnodig hoog zijn. Dat staat in de nota naar aanleiding van het verslag op pagina 4. De fractie van de Partij van de Arbeid juicht dit toe. Wanneer zou hiervan eventueel een resultaat kunnen worden verwacht? Er loopt op dit moment ook een onderzoek naar de effecten van decentrale opwekking op de kostenstructuur en indirect de tariefstructuur. De voorlopige resultaten laten zien dat in de toekomst decentrale opwekking nog geen kostenbesparing in de netten zal opleveren. Wanneer kan de Kamer dat onderzoek verwachten?

Tot slot vraag ik de Minister: zouden we de corporaties op een andere manier tegemoet kunnen komen, bijvoorbeeld in de vorm van lagere transporttarieven of misschien zelfs in de vorm van het helemaal schrappen van die transporttarieven?

De voorzitter: Tot zover de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De Minister heeft aangegeven meteen door te kunnen gaan met de beantwoording.

Het woord is aan de Minister voor de beantwoording van de zijde van het kabinet in eerste termijn.

Minister Kamp: Voorzitter. Ik dank de Kamer in de eerste plaats voor de bereidheid om dit voorstel snel te behandelen. Dezelfde bereidheid is ook getoond door de Raad van State en door de ACM. Ik hoop op dezelfde bereidheid bij de Eerste Kamer, zodat wij kunnen bereiken dat er vanaf 1 januari zekerheid is voor de bedrijven die het betreft. Een aantal leden vroeg: je kunt het toch met terugwerkende kracht doen, dus waarom is het nu zo nodig om er haast achter te zetten? De reden daarvoor is dat er bij de bedrijven die het betreft nogal wat aan de hand is. Snelle duidelijkheid is voor die bedrijven en voor de continuïteit van enkele van die bedrijven van belang. Wij hebben voor onze wetgevende procedures een jaar nodig, vaak meer. In dit geval denk ik dat het echt nodig is om snel duidelijkheid te bieden. Daarom heb ik u gevraagd om bereid te zijn, dit wetsvoorstel snel te behandelen. Ik stel het zeer op prijs dat u dit ook doet. Als de Kamer deze behandeling zou kunnen afronden en de Eerste Kamer het wetsvoorstel ook nog voor het kerstreces zou kunnen afhandelen, hebben wij per 1 januari een probleem wat minder groot gemaakt voor een aantal bedrijven in ons land.

Het is goed dat wij ons realiseren dat dit een beperkt voorstel is. Een aantal woordvoerders hebben waardevolle opmerkingen gemaakt over lokale energieproductie, aansluitkosten en tarieven die wel of niet in rekening gebracht moesten worden. Ik denk dat wij hier niet alles bij hoeven te halen. Dit is een wetsvoorstel dat helemaal is toegespitst op één probleem. Dat probleem is door alle woordvoerders verwoord, dus dat hoef ik niet te herhalen.

Het is niet iets incidenteels waar wij nu mee komen bij de Kamer. Ik heb geanalyseerd wat wij allemaal kunnen doen om ervoor te zorgen dat wij zo veel mogelijk een level playing field behouden, of anders verkrijgen, voor de energie-intensieve bedrijven in ons land. Het is nu eenmaal een gegeven dat wij in Nederland veel energie-intensieve bedrijven hebben. Wij hebben grote raffinaderijen in Rijnmond. Wij hebben grote chemische bedrijven. Wij hebben grote metaalbedrijven, voor staal, zink en aluminium. Wij hebben ook chipproducenten die erg veel elektriciteit verbruiken. Wij hebben relatief veel energie-intensieve bedrijven in ons land. Zoals ook de heer Jansen zei, zijn dat geen geïsoleerde bedrijven, maar bedrijven waar een heleboel vervolgactiviteiten en aanpalende activiteiten aan gekoppeld zijn.

Als je de grootschalige, energie-intensieve basisindustrie die ik net beschreven heb, zou zien verdwijnen, dan verdwijnt daar ook een heleboel omheen mee, en dat in een tijd waarin wij al met een sterk stijgende werkloosheid te maken hebben. Het aantal werklozen loopt richting de 700.000. We weten allemaal wat de effecten daarvan zijn en ik denk dat dit voor ons allemaal ook een aansporing is om met deze werkgelegenheid even voorzichtig om te gaan als de Kamer in algemene zin altijd pleegt te doen. Het gaat dus hier niet om een geïsoleerde maatregel. We hebben een aantal maatregelen genomen. Het beleid is erop gericht, ervoor te zorgen dat het level playing field er voor de energie-intensieve bedrijven zo veel mogelijk is.

Het eerste wat we doen is zorgen voor een zo goedkoop mogelijke stimulering van de duurzame energie. Ik hoef niet opnieuw aan te geven waarom wij met zijn allen duurzame energie belangrijk vinden. Wij doen dat, en bijna alle partijen steunen dat ook, omdat wij denken dat het in het belang is van alle inwoners van ons land. Als wij tijdig een verantwoorde transitie maken met duurzame energie, dan is dat voor de veiligheid, voor het welzijn, voor de werkgelegenheid, maar ook voor de financiële positie van de inwoners van ons land op lange termijn zeer belangrijk. Dat is een analyse die wij gemaakt hebben in de politiek, maar die niet alleen maar in de politiek gesteund wordt. Het is immers gebleken dat de afspraken die in de politiek zijn gemaakt over de transitie naar duurzame energie, ook zeer, zeer brede steun in de samenleving hebben. De werknemers, die natuurlijk het grootste belang hebben bij die werkgelegenheid, steunen het. De werkgevers en de bedrijven zelf steunen dat beleid eveneens. De consumentenorganisaties steunen het en de natuur- en milieuorganisaties steunen het ook. Dus ik denk dat de transitie naar duurzame energie en de wijze waarop wij die proberen in te vullen, brede steun heeft, zowel in de politiek als in onze samenleving. En terecht, is mijn overtuiging.

Wij proberen die overgang naar duurzame energie zo goedkoop mogelijk te laten zijn. In Duitsland hebben ze een andere weg gekozen. Daar hebben ze ook snel resultaat mee bereikt. Daar is bewust voor gekozen, ook gekoppeld aan het uitschakelen van de kernenergie in ons buurland. Daar hebben ze een zeer hoge rekening voor betaald, maar ook echt resultaten mee bereikt. Wij hebben ervoor gekozen om de Europese ambitie uit te voeren en daar nog een schepje bovenop te doen, van 14% naar 16% duurzame energie. We hebben echter ook gezegd dat wij dat op een zo goedkoop mogelijke manier doen. Daar hebben we de regeling SDE-plus voor ontworpen. We hadden eerst andere regelingen. Daar hebben we ervaring mee opgedaan en op grond van die ervaring zijn we gekomen tot de regeling SDE-plus, om ervoor te zorgen dat we de transitie naar duurzame energie zo goedkoop mogelijk kunnen maken.

Het tweede wat we doen om het level playing field te bevorderen, is ervoor zorgen dat we zo veel mogelijk in internationaal verband invullen. De leden hebben daar ook bijna allemaal voor gepleit, en het lijkt mij zeer verstandig om dat te blijven doen. In de eerste plaats noem ik de samenwerking met Duitsland. Het is nu eenmaal zo dat Duitsland de grootste economische macht in Europa is. Wij zitten pal tegen Duitsland aan. Dat betekent dat de situatie in Duitsland grote effecten heeft op de situatie in Nederland. Dan is het dus ook in het belang van Nederland, Nederlandse bedrijven en de Nederlandse werkgelegenheid om goede afstemming met Duitsland te plegen. Daar doen we ook zeer ons best voor.

Een tweede punt is de afstemming in Noordwest-Europees verband. Wij zijn een van de drijvende krachten achter de afstemming die plaatsvindt. Wij proberen daar iedere keer weer een stapje verder mee te gaan en de rest mee te nemen. Wij proberen dat verband ook uit te breiden. Wij hebben Oostenrijk erbij gehaald. Ik heb er twee weken geleden met mijn Zwitserse collega's over gesproken. Zij zijn weliswaar geen onderdeel van de EU, maar wel bereid om daarin mee te doen. We doen dus erg ons best om in Noordwest-Europees verband daarin samenwerking te creëren. Verder proberen wij ook in Europees verband zo veel mogelijk samenwerking te organiseren. Wij ondersteunen de Eurocommissaris Oettinger, die met initiatieven komt. Wij proberen het ETS-systeem te laten werken en we proberen de subsidiesystemen op elkaar af te stemmen. We proberen te voorkomen dat er allemaal landelijke capaciteitsmechanismen komen. Wij willen dat graag in Europees verband doen. Wij doen dus zeer ons best om met samenwerking bij te dragen aan een level playing field.

Het derde wat we doen, het derde onderdeel van ons op een level playing field gerichte beleid op dit punt, is dat we de interconnectie versterken. We hebben al een goede interconnectie met Noorwegen, met Denemarken, met Duitsland en met België. Vooral Duitsland en België zijn belangrijk. Wij willen de bestaande interconnectie beter benutten door het technische management erop te verbeteren.

Ook breiden wij de bestaande capaciteit uit waar dat mogelijk is. Verder zetten we compleet nieuwe interconnectie erbij. Het gaat allemaal niet zo snel omdat daarvoor grootschalige voorzieningen getroffen moeten worden. Met allerlei procedures ben je daar toch gauw zo'n vier tot vijf jaar mee bezig. Als je er niet aan begint, dan komt het echter nooit voor elkaar. Wij hebben daarom beleid gezet op uitbreiding van interconnectie. Dat is massief in gang gezet, zo mag ik wel zeggen.

Het vierde punt dat we gaan oppakken, hebben we voor een deel al gedaan maar gaan we nu verder doorzetten. In het verleden is te veel betaald voor systeemdiensten. Daarover zijn rechterlijke uitspraken gedaan en in het vervolg daarop is beleid gemaakt om wat in het verleden te veel betaald is, terug te betalen. De te veel betaalde bedragen komen ten goede aan de bedrijven die nu in de verdrukking zitten. Die kunnen daarvan profiteren in relatie tot de totstandkoming van een level playing field.

Het vijfde wat wij doen, is het geven van ETS-compensatie. In andere landen werden al initiatieven genomen om het gedeelte in de elektriciteitsprijs – die elektriciteitscentrales en grote afnemers in rekening brengen – dat veroorzaakt werd door het ETS-systeem, weg te nemen bij de energie-intensieve bedrijven die op de wereldmarkt moeten concurreren. Die bedrijven kunnen die kosten gewoon niet doorberekenen. Wij doen dat nu ook in Nederland. Ondanks alle bezuinigingen hebben we 78 miljoen vrijgemaakt om bedrijven tegemoet te komen.

Het laatste wat wij nu doen, is waar wij op dit moment over spreken: de korting op het transporttarief voor in totaal een bedrag van 21 miljoen. Ik heb hiermee willen aangeven dat we zes onderdelen van beleid hebben die gericht zijn op versterking van het level playing field. Dit is daarvan de afronding.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik stel graag een vraag over de uitbreiding van die interconnectiecapaciteit. De Minister is daar in de nota naar aanleiding van het verslag ook al op ingegaan. Het viel mij op dat bij de nieuwe projecten die genoemd worden NorNed 2 niet werd genoemd. Is dat bewust gedaan of komt dat project op iets langere termijn aan bod? Het gaat om de tweede kabel tussen Delfzijl en Noorwegen. Ik denk dat dat op zich een interessant project is, zeker gelet op de mogelijkheid om met waterkracht toekomstige windkracht te balanceren.

Minister Kamp: Ik ben geïnteresseerd in alle reële mogelijkheden om interconnectie met andere landen te verbeteren. Ik denk dat dat van groot belang is. Dat geldt dus ook voor de verbinding met Noorwegen, zeker vanwege de grote capaciteit daar in hydro-energie. Ik heb Duitsland al genoemd, evenals Engeland, hoewel je je kunt afvragen wie daarvan profiteert. Ik heb ook België genoemd. Voor Nederland is het van het grootste belang om die interconnectie te hebben, omdat dat een van de elementen is die de leveringszekerheid in Nederland echt op een heel hoog niveau brengt. Andere landen maken zich zorgen om de leveringszekerheid; Duitsland doet dat, België doet dat en Zwitserland doet dat ook. Een heleboel landen worstelen daarmee. In Nederland is de vraag op dit moment totaal afgedekt door de productie van elektriciteit. We hebben zelfs 20% overcapaciteit. Bovendien hebben we nog capaciteit in aanbouw en een heel goede interconnectie vergeleken met andere landen. Dat neemt allemaal niet weg dat ik die interconnectie van het allergrootste belang vind. Ik zeg de heer Jansen graag toe dat ik alle reële mogelijkheden om interconnectie te verbeteren, zal benutten, inclusief de mogelijkheid die hij oppert.

De heer Paulus Jansen (SP): Dat is mooi, temeer daar ik inderdaad denk dat interconnectie met Noorwegen meerwaarde kan hebben in het kader van North Sea Grid, de ontsluiting van de Noordzee. Om die reden zou het tactisch mogelijk goed zijn om daarvoor actief te lobbyen. Het ijzer voor dat project is momenteel vrij heet.

Minister Kamp: Ik neem graag kennis van die aanbeveling van de heer Jansen. Ik heb niet alle ins en outs wat betreft die specifieke verbinding op dit moment op een rijtje staan. Er zijn altijd plussen en minnen. Aangespoord door de heer Jansen zal ik mij daarin weer eens apart verdiepen.

Ik kom te spreken over het belang van dit voorstel. Ik heb al aangegeven dat dit voorstel onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Voor een aantal bedrijven is het zeer relevant. Bij ons is het in beeld gekomen, met name omdat je regelingen altijd kunt verbeteren en verfijnen. Dat doe je niet altijd, want hoe ingewikkelder je het maakt, hoe meer lastendruk er vaak aan verbonden is. Het moet efficiënt blijven. Op dit punt wisten wij dat de grote energie-intensieve bedrijven die een heel vlak afnamepatroon hebben, ervoor zorgen dat de kosten die je moet maken voor het beheer van het net aanmerkelijk lager zijn. Er zijn grote pieken en dalen in de benutting van het net. Als die pieken en dalen op een hoger niveau liggen omdat er een grote basis onder ligt, is het gemakkelijker om ze te hanteren. Wij hebben altijd geaccepteerd dat die basis van deze grote bedrijven eronder lag. Vanwege de huidige marktsituatie in Europa hebben wij er specifiek naar gekeken. Wij vonden het noodzakelijk om hieraan recht te doen en deze bijdrage aan het laaghouden van de kosten voor netbeheer te vertalen in de vorm van een korting. Ik zal er nog twee dingen over zeggen.

21 miljoen per jaar is natuurlijk een behoorlijk bedrag voor de bedrijven die het betreft, maar je moet het wel zien op een totaal van 3,5 miljard ofwel 3.500 miljoen per jaar, de gezamenlijke kosten voor de systeemdiensten en de transporttarieven. Daarin brengen wij nu een verschuiving aan van 21 miljoen. Voor de meeste afnemers gaat het dan ook om heel kleine bedragen. Voor huishoudens gaat het om € 1 tot € 1,50, zoals de heer Leegte al terecht heeft gezegd. Voor mkb-bedrijven zoals een bakkerij gaat het om maximaal enkele tientjes per jaar. Voor grotere bedrijven zoals een bouwmarkt gaat het om een aantal honderden euro's per jaar. U moet zich voorstellen dat dit zich allemaal afspeelt binnen een marge van ongeveer 0,5% van de hoogte van de elektriciteitsrekening. Het zijn geringe lasten die de burgers en de overige bedrijven worden opgelegd, maar het is ook een belangrijke verbetering voor een aantal grote bedrijven die veel energie afnemen. De totale kostprijs van sommige van die bedrijven wordt voor 40% door hun elektriciteitsrekeningen bepaald. Die bedrijven zijn dan ook zeer kwetsbaar voor prijsverschillen met andere landen en voor verstoring van het level playing field. Door deze gerichte ingreep voor een relatief klein bedrag op een groot geheel kun je toch het verschil maken voor een belangrijke basisindustrie in Nederland, met alle andere maatregelen die ik in het begin heb genoemd. De aanleiding zit erin dat wij wisten dat hiermee voordeel werd behaald voor iedereen en dat het voordeel niet werd doorberekend in de tarieven voor degenen die dat voordeel veroorzaakten, te weten de stabiele grootafnemers. Nu gaan wij dat wel doen. De reden waarom wij dat op dit moment doen, is de marktsituatie, het gebrek aan level playing field, voor deze bedrijven.

Mijn tweede opmerking is dat het grote land naast ons, dat van cruciaal belang is voor de concurrentiepositie van met name de energie-intensieve bedrijven in Nederland, op dit moment al een 100%-kortingsregeling heeft lopen. Wij hebben helemaal geen kortingsregeling. Zoals u zich kunt voorstellen, is het verschil tussen een 100%-regeling in Duitsland en een 0%-regeling in Nederland problematisch in de huidige marktsituatie. Vandaar dat wij nu aankoersen op een regeling net zoals in Duitsland. Men gaat daar over van 100% op 90%. Wij zetten haar op voor 90%. Daarmee hebben wij vanaf 1 januari op dit punt het verschil weggewerkt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik begrijp het pleidooi van de Minister voor de grote bedrijven. Ik hoor hem ook heel duidelijk zeggen dat het maar om een heel gering bedrag gaat voor de consumenten en het midden- en kleinbedrijf. Maar ik hoorde hem ook in een bijzin zeggen: ik weet dat er over die energiecoöperaties veel gedoe is. Dat zijn niet mijn woorden maar die van de Minister. En hij zei: maar het is nu niet het moment om te praten over die energiecoöperaties. Die energiecoöperaties leveren op dit moment misschien nog niet grote hoeveelheden schone stroom of bieden nog geen grote hoeveelheden werkgelegenheid, maar de bedoeling is wel dat die sector gaat groeien. Als je de energiecoöperaties zou vrijstellen van transportkosten, dan gaat het maar om een gering bedrag. Ik weet niet hoeveel nullen achter de komma je nodig hebt om dat in termen van 3,5 miljard uit te drukken. Er zijn een heleboel businessplannen die op omvallen staan en energiecoöperaties die zich de grootst mogelijke zorgen maken over de vraag of ze nu nog wel uit de kosten komen. Dus zou dat argument en het argument van urgentie voor hen niet ook opgaan? Waarom veegt de Minister zo direct mijn amendementen van tafel en kunnen wij vandaag niets regelen voor energiecoöperaties?

Minister Kamp: Vandaag spreken wij over het voor grote bedrijven, voor grootafnemers met een stabiel patroon, realiseren van een kostenreductie voor het beheer van het net, voor het technisch stabiel maken van het net. Mevrouw Van Tongeren spreekt over kleine coöperaties die elektriciteit leveren als er wind of zon is. Dat is een onderdeel van de pieken en dalen. Dat is geen onderdeel van de oplossing maar van het probleem. Als je praat over de oplossing van een probleem, dan is het raar dat je het probleem nog groter gaat maken. Ik wil niet zeggen dat er helemaal niets gedaan moet worden aan lokale energie. Integendeel, daar doen wij van alles en nog wat aan. Ik zal daar straks in reactie op het amendement van mevrouw Van Tongeren op terugkomen. In het licht van dit voorstel is het echter niet logisch om te doen wat zij net heeft bepleit.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Het zijn beide doelen van de regering: het zorgen voor werkgelegenheid en de overgang naar schone energie. Nu wordt gezegd: voor het ene doel moeten wij wel wat regelen, aangezien er bedrijven zijn die op omvallen staan. Van het andere probleem, dat van kleine energiecoöperaties, wordt gezegd dat het nu niet van belang is, omdat ze nog zo klein zijn en nog niet veel werkgelegenheid bieden. Maar het is heel goed mogelijk om beide dingen in dit wetsvoorstel te regelen. Dat is een van de redenen waarom ik mijn exacte mening over dit wetsvoorstel nog even in beraad heb. Als je op die gronden iets doet voor de grote bedrijven, vind ik het eerlijk als je het ook doet voor de kleine. Mijn toetssteen is: werpen wij nieuwe blokkades op voor schone energie of proberen wij op de korte termijn iets te regelen voor de grote bedrijven terwijl wij ook het oog houden op de lange termijn, namelijk de nieuw opkomende sector van schone energie? Ik vind het een beetje jammer dat dat afgewezen wordt op het technisch argument dat ze nu nog zo klein zijn dat ze niet helpen voor de stabiliteit van het net.

Minister Kamp: Wij hebben zes verschillende beleidsinvalshoeken of maatregelen om een zo level mogelijk playing field te hebben voor de industrie in Nederland. Dit is er een van. Hier lossen wij een specifiek probleem mee op en doen wij recht aan bedrijven die ervoor zorgen dat de kosten voor het netbeheer laag zijn. Die bedrijven zorgen er dus voor dat de kosten voor het netbeheer laag zijn, maar mevrouw Van Tongeren haalt de lokale coöperaties erbij en die zorgen er juist voor dat de kosten van het netbeheer hoog zijn. Die dragen immers bij aan die pieken en dalen. Er zijn allerlei goede redenen om daar ook het een en ander voor te doen. Daar ben ik ook voor gemotiveerd. Daar hebben wij in een ander verband al over gesproken. Wij hebben ook al de lijn uitgezet om lokale energieproductie te stimuleren. Dat is ook een onderdeel van het energieakkoord. Daar komen wij bij de uitwerking van de regeling nog op terug. Dat praat ik dus absoluut niet weg, maar het is raar om dat nu bij dit wetsvoorstel te halen, want dit wetsvoorstel regelt iets anders en heeft juist een oplossing voor een probleem dat mevrouw Van Tongeren met haar punt alleen maar groter maakt. Met alle respect voor haar, maar het is niet logisch om te bepleiten wat zij nu bepleit. Ik begrijp wel dat dit punt belangrijk voor haar is, maar het is niet logisch in het kader van dit wetsvoorstel.

Voorzitter. Ik heb net gesproken over enkele tientallen en enkele honderden euro's per jaar. Mag ik dat even verduidelijken? In mijn papieren heb ik, voordat ik naar mevrouw Van Tongeren ging luisteren, het volgende gevonden. Voor een huishouden is het € 1,00 à € 1,50 per jaar. Voor een kleine mkb'er, bijvoorbeeld een buurtwinkel, gaat het om een bedrag van € 7,50 per jaar. Voor een grote mkb'er, bijvoorbeeld een grote bouwmarkt op een bedrijventerrein, gaat het om een bedrag van € 90,00 per jaar. Het gaat dus om kleine bedragen, waarmee je een kleine verschuiving realiseert die voor een klein aantal bedrijven wel van grote betekenis is.

Dan kom ik op een vergelijking met de Duitse situatie. Dit maakt deel uit van de urgentie. Mevrouw Van Veldhoven vroeg of wij bij het maken van deze nieuwe regeling bij de Europese Commissie hebben gecheckt wat zij daarover gaat zeggen. Wij kunnen die regeling gaan bedenken, we kunnen verschillende varianten gaan maken en wij kunnen met de Europese Commissie overleggen. Dat duurt een tijdje. Vervolgens komen wij weer met een reactie en praten wij erover door. Het zou echter heel zuur zijn als we daardoor te laat zijn als die regeling eindelijk tot stand komt. We hebben namelijk een urgente behoefte aan een level playing field. Er zijn bedrijven die daar op dit moment iedere dag mee te kampen hebben. Wij moeten proberen om onze bijdrage aan het level playing field zo snel mogelijk te leveren. De Duitsers hebben een regeling van 100%, wij hebben een regeling van 0%. Zij werken nu aan een regeling van 90%. Als wij dat ook doen, hebben wij daarmee een level playing field gecreëerd. Als dat geaccepteerd wordt, blijft dat level playing field in stand. Als het niet geaccepteerd wordt, geldt dat voor allebei, en blijft het level playing field ook in stand. Ik denk dus dat wij hiermee een praktische oplossing hebben aangedragen.

Ik begrijp heel goed dat dit niet allemaal digitaal 100% logisch is. Wij zijn met energiebesparing bezig en doen ondertussen iets waarmee wij de grote energieverbruikers tegemoetkomen. Ik begrijp heel goed dat je daartegen zou kunnen zijn als je het alleen bekijkt vanuit die invalshoek van energiebesparing, zoals mevrouw Van Tongeren in het begin van haar bijdrage even leek te doen. Maar mevrouw Van Tongeren maakt, net zo goed als wij dat doen, voortdurend afwegingen. Zij is voor energiebesparing, maar zij is ook voor duurzame energie, een behoorlijke koopkracht voor de mensen en een behoorlijk welvaartsniveau. Ook is zij voor werkgelegenheid op de korte en lange termijn en voor het terugdringen van de werkloosheid. In dat geheel maakt zij een afweging. Dat moeten wij ook doen. Als het allemaal zo makkelijk was, hadden wij de Tweede Kamer niet nodig. Het is moeilijk en daarbij hebben wij de Tweede Kamer wel nodig. Wij maken die afwegingen inzichtelijk. Vertaald vanuit het energieakkoord en het regeerakkoord doen wij recht aan de doelstelling voor duurzame energie en energiebesparing, maar daarnaast proberen wij ook om de werkgelegenheid, in het bijzonder in de Nederlandse basisindustrie, overeind te houden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik ben blij dat de Minister het makkelijker vindt met de Tweede Kamer dan zonder de Tweede Kamer. Dat stelt mij helemaal gerust.

De Minister zegt dat hij nu maatregelen neemt. Neemt hij daarmee bewust het risico dat hij een wet opstelt die mogelijk door Brussel wordt teruggefloten? Enige durf kan hem niet ontzegd worden en ik begrijp zijn punt dat we wel eindeloos kunnen wachten maar dat het dan misschien te laat is. Neemt hij dus bewust dat risico? Ik hoor graag een bevestiging van de Minister. Mijn tweede vraag is of hij daarover dan nog wel met Brussel in gesprek is. Kan hij de Kamer op de hoogte houden van de voortgang?

Minister Kamp: Mijn invalshoek is niet zozeer dat ik bewust een risico neem. Mijn invalshoek is dat ik de overtuiging heb dat ik hiermee iets goeds en belangrijks doe wat zo goed mogelijk onderbouwd is. Ik kom daar zo dadelijk op terug. Bovendien wordt het in Duitsland al in de praktijk gebracht, zelfs in versterkte mate. Hiermee komen we weer op een level playing field met Duitsland, niet geïsoleerd maar in een groter geheel, zoals ik in het begin heb geschetst. Ik kom hiermee omdat ik denk dat dit een zeer goed verdedigbaar verhaal is.

Enkele woordvoerders, onder wie mevrouw Van Veldhoven, hebben gezegd: je komt nu met een regeling, maar de kosten voor die tarieven kun je helemaal niet goed toerekenen en dat geldt ook voor de tegemoetkoming aan bedrijven; we hebben je hierop bevraagd, maar je komt niet met bevredigende antwoorden. Wij zijn bezig met een regeling die in Duitsland al bestaat en die wij nu ook in Nederland willen hebben. Het gaat dan om de 90%-regeling. Wij vertalen deze in een bedrag. Wij hebben gekeken naar het totaal van de kosten voor de systeemdiensten. Dat is een bedrag van ruim 120 miljoen euro per jaar. Wij hebben geredeneerd dat een goede vertaling van die 90% in combinatie met die 120 miljoen per jaar, een bedrag van 20 à 21 miljoen oplevert. Vervolgens hebben wij bezien hoe wij dat substantiële bedrag op een goede manier – uitgangspunt is de mate waarin bedrijven bijdragen aan lage kosten doordat ze een hoog afnameniveau en een vlak afnameniveau hebben – kunnen vormgeven. Dat hebben wij in deze regeling uitgewerkt.

Als men zegt dat dit niet perfect is en dat er geen inzicht is in dit of dat, is mijn antwoord dat ik het verhaal echt niet mooier ga maken dan het is. Ik ga u niet voorspiegelen dat ik een perfect inzicht heb in de opbouw van de tarieven. Dat is niet zo. De tarieven die bedrijven betalen voor elektriciteit zijn de sector niet toe te rekenen. Wij hebben een historisch gegroeide tarievenstructuur. Er is een algemeen niveau van de tarieven die door iedereen betaald moeten worden. Hierop zit een aantal verfijningen voor gebruik in daluren en in piekuren, voor gebruik van elektriciteit en energie in een bepaalde vorm, voor een bijdrage aan het aftoppen van de pieken en voor een bijdrage aan de stabiliteit en het laag houden van de kosten van het technische netbeheer. Wij hebben dus een aantal verfijningen, maar wij hebben geen berekening op grond waarvan wij voor alle categorieën afnemers precies kunnen berekenen wat voor hen de reële elektriciteitstarieven zouden zijn, laat staan wat de reële transporttarieven of systeemdiensttarieven zouden zijn. Zo verfijnd zit het niet in elkaar. Wat gegeven de informatie waarover ik beschik mogelijk is, heb ik toegepast op deze regeling. Het is niet perfect, maar het is wel in voldoende mate onderbouwd. Het is ook functioneel. Hiermee bieden wij een immers een betekenisvolle bijdrage aan het level playing field.

De voorzitter: Er is een interruptie van mevrouw Van Veldhoven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik kom terug op mijn eerste interruptie.

De voorzitter: De tweede vraag van uw vorige interruptie is niet beantwoord. En die ging over?

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Over de relatie tot het Europees recht. In de tweede brief van de Autoriteit Consument & Markt staat letterlijk dat de zorgen omtrent de verenigbaarheid met het Europees recht niet geheel zijn weggenomen. Ik denk dat de Minister een risico neemt. Wat kunnen de consequenties zijn als toch geoordeeld wordt dat er geen sprake is van verenigbaarheid? Wat betekent dat voor bijvoorbeeld een bedrijf als ALDEL? Moet men dan gaan terugbetalen? Heeft de Minister de consequenties voor zichzelf op een rijtje?

Minister Kamp: Waarom zou ik onzekerheid bij bedrijven creëren die toch al in onzekerheid verkeren? Eén bedrijf wordt voortdurend genoemd, maar er zijn nog andere bedrijven waar ook minder arbeidsplaatsen en verliezen aan de orde zijn. Wij moeten het voor die bedrijven mogelijk maken om op de wereldmarkt en de Europese markt te concurreren. Ik kan wel weer allerlei beschouwingen gaan geven op grond waarvan er weer verdere onzekerheid bij deze bedrijven wordt gecreëerd, maar laten wij dat niet doen. Laten wij bezien wat op dit moment de situatie in Europa is, laten wij met elkaar inzien dat het verschil tussen Nederland en Duitsland op dit punt niet te verdedigen is en laten wij bekijken wat Duitsland naar aanleiding van een eerdere confrontatie met de Duitse rechter en de Europese Commissie gaat doen. Laten wij hetzelfde voor Nederland doen, op de manier waarop ik het heb gedaan.

Laten we dat op korte termijn doen in het kader van het grotere geheel van nog vijf andere maatregelen. Ik denk dat we dan met verantwoord beleid bezig zijn en proberen om daarmee zo veel mogelijk duidelijkheid en zekerheid te scheppen.

Mevrouw Van Veldhoven zei dat de ACM aangeeft dat de zorg niet geheel is weggenomen. Ik kan deze zorg best geheel wegnemen door af te zien van dit wetsvoorstel, maar dan heb ik een veel grotere zorg over het feit dat wij geen recht doen aan bijdragen die bedrijven leveren aan het laag houden van de systeembeheerkosten. Bovendien brengen we bedrijven dan in een moeilijke situatie met betrekking tot hun playing field, met mogelijk ernstige negatieve consequenties voor de werkgelegenheid in ons land. De ene zorg is dus misschien niet weggenomen, maar een andere, nog veel grotere en acute zorg ligt op de loer. In dat geheel maken wij onze afweging en zal ook de Kamer haar afweging maken wanneer zij uiteindelijk moet besluiten of zij wel of niet voor dit wetsvoorstel stemt.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik heb waardering voor de openhartigheid van de Minister. Eigenlijk zegt hij dat de analyse achter het wetsvoorstel een beetje een zooitje is, maar dat wij hiertoe zijn gedwongen door onze goede vrienden, de oosterburen, en dat wij ons de kaas niet van het brood laten eten. Dat vindt de SP-fractie ook, maar mijn zorg is vooral dat de kortetermijnoplossing de structurele verbetering op lange termijn van onze concurrentiepositie in de weg zit. Vandaar mijn vraag aan de Minister of hij alsnog bereid is om een analyse te maken van de echte kostenstructuur van het netbeheer, zodat we op een redelijke termijn – bijvoorbeeld bij de begrotingsbehandeling van volgend jaar – kunnen debatteren over de vraag hoe we deze zaak echt structureel beter kunnen aanpakken. Nogmaals: wat mij betreft, doen we dat in samenwerking met zo veel mogelijk van onze buren, maar in ieder geval met zelf een goede stip aan de horizon.

Minister Kamp: Op het punt van energie heb ik al erg veel op mijn bord liggen. Ik ben terughoudend om daar nog meer op te stapelen, omdat ik een groot aantal verplichtingen heb jegens bedrijven, jegens burgers en jegens de Kamer. Ik moet het energieakkoord uitwerken. Ik zit niet te springen om nog meer op mijn bord te stapelen. Daarnaast is één tarief in Europees verband voor het transport van elektriciteit helemaal niet zo aantrekkelijk voor ons. Om een voorbeeld te noemen: in Duitsland moeten zeer grote investeringen worden gedaan om een verbinding te maken tussen het noorden van Duitsland en het zuiden van Duitsland. Ik heb in de krant al bedragen gelezen van 10 miljard en meer. Dat zal in Duitsland dus allemaal nog doorvertaald moeten worden in de Duitse tarieven. Wat schiet ik ermee op als ik de Nederlandse burgers hoge tarieven laat betalen voor investeringen die in Duitsland gedaan moeten worden? Ik denk dat het redelijker is om ervoor te zorgen dat wij onze eigen tarieven op orde hebben. We kunnen op dit moment vaststellen dat de Nederlandse burgers per saldo 30% minder voor hun elektriciteit betalen dan de Duitse burgers, dat dit ook bij de kleine mkb-bedrijven in die orde van grootte ligt en dat er een probleem ligt bij de energie-intensieve bedrijven, maar dat we met de door mij aan het begin van de beantwoording geschetste zes beleidsonderdelen ons best doen om op dat punt een forse verbetering aan te brengen. Ik denk dus dat wij doen wat op dit moment redelijkerwijs gedaan moet worden en dat we, als we naar zo'n Europees tarief zouden gaan, wat ook door anderen is bepleit, geen goede zaak doen voor Nederland.

De heer Paulus Jansen (SP): Dat was mijn vraag niet. Mijn vraag was hoe de analyse van de kostenstructuur van het Nederlandse netwerk of eigenlijk de netwerken – gas en elektriciteit – eruitziet. Die analyse zie ik graag alsnog gemaakt worden, zodat we de kostenoriëntatie – die is ook voor de Minister het uitgangspunt – nog tegen het licht kunnen houden in relatie tot onze strategische doelen, bijvoorbeeld het op lange termijn bevorderen van de efficiency. Daarvoor is een goede kostenstructuur nodig. Ik herinner de Minister eraan dat de SP-fractie een van de weinige fracties was die destijds heeft gewaarschuwd voor de positie van TenneT in Duitsland, die ons inmiddels per saldo aardig wat geld heeft gekost. Op dat punt delen wij dus onze voorzichtigheid.

De voorzitter: Dat was een concreet verzoek.

Minister Kamp: TenneT in Duitsland kost ons geen geld, maar levert ons geld op. Dat is dus een misverstand bij de heer Jansen. Verder heb ik zijn vraag wel degelijk beantwoord, want het is natuurlijk mogelijk om allerlei dingen erbij te halen. Mevrouw Van Tongeren haalde de lokale elektriciteitsproductie erbij; dat deed mevrouw Van Veldhoven ook. De heer Jansen haalt er nu het punt van de tariefopbouw bij. We kunnen er van alles bij halen. We kunnen verder van alles onderzoeken en specificeren, maar het moet voor ons ook behapbaar zijn.

Ik denk dat we met het energieakkoord en met de ambities in het regeerakkoord al heel veel te doen hebben en dat we niet alles tegelijk overhoop moeten halen. Ik ben dus niet van plan om op dit moment te gaan doen wat de heer Jansen vraagt, ook een beetje geprikkeld door zijn stelling dat mijn verhaal tot dusver erop neerkomt dat het maar een zootje is en dat we in het wilde weg iets aan het doen zijn. Het is geen zootje. We stellen vast dat bedrijven die veel elektriciteit afnemen en dat op een vlakke manier door het jaar heen doen, een bijdrage leveren aan het laag houden van de kosten voor het netbeheer. Dat willen wij graag doorvertalen in hun tarieven, waarbij we als uitgangspunt de regeling nemen die ook in Duitsland bestaat, de 90%-regeling. We vertalen dat in een substantieel bedrag, zijnde 21 miljoen op een totaal van 120 miljoen aan systeemdiensten. Dat kun je moeilijk een zootje noemen. Dat is gewoon goed doordacht.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik heb de woorden van de Minister even goed op mij laten inwerken. Als ik het goed heb, zei de Minister: zon en wind helpen niet om het systeem stabiel te houden en dat is een van de redenen waarom ik me nu niet wil buigen over energiecoöperaties en hun transportkosten. De grote energieproducenten, of het nu van kolen of van gas is, en de grote producenten die wind en zon gebruiken, hebben echter een totale vrijstelling. Alle grote producenten van energie hebben een vrijstelling op transportkosten. Waarom die hele kleintjes, die nauwelijks kosten veroorzaken, dan niet?

Minister Kamp: Maar dat heb ik toch al twee keer gezegd? Die grote elektriciteitsafnemers zorgen voor een basis van stabiliteit, waardoor de kosten laag zijn. De kleine, lokale initiatieven die wind- en zonne-energie benutten en daar elektriciteit van maken, zorgen juist voor pieken en dalen, waardoor de kosten veroorzaakt worden. Het is dus heel raar om, als je bezig bent om het probleem op te lossen, in die oplossing het probleem nog groter te maken. Dat wil niet zeggen dat we de lokale energie en alles wat daaromheen aan de orde is, zoals aansluitkosten en tarieven, niet op een verstandige manier met elkaar kunnen bespreken. Ik zou dat echter niet willen doen in het verband van dit wetsvoorstel. Dat zou ook niet logisch zijn.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Het Nuon-windpark hoeft niets te betalen om de windstroom uit dat windpark op het hoogspanningsnet te krijgen. Dat park is vele malen groter dan die paar energiecoöperaties in Nederland die plannen hebben om dit te gaan doen. Wat zij willen, is een ongelofelijk stuk kleiner en de eventuele kostenbesparing is 0,00001. De kosten kunnen ons de kop niet kosten en het betekent wel dat een groep ondernemers die graag aan de slag wil, aan de slag kan. We hebben daar eerder over gewisseld. Dit hele wetsvoorstel gaat over transportkosten en over het rechtvaardiger verdelen van zaken. Dan begrijp ik niet waarom de grote jongens die windstroom invoeren, niets betalen en de hele kleintjes wel zouden moeten betalen.

Minister Kamp: Nu maakt mevrouw Van Tongeren het nog ingewikkelder. Zij heeft er eerst de kleine, lokale energieproductie bij gehaald en nu wil zij de grote windparken er ook nog bij halen. Ik zou dat niet doen. Wij kunnen natuurlijk over de grote windparken en de kleinere, lokale initiatieven allerlei dingen bespreken, maar hier spreken we over het bijdragen aan lage beheerskosten, hoe we dat vervolgens gaan vormgeven en wat we daarmee kunnen bereiken voor het level playing field. Als je al allerlei dingen in het energieakkoord en in het beleid met betrekking tot lokale energieopwekking besproken hebt, is het helemaal niet verkeerd om ook dit reële probleem te bespreken. Dan hoef je niet meteen dat andere er weer bij te halen, want zo maak je alles voor jezelf ingewikkeld en kom je uiteindelijk niet tot resultaten.

De voorzitter: Gaat u verder.

Minister Kamp: Ik heb gesproken over de verschillen met Duitsland en over de maatregelen die wij nemen voor een level playing field. Ik heb ook besproken waarom we voor deze systematiek hebben gekozen.

In dit voorstel gaan wij, zoals onder anderen mevrouw Van Veldhoven zei, het systeemdienstentarief en het transporttarief samenvoegen tot één tarief. Ik denk dat het goed is om dat meteen te doen omdat wij op die manier de regeling die wij beogen, namelijk recht doen aan wat ik net heb toegelicht en dat meer specifiek toegespitst op een aantal bedrijven in het licht van hun positie op de markt, beter kunnen realiseren als het systeemdienstentarief en het transporttarief worden samengevoegd. Bijkomend voordeel is dat je dan een systeem hebt dat ook al in de meeste Europese landen geldt en dat de administratieve lasten daardoor ook nog wat minder worden. Daarom maakt dit onderdeel uit van het wetsvoorstel.

Ik heb al aangegeven hoe het zit met het verschil tussen die 21 miljoen en de 3,5 miljard.

Ik ga nu in op de diverse vragen en opmerkingen. Mevrouw Van Tongeren zegt dat het hier eigenlijk om industriepolitiek gaat. Ik denk dat wij daarover voldoende hebben gesproken. De werkgelegenheid, het milieu en al dat soort dingen zijn voor alle partijen van belang, ook voor de fractie van GroenLinks, schat ik in. Dus ik denk dat zij er ook begrip voor zal hebben dat behalve duurzaamheid, nog andere dingen op een gegeven moment om aandacht vragen. Je kunt het ene steunen, maar dat wil niet zeggen dat je het andere niet ook zou kunnen steunen.

Een aantal woordvoerders heeft gezegd dat een race to the bottom voor wat betreft subsidiëring zeer ongewenst is. Ik ben het daar van harte mee eens. Als wij echter helemaal los van de rest van Europa komen te staan, schieten wij ook maar weinig op. Wij volgen de doelstellingen in Europa voor duurzame energie. Dit houdt ook in dat je in de overgangsperiode moet subsidiëren tot een situatie van marktwerking is bereikt waarin duurzame energie gelijk kan opgaan met fossiele energie, een situatie die uiteindelijk ook door het ETS moet worden bevorderd. Die subsidiëring moet op een zo goedkoop mogelijke manier gebeuren, een manier die de burgers en de energieafnemers zo min mogelijk geld kost. Dat systeem hebben wij in Nederland opgezet. Intussen houden wij het level playing field in de gaten.

Wij zorgen ervoor dat wij in Europa zo snel mogelijk tot een gezamenlijk energiebeleid komen. Wij wachten niet op Europa als geheel. Wij kijken ook naar Noordwest Europa. Wij wachten ook niet op Noordwest Europa. Wij zijn ook al bezig met Duitsland. Wij doen op alle niveaus alles om te komen tot gezamenlijk beleid en om een race to the bottom te voorkomen. Intussen zijn wij wel verstandig en houden wij het Nederlandse belang in de gaten.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Wij zien nu dat alle tarieven omlaag gaan omdat de landen niet duurder willen zijn dan de concurrent. Als nu in Duitsland grote investeringen binnenslands moeten worden gedaan en de kosten daarvan vervolgens worden verwerkt in de binnenlandse tarieven, zal de Minister dan aansluiten bij het weer verhogen van de tarieven? Anders lopen wij hier geld mis en wentelen wij dat af op kleine bedrijven terwijl dat niet meer nodig is.

Minister Kamp: Nee, want de Duitsers waren echt van plan die kosten helemaal weg te houden van de energie-intensieve bedrijven. Nu willen zij die voor 90% weghouden van de energie-intensieve bedrijven. Dus als die kosten heel hoog worden en 10% van die kosten komt bij de energie-intensieve bedrijven terecht, dan worden die niet zo geraakt. De Duitsers hebben er tot nu toe voor gekozen om die kosten vooral bij de burgers en de kleine bedrijven neer te leggen. Of zij dat in de toekomst volhouden, weet ik niet, maar ik heb daar wel mee te maken op dit moment. Erger nog, het gaat niet zozeer om de vraag waarmee ik te maken heb, als wel om de vraag waarmee de raffinaderijen, zinkbedrijven, aluminiumbedrijven, staalbedrijven en de chemische industrie te maken hebben. Daar hebben wij het op dit moment over.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Dat klopt, maar ik vroeg de Minister naar het principe. Als je elkaar volgt naar beneden, volg je elkaar dan ook weer omhoog, is de principiële vraag die ik aan de Minister stel.

Dat brengt mij op een tweede vraag. Een kortingspercentage zegt niets over de absolute basis. Dus wij kunnen het kortingspercentage wel op hetzelfde stellen, maar als het absolute bedrag heel anders is, hebben wij nog steeds geen gelijke tarieven. Voor de bedrijven is het dus van belang dat die tarieven in absolute zin gelijk zijn en niet zozeer dat de kortingspercentages gelijk zijn.

Minister Kamp: Ja, maar daar spelen wel andere zaken mee.

Wij hebben in Nederland de zaak al goed op orde. Nederland kent nadelen, omdat wij hier met veel mensen op een kleine oppervlakte bij elkaar zitten. Wij kennen ook voordelen, bijvoorbeeld bij het realiseren van transportinfrastructuren zoals de gasinfrastructuur en de elektriciteitsinfrastructuur. Wij hebben die zaken al zeer goed op orde en het is ook relatief gemakkelijk in een land als Nederland. Andere landen hebben dit minder goed op orde en moeten dus nog heel fors investeren. Als wij nu gaan pleiten voor een Europees tarief, betekent dat dat Nederland eerst al voor de Nederlandse investeringen zou hebben betaald en daarna nog een opslag zou krijgen in verband met de kosten die in andere landen moeten worden gemaakt. Dat lijkt mij niet goed. Als er Europees beleid komt, denk ik dat het op de lange duur goed is om ook de transporttarieven Europees te bezien. Maar voor zover ik het nu kan overzien, is mijn oordeel dat wij, vanuit ons Nederlands belang geredeneerd, er belang bij hebben om vooral te zorgen voor onze eigen kostenstructuur en op grond daarvan onze tarieven vast te stellen.

De vraag van mevrouw Van Tongeren over de kleine bedrijven heb ik al beantwoord. Ook ben ik ingegaan op de interconnectiecapaciteit. Over de evaluatietermijn van vier jaar het volgende. Mevrouw Van Veldhoven sprak over een evaluatietermijn van vijf jaar. Ik ben er niet op uit om op dit moment onzekerheid te creëren. Ik wil graag zekerheid creëren. Zekerheid met betrekking tot de energie-intensieve industrie is voor mij dat ik van haar verwacht dat ze energie-efficiënt is. Dat is ze ook vaak. Ik verwacht dat ze nog energie-efficiënter wordt en dat ze ieder jaar verbeteringen op dat gebied realiseert. Als wij de industrie daarin tegemoetkomen, worden daaraan voorwaarden over energie-efficiency gekoppeld, maar ik wil haar ook graag de zekerheid geven dat wij op alle mogelijke manieren echt ons best doen om in Europa een level playing field te creëren. Ik zit er niet op te wachten om daar nu weer met een evaluatie onzekerheid in te brengen. De Kamer heeft natuurlijk altijd het recht om te zeggen dat zij op enige termijn een evaluatie wil. Deze regeling van 21 miljoen op 3,5 miljard is van belang voor een aantal bedrijven die het toch al moeilijk hebben, dus ik zou het gewoon zo doen en hun daarmee die zekerheid bieden. Als de Kamer van mening is dat er toch een evaluatie moet worden ingebracht, wacht ik dat wel af en zie ik het wel. Het heeft niet mijn voorkeur om dat te doen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik begrijp niet zo goed waarom de Minister het niet belangrijk vindt om, als we met andermans geld bedrijven moeten helpen, over een periode van vier jaar te bekijken of dat nog steeds nodig is. Op allerlei andere beleidsterreinen hoor ik deze en andere Ministers zeggen dat je van tijd tot tijd even de vinger aan de pols moet houden en moet bekijken of vormen van steun nog nodig zijn, of de verdeling nog adequaat is, of het helpt en of het misschien wel meer zou moeten zijn. Waarom zo'n duidelijk njet tegen een evaluatie van deze regeling?

Minister Kamp: Ik vind niet dat wij met andermans geld bedrijven aan het helpen zijn. Ik vind dat wij bedrijven recht doen door de bijdrage die zij leveren aan het drukken van de kosten, te vertalen in een vorm van tariefkorting. Dat is de redenering achter dit wetsvoorstel. Dat is niet de redenering van mevrouw Van Tongeren van zojuist.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Het klopt dat de Minister dat niet heeft gezegd. De VVD-fractie noemde dit in de Kamer wel een noodverband; misschien ben ik daar te veel op doorgegaan. Maar stel dat het over vier jaar omhoog zou moeten, dat dan blijkt dat de diensten die deze bedrijven leveren eigenlijk nog veel meer waard zijn; zou het dan niet handig zijn om te evalueren of het goed is, of we zo moeten doorgaan, of het omhoog moet, of het inmiddels wat naar beneden kan omdat een aantal van de factoren waaraan de Minister werkte, inmiddels zijn opgetreden? Waarom evalueren we bij een heleboel wetsvoorstellen wel en hierbij niet?

Minister Kamp: Omdat ik het gewenst vind om een duidelijk signaal te geven aan de energie-intensieve bedrijven, die het moeilijk hebben. Zij moeten op een wereldmarkt concurreren, terwijl in Amerika de energieprijzen op dit moment drie keer zo laag zijn als in Nederland en in het Midden-Oosten een enorme chemische industrie en raffinagecapaciteit worden opgebouwd, terwijl men daar boven op gasbellen en oliebellen zit en dicht bij een industriële productie kan opbouwen. In zo'n wereldmarkt moeten die Nederlandse bedrijven concurreren. Ik ben niet ingehuurd voor de werkgelegenheid in het Midden-Oosten en ook niet voor die in China of in Amerika. Van mij wordt verwacht dat ik opkom voor de werkgelegenheid in Nederland. Ik doe wat van belang is voor de werkgelegenheid in Nederland; dat is wat van mij mag worden verwacht.

Misschien is het goed als ik hier meteen iets anders bij neem wat mevrouw Van Tongeren zei, namelijk dat we in 1996 hebben besloten dat we het bedrijf ALDEL tot 2006 zouden helpen. Zij vroeg waarom ik dat niet nog een keer doe. Ik geloof niet dat het verstandig is om één bedrijf er specifiek uit te pikken. Er zijn meerdere bedrijven waar verlies aan de orde is en waar de marktpositie en de werkgelegenheid onder druk staan. Het gaat mij om de gehele sector van de energie-intensieve industrie die concurreert op de wereldmarkt als geheel. Daar hoort ALDEL bij maar daar horen ook andere bedrijven bij. Ik denk dat het goed is om te proberen al die bedrijven zo veel mogelijk recht te doen.

Mevrouw Van Tongeren heeft gevraagd waar ik dit voorstel op baseer als ik geen informatie heb over Duitsland. Welnu, ik heb alle informatie over Duitsland die ik nodig heb. Op dit moment is in Nederland de korting op de transporttarieven 0% en in Duitsland is er een korting van 100% op de transporttarieven. Dat is waar het mij om gaat. Uitgaande daarvan ben ik nu bezig om de zaak te corrigeren. Natuurlijk kun je daar van alles en nog wat bij halen om het ingewikkeld te maken – ik bedoel dat niet negatief in de richting van mevrouw Van Tongeren – maar het gaat er nu even om te doen wat nodig is.

Verder heeft mevrouw Van Tongeren gesproken over de contrafactor in relatie tot met name de schone energie. Zij heeft gezegd dat met een bedrijf dat schone energie produceert ook rekening zou moeten worden gehouden bij de regeling die nu getroffen wordt om de bedrijven een korting te geven. Dat zou echter niet goed zijn. Mevrouw Van Tongeren zegt dus dat als een energie-intensief bedrijf een aantal windmolens neerzet, dit bedrijf dezelfde kortingen zou moeten krijgen als een bedrijf dat deze windmolens niet plaatst. De redenering van dit wetsvoorstel is juist dat het erom gaat welke bijdrage je levert aan het verlagen van de beheerskosten. En dat doe je door een heel stabiel afnamepatroon. Als je duurzame energie gaat produceren, wat zeer te prijzen is, is het bijkomende effect wel dat dat patroon minder stabiel wordt. Ik denk dat we dat gewoon onder ogen moeten zien. We hebben nog een veel ruimere regeling om duurzame energie te stimuleren, te weten de SDE-plusregeling. Dus als een bedrijf genoegen neemt met iets minder korting wat betreft de voorliggende regeling omdat het een grotere tegemoetkoming krijgt uit de SDE-plus door zelf duurzame energie te gaan produceren, dan is dat iets waar zo'n bedrijf zelf voor kan kiezen. Ik laat dat graag aan het bedrijf zelf over.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik heb mij waarschijnlijk in mijn bijdrage niet helder genoeg uitgedrukt. Ik wil niet een extra stimulering voor schone energie. Ik wil alleen hetzelfde bereiken wat nu bereikt wordt voor de wkk. Er wordt gezegd dat het niet zo moet zijn dat bedrijven een deel van de 21 miljoen niet meer krijgen alleen omdat ze gebruikmaken van wkk. Dat laatste is namelijk ook iets wat we graag willen. Ik vroeg de Minister om diezelfde redenering uit te breiden naar bedrijven die al schone energie hebben of voornemens zijn om dat te realiseren. Dus ik zoek niet naar extra subsidie. Ik wil alleen niet dat dergelijke bedrijven strafpunten krijgen omdat ze gebruikmaken van schone energie onder deze regeling.

Minister Kamp: Wkk is een onderdeel van het productieproces van zo'n bedrijf. Zo'n bedrijf ziet een mogelijkheid om binnen zijn productie een bepaalde maatregel te nemen waardoor de zaak qua energie-efficiency beter uitpakt. Zo'n productieproces mag je niet verstoren. Iets anders is dat je los van dat productieproces duurzame-energieproductie gaat organiseren op je eigen bedrijventerrein of iets verderop. Dat is een keuze die je kunt maken. Ik wijs in dit verband op het feit dat we daarvoor een aparte regeling hebben, namelijk de SDE-plusregeling op basis waarvan men daarin tegemoetgekomen kan worden. Opnieuw pleit ik ervoor om de grote lijn van dit voorstel in de gaten te houden. Ik zie best dat er allerlei andere dingen zijn die je verder kunt verfijnen en nuanceren maar waarom zouden we dat doen? Waarom zouden we iets wat nodig is voor een level playing field en voor de werkgelegenheid in Nederland en waarmee je recht doet aan een bijdrage aan kostenbeheersing die bedrijven leveren, niet gewoon doen?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik begrijp de bedoeling van de Minister. Ik stel deze vragen niet omdat ik de Minister de hele avond wil bezighouden met zinloze vragen, maar omdat ik probeer vooruit te kijken. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat je nu dingen moet doen om acute problemen op te lossen, maar dat je die dan wel zo moet opzetten dat je daarmee niet de beweging die deze regering wil maken naar schone energie klemzet. De Minister vindt het gebruik van restwarmte op een bedrijventerrein logisch, maar het gebruik van de daken van een fabrieksgebouw op datzelfde terrein vindt hij heel iets anders. Ik zie het verschil niet. Wat maakt het uit of het bedrijf zijn restwarmte nuttig gebruikt of zijn lege daken volzet?

Minister Kamp: Ik merk allereerst op dat mevrouw Van Tongeren, zoals altijd, geen onzin beweert. Je kunt daar wel degelijk over discussiëren. Het ene is onderdeel van het productieproces en het andere is dat niet. Voor datgene wat onderdeel is van het productieproces, heb ik die verfijning aangebracht. Ik doe het niet voor het realiseren van duurzame-energieproductie, omdat dat nog weer een stap verder gaat.

Mevrouw Van Veldhoven heeft gevraagd of dit Brussel-proof is, of dit allemaal overeind blijft. De redenering dat er een bijdrage wordt geleverd aan het drukken van de kosten en dat die bijdrage wordt doorvertaald in de tarieven, is een goede redenering. Dat heb ik al toegelicht. Maar als je daar duurzame energie bijhaalt, waarvan iedereen weet dat het geen bijdrage levert aan het stabiel houden van het patroon maar juist zorgt voor pieken en dalen daarin, dan breek je dus je eigen redenering af. Dat wil ik niet doen. Ik wil die redenering zo zuiver mogelijk houden.

Mevrouw Van Tongeren zegt dat het niet 100% zuiver gebeurt, omdat er binnen het productieproces toch sprake is van een tegemoetkoming. Dat klopt. Maar het zou raar zijn om binnen het productieproces dingen die voor energie-efficiency zorgen, te laten liggen. Buiten dat productieproces, waarvoor we ook nog eens een andere stimuleringsregeling hebben, is dat een ander verhaal. Daarom heb ik de regeling zo gemaakt.

De heer Leegte heeft aangegeven dat Nederland met het energieakkoord zijn rug naar Europa heeft gekeerd. Wij hebben juist met het energieakkoord, met name met pijler 4 van het energieakkoord – een van de grote pijlers – aangegeven dat wij de noodzaak zien voor meer Europese samenwerking. Dat is een van de basisgedachten achter het energieakkoord. Dat wordt ook vertaald in de aanleg van de transportnetten, in de manier waarop de kosten verdeeld moeten worden, het stimuleren van de interconnectoren, het koppelen van de energiemarkten en het afstemmen van het energiebeleid. Van al die onderdelen is in het energieakkoord gezegd dat die in Europees verband moeten worden gedaan en dat wij ons daar in de Nederlandse samenleving met zijn allen voor zullen inzetten. Het feit dat we daar in de samenleving brede steun voor hebben gekregen, versterkt ook onze positie in Europa. Wij kunnen zeggen: wij hebben een energiebeleid voor de wat langere termijn, waarvoor wij politieke steun hebben in de volksvertegenwoordiging en maatschappelijke steun blijkens het energieakkoord. Op grond hiervan kunnen wij met andere landen zaken doen. Het blijkt ook dat de regeling die wij gekozen hebben, heel goed aansluit bij datgene wat nu in Europa en in Noordwest-Europees verband bepleit wordt. Ook de wijzigingen die op dit moment in Duitsland aan de orde zijn, sluiten daar goed bij aan. Ik denk dat we het met het energieakkoord juist mogelijk maken om in Europees verband verder te komen. Dat is ook zeer wenselijk.

De heer Van Leegte wil ook op het volgende punt een toezegging hebben. Hij heeft gezegd dat je er bij de Europese richtlijnen voor moet zorgen dat je voor de energie-intensieve industrie steeds de meest gunstige keuzes maakt. Ik vind dat wij vervolgens de afwegingen voor de Kamer inzichtelijk moeten maken, maar ik kan niet zeggen dat die afwegingen altijd per definitie in het voordeel van energie-intensieve bedrijven zullen uitvallen. Er zijn ook andere belangen waarmee wij rekening moeten houden. De heer Leegte kent die belangen ook, omdat hij die bij andere gelegenheden terecht aandacht geeft. Ik ben zeer gemotiveerd om aan de energie-intensieve bedrijven recht te doen door te zorgen dat wij bij de versterking van het ETS-systeem de energie-intensieve exportindustrie een aparte positie geven. Ik ben zeer gemotiveerd om te doen wat ik kan om het level playing field te bevorderen voor die energie-intensieve bedrijven, in vergelijking met Duitsland, op Europees niveau en als het even kan op wereldschaal. Maar ik kan niet bij voorbaat garanderen dat iedere beslissing er altijd toe leidt dat dit voor de energie-intensieve industrie het meest gunstig uitpakt. Die afweging moet daar ook altijd worden gemaakt.

De heer Jansen heeft gezegd dat de toekomst van de energie niet gebaat is bij subsidiëring. Dat ben ik met hem eens. Op lange termijn moet het de markt zijn die zijn werk goed doet en moet duurzame energie concurreren met fossiele energie, op zodanige wijze dat we onze klimaatdoelen ook realiseren. Alleen in de opbouwperiode om die duurzame energie van de grond te krijgen is die subsidiëring wel van belang.

Op de onderbouwing ben ik ingegaan. De heer Jansen zei dat hij vindt dat de kleinverbruikers te veel opdraaien voor de netverliezen die worden gemaakt. De heer Jansen zei verder dat de SP dit punt al vaker naar voren heeft gebracht. Ik vraag hem ook hier om zijn ongeduld even op te zouten, om het ondiplomatiek te zeggen. Er zijn vele gelegenheden om dit punt naar voren te brengen. De heer Jansen is zeer vaardig om dat te doen, maar dat is niet het onderwerp van dit wetsvoorstel. Ik denk dat dit wetsvoorstel ook door de heer Jansen op zijn merites zou kunnen worden beoordeeld.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg zich af wat het probleem is. Ik denk dat wij daarover voldoende hebben gesproken. Ze vroeg zich af met betrekking tot de vorm wat wij daar nu voor gedaan hebben te verdedigen is. Ik hoop dat ik dat inmiddels heb aangegeven.

Zij vroeg in het bijzonder aandacht voor de liquiditeitsproblemen bij de regionale netbeheerders als gevolg van het feit dat de ACM voor drie jaar de tarieven voor hen heeft vastgesteld, terwijl er nu verandering in die tarieven optreedt, waardoor een liquiditeitsprobleem bij de regionale netbeheerders van 100 miljoen per jaar ontstaat. Het is juist wat mevrouw Van Veldhoven hierover heeft gezegd. Vandaar dat ik bij nota van wijziging ook een oplossing daarvoor heb voorgesteld aan de Kamer.

Verder heeft mevrouw Van Veldhoven ook gesproken over de toekomst. Ik heb haar geantwoord hoe ik tegen de nettarieven aankijk waarover zij sprak. Zij heeft zich afgevraagd of wij voor de toekomst niet flexibiliteit moeten gaan honoreren, namelijk door bedrijven die op een gegeven moment afkoppelen daarvoor te belonen. TenneT treft daarvoor al regelingen met bedrijven. Er zijn bedrijven waaraan op een gegeven moment wordt gevraagd dit te doen en die daarvoor een tegemoetkoming ontvangen. Het hele technische beheer van het netwerk, met grootverbruikers die met een tweehonderdtal bedrijven 54% van alle elektriciteit in Nederland afnemen maar waarop ook steeds meer duurzame energie komt, met pieken en dalen, afhankelijk van wind en zon, is een complex geheel, waarbij verschillende aspecten in de gaten moeten worden gehouden. Dit aspect is nu aan de orde. Het aspect dat mevrouw Van Veldhoven noemde, is zeker zo relevant. Het krijgt dus ook al aandacht en zal mogelijk in de toekomst in een breder verband extra aandacht moeten krijgen.

Mevrouw Klever heeft aangegeven dat zij het wetsvoorstel kan steunen. Zij steunt het beleid van het kabinet niet, maar zegt: aan het beleid dat ik wil, levert dit tenminste een kleine bijdrage. Daarom zal zij dit wel kunnen steunen en dat stel ik op prijs. Mevrouw Klever vroeg ook: wat doe je nu in verband met die 500.000 banen die volgens Deloitte op de tocht staan? Waar zij waarschijnlijk op doelt, is een rapport dat Deloitte heeft opgesteld over de chemische industrie in Nederland. De chemische industrie in Nederland zit in de verdrukking, als onderdeel van de chemische industrie in heel Europa. Op dit moment is in Amerika de kostprijs laag, zowel van de energie als van de grondstoffen. Beide halen ze die uit schaliegas. Wij hebben dat niet – nog niet – in Europa. In het Midden-Oosten wordt een enorme capaciteit opgebouwd, omdat men daar eigenlijk de beschikking heeft over gratis energie. Ze kunnen daar bezien hoeveel ze daarvan op grond van de wereldmarktsituatie in de prijs van de producten kunnen doorberekenen. Ze hebben voor zichzelf uitgemaakt dat ze de energie kunnen exporteren, maar ook omzetten in producten en dan de producten exporteren. Dan kunnen ze daar nog meer mee verdienen. Dat is ook een groeiende concurrent.

In dat geheel zit de chemische industrie in Europa in de verdrukking, maar dat hoeft niet per definitie zo te blijven. Amerika is onderdeel van de wereldmarkt, dus enige correctie voor wat betreft de verschillen tussen de prijzen in Amerika, Europa en Azië zal optreden. Verder maakt Nederland onderdeel uit van de zogenaamde ARRRA-cluster. Dat is de cluster van de chemische industrie van Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Nederland. Het is op dit moment de sterkste cluster van de wereld, waar heel veel aan elkaar verbonden is. Vanwege het feit dat wij die cluster hebben, hebben wij wel degelijk ook in Nederland mogelijkheden om de positie van de chemische industrie in de huidige wereldmarkt te verbeteren. De markt is dichtbij, de afnemers zitten dichtbij en de toeleveranciers van de bedrijven zitten dichtbij. Door slim te werken kun je kosten drukken en je marktpositie verbeteren. Ik ben met de chemische industrie in overleg hoe wij dit in het verband van Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nederland kunnen doen.

Ook binnen Nederland hebben wij een aantal clusters. Er is er een in Limburg, waar ik vanavond nog naartoe ga. Er is er een in Rijnmond, een in Zeeland en een in het noorden van het land. Wij hebben dus een aantal clusters in Nederland, waar door bedrijven al goed gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om elkaar te versterken. Er zijn nog aanvullende opties in beeld. Wat wij nu doen, is via gerichte acquisitie in het buitenland en via het gericht bevorderen van nieuwe activiteiten van Nederlandse bedrijven die clusters verder versterken. Zo proberen wij binnen onze mogelijkheden, gegeven de moeilijke situatie van dit moment op de wereldmarkt voor de chemische industrie, zo veel mogelijk te doen om de bedrijven in Nederland een zo sterk mogelijke positie op die wereldmarkt te laten innemen.

De heer Vos heeft gesproken over de terugwerkende kracht en over de lokale energie en de aansluitkosten. Hij heeft van mij begrepen dat ik dat absoluut niet wegpraat, maar dat ik er graag in een ander verband over blijf praten hoe wij de lokale energie en de daaraan verbonden kosten recht kunnen doen. Bij het stimuleren van de lokale energie moeten wij ons realiseren dat de rekening uiteindelijk altijd weer door anderen moet worden betaald. Je moet ook het belang van degenen die van de lokale energie profiteren afwegen tegen het belang van degenen die de rekening daarvoor moeten betalen. Wij hebben daarvoor een afgewogen beleid. Wij hebben daar al eerder met elkaar over gesproken en wij zullen er nog verder met elkaar over spreken.

De voorzitter: Er ligt een drietal amendementen. Het laatste is zojuist rondgedeeld. Ze zijn alle drie ingediend door GroenLinks.

Minister Kamp: Laten wij even kijken. Ik heb hier het eerste amendement voorliggen van mevrouw Van Tongeren.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. Ik onderbreek even. Het derde amendement wordt nog verspreid in de zaal?

De voorzitter: Dat is al geschied, het is het amendement op stuk nr. 11.

De heer Paulus Jansen (SP): Dat heb ik dan gemist. Excuus.

De voorzitter: Heeft iedereen het ontvangen? Ja? Oké. De Minister heeft eveneens alle drie amendementen voorliggen.

Minister Kamp: Voorzitter. Ik begin met het amendement-Van Tongeren op stuk nr. 8 over het punt dat we net al hebben besproken. We hebben dat naar aanleiding van interrupties van mevrouw Van Tongeren kunnen uitdiepen met elkaar. Wat zij wil, is degenen die het probleem veroorzaken, ook tegemoetkomen, terwijl het de bedoeling van dit voorstel is om in de vorm van een korting recht te doen aan degenen die het probleem helpen oplossen door de kosten zo laag mogelijk te houden. Mevrouw Van Tongeren heeft aangegeven hoe zij daar tegenaan kijkt. Ik heb aangegeven hoe ik daar tegenaan kijk. We zijn het daar dus niet over eens en vandaar dat ik haar amendement op dit punt ontraad.

Het volgende amendement van mevrouw Van Tongeren, op stuk nr. 9, betreft de coöperaties en de lokale energie. Het is zo dat degenen die lokale energie produceren, ook energie leveren en energie afnemen. Als zij elektriciteit afnemen, profiteren ze van het netwerk dat daarvoor is. Dat netwerk moet in stand worden gehouden. Het is logisch dat iedereen op een redelijke manier bijdraagt aan de kosten van het netwerk als geheel. Dat geldt, denk ik, ook voor de lokale energieproductie. Daar moet dus een zorgvuldige afweging gemaakt worden. Dat zullen we ook doen en dat gebeurt ook op dit moment. Over de regeling voor lokale energie hebben we al gesproken en daar zullen we nog een keer opnieuw over spreken. Ik vind het echter niet passen bij dit wetsvoorstel om op een onderwerp dat in het wetsvoorstel niet behandeld is, met een amendement een tegemoetkoming te realiseren. Het lijkt mij veel beter om bij het bespreken van de lokale energie te gaan besluiten over het geheel aan voor- en nadelen van de lokale energie en de manier waarop dat rechtgedaan moet worden in het bepalen van de hoogte van aansluittarieven en transporttarieven. Vandaar dat ik dit amendement bij het voorliggende wetsvoorstel ontraad.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. De Elektriciteitswet wordt niet elke maand herzien. Omdat we nu met een herziening bezig zijn, heb ik daar maar bij aangesloten. Het gaat hier echt alleen om lokale producenten die alleen leveren. Dat is de gelijkstelling die ik vraag. Ik begrijp ook dat je een ander tarief hebt als je levert én gebruikt. Ik heb gekeken naar de grote leveranciers van stroom, zowel kolenstroom als schone stroom. Die zijn allemaal vrijgesteld, maar de kleintjes die alleen leveren, zijn dat niet. Dat is het enige wat dit amendement beoogt. Ik ben bereid om de formulering aan te passen als de Minister daarin enige verduidelijking wil, maar het is echt alleen bedoeld voor coöperaties die leveren.

De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Van Veldhoven iets wil zeggen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik heb een vraag aan mevrouw Van Tongeren. Ik probeer het mij voor te stellen. Iemand heeft zonnepanelen op zijn dak en maakt onderdeel uit van een coöperatie die alleen wil leveren aan het net. Dat je zonnepanelen op je dak hebt, is toch voor eigen gebruik bedoeld? Dus dan trek je toch ook uit het net? Of zou je dan een elektriciteitsaansluiting moeten aanvragen die maar één kant op werkt?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dat is volgens mij precies het probleem van de dubbele aansluitingen die op dit moment geëist worden. Als je van die dubbele aansluiting af bent, is dat ook een manier om het op te lossen, maar vooralsnog staat die dubbele aansluiting echt verankerd in de wet. Dit zou een oplossing zijn, maar mevrouw Van Veldhoven heeft gelijk: je kunt het eventueel ook de andere kant op wijzigen.

Daarom heb ik ook gezegd: dit kan er bij AMvB weer uit. Het is misschien net zo'n lapmiddel als een andere oplossing, maar het haalt een acuut probleem weg bij energiecoöperaties die, de een na de ander, besluiten om niet meer te investeren en niet door te gaan met hun plan. Het heeft dezelfde urgentie, want we behandelen niet elke week de Elektriciteitswet. Het is echt alleen voor energiecoöperaties die leveren.

De voorzitter: Voordat aan de kant van de Kamer een tweede termijn ontstaat, ga ik naar de Minister.

Minister Kamp: Ik ben daar zeer op tegen. Als de Kamer dit zou doen, dan zou dat geen zorgvuldige besluitvorming zijn. Ik weet ook niet of ik dat voor mijn rekening kan nemen. Als je praat over aansluitkosten voor lokale energieproductie en over transportkosten, dan moet je dat goed voorbereid en zorgvuldig doen voordat je daarover een standpunt inneemt. Hier ligt een voorstel voor dat gericht is op bedrijven met een enorme elektriciteitsafname en een stabiel afnamepatroon, wat bijdraagt aan lage kosten voor het beheer van het net. Ik vind het raar om daarover zonder voorbereiding en gedegen afwegingen besluiten te nemen zoals de besluiten die voorgesteld worden door mevrouw Van Tongeren. Ik ontraad het amendement van mevrouw Van Tongeren dan ook krachtig op dit moment.

De voorzitter: Dan het amendement op stuk nr. 11, waarover u net al wat heeft gezegd.

Minister Kamp: Dat amendement van mevrouw Van Tongeren gaat over de evaluatiebepaling. Ik heb aangegeven dat ik het belangrijk vind om een helder signaal af te geven aan de energie-intensieve industrie die op dit moment met allerlei problemen te kampen heeft. Wij doen dat niet met één signaal; wij geven een aantal signalen af. Daarmee zeggen wij: wij begrijpen wat er aan de hand is, wij vinden jullie belangrijk en binnen onze mogelijkheden komen we jullie op een verantwoorde manier tegemoet. Op het moment dat je die positieve signalen afgeeft die echt nodig zijn voor die bedrijven, moet je niet meteen weer onzekerheid creëren in de vorm van evaluatiebepalingen in de wet. Ik zit daar niet op te wachten. Ik kom niet met dat signaal. Ik laat het oordeel aan de Kamer over, uit respect voor de Kamer die altijd zelf het belang van een evaluatie kan afwegen. Mijn opvatting is evenwel dat we dat niet moeten doen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De Minister wijst heel duidelijk een evaluatie af, omdat daarmee een signaal van onzekerheid zou worden afgegeven aan de sector. Geldt hetzelfde niet voor de evaluatie van het salderen en de energiecoöperaties? Moeten groot en klein niet op een soortgelijke wijze behandeld worden? Op dat laatstgenoemde punt zit wel een evaluatiebepaling en die geeft onzekerheid. De Minister zegt, terecht, dat hij op dat andere punt geen evaluatie wil omdat dat onzekerheid geeft.

Minister Kamp: Ik wijs niet het houden van een evaluatie af. Ik snap heel goed dat de Kamer en de regering, als medewetgever, evaluatiebepalingen inbouwen. Ik begrijp ook heel goed dat wij eindigheid van wettelijke regelingen inbouwen. Het gaat er hier om dat de energie-intensieve industrie in Nederland met een moeilijke wereldmarktsituatie te maken heeft en met een moeilijke situatie op de Europese markt. Het is onze verantwoordelijkheid om behalve naar lokale energie en duurzame energie ook naar de werkgelegenheid te kijken. Met dit voorstel doen wij dat op een verantwoorde manier. Ik wil dat graag een helder signaal aan de industrie laten zijn. Ik probeer niet de argumenten van mevrouw Van Tongeren weg te praten door het amendement te ontraden. Ik zeg alleen dat ik dat niet zou doen. Ik laat het oordeel over het amendement aan de Kamer.

De heer Jan Vos (PvdA): Ik heb een vraag gesteld aan de Minister over het op een andere manier tegemoet komen van coöperaties, bijvoorbeeld met lagere transporttarieven of het schrappen van transporttarieven. Dat betreft niet zozeer het amendement. De Minister kan hierop ook in tweede termijn terugkomen, maar ik ben wel benieuwd naar de beantwoording van die vraag. Misschien heb ik die gemist, maar ik denk dat die niet aan de orde is gekomen.

Minister Kamp: Ik realiseer mij heel goed dat er op het punt van de lokale energie nog het nodige te verhapstukken is tussen de Kamer en mij. Er zijn een aantal vraagstukken. De heer Vos heeft er zelf een aantal genoemd, bij meerdere gelegenheden. Andere woordvoerders hebben dat ook gedaan. Ik moet gewoon met een inhoudelijke reactie daarop komen. Ik zal kijken hoe ik de verschillende punten die nu aan de orde zijn gesteld met betrekking tot lokale energie aan de Kamer kan verduidelijken en hoe ik met standpunten kan komen waar de Kamer vervolgens een opvatting over kan hebben.

Ik zal inventariseren wat er nog aan onduidelijkheid is en wat er aan gewenste duidelijkheid moet komen en ik zal daarvoor zorgen richting de Kamer.

De voorzitter: Dank u wel. Hiermee komt een einde aan de beantwoording in eerste termijn van de Minister. Er is ruim gelegenheid gegeven om te interrumperen, dus ik denk – ik hoop het; dat loopt een beetje door elkaar – dat wij naar een relatief korte tweede termijn kunnen. In de tweede termijn is het mogelijk om eventuele moties in te dienen. In ieder geval zijn er drie amendementen ingediend, waarover een helder oordeel is gekomen van de zijde van het kabinet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de heldere beantwoording. Hoewel ik het regelmatig inhoudelijk niet met hem eens was, heeft de Minister toch zijn best gedaan om het allemaal uit te leggen, ook bij herhaalde vragen, waarvoor dank.

Ik begrijp dat deze Minister de grootverbruikers op korte termijn wil steunen, domweg om de bv Nederland overeind te houden. In elke maatregel bouwen wij een extra rem in op «schoon». Ik heb een paar kleine punten gezien waarvoor ik de aandacht van de Minister heb gevraagd. Lukt dat niet in dit overleg – hij kent mij, hij kan op mij rekenen – dan zal ik in andere overleggen met deze voorstellen komen.

Wij hebben een fundamenteel verschillend begrip van het energienet. Ik heb mij zo goed mogelijk laten voorlichten. Mijn begrip van de stabiliteit van het net is dat het vooral gaat om het snel kunnen op- en afregelen het laatste kwartier voor de daadwerkelijke stroomafname wanneer TenneT moet inspringen. Ik heb niemand kunnen aantreffen die mij kan uitleggen dat het verschil maakt op het net, als tien middengebruikers hetzelfde stabiele profiel hebben als één grootverbruiker. Wellicht moet ik nog een keer bij de energieleveranciers langs om het mij nogmaals te laten uitleggen, want mij is dat niet duidelijk geworden. Snel op- en afregelen moet volgens mij meer beloond worden in plaats van die grote stabiele afname.

Ik heb een motie; ik blijf het gewoon dapper proberen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de wetswijziging volumecorrectie nettarieven een lastenverlichting wordt verzorgd voor de energie-intensieve industrie;

overwegende dat de energie-intensieve industrie een aanzienlijk aandeel heeft in het verbruik van fossiele energie;

overwegende dat de volumecorrectie nettarieven niet zou moeten leiden tot een nog hoger verbruik;

verzoekt de regering, de Wet Milieubeheer en de tegenprestaties onder de Energie-investeringsaftrekregeling voor deze bedrijven streng te handhaven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (33 777).

De heer Leegte (VVD): Voorzitter. Ik denk dat de Minister het goed zegt over de urgentie vandaag dat het een feit is dat bedrijven in Nederland niet kunnen concurreren met bedrijven in Duitsland. Wij delen met zijn allen dat dit te maken heeft met de hoge systeemkosten voor hernieuwbare energie. Duitsland belast die niet door en Nederland vanaf 1 januari ook niet wat de VVD betreft.

Voor de VVD is dit een waarschuwing dat het systeem uit de bocht vliegt. In september hebben wij een spoed-AO ALDEL gehad, zoals dat heette. De Minister heeft daar net als vandaag de vier punten genoemd waaraan wat hem betreft iets moet worden gedaan om de concurrentiepositie met Duitsland gelijk te schakelen. Hij heeft daarbij gezegd dat de korting van de één natuurlijk betaald moet worden door de ander. Dat is ook precies hoe wij de Minister kennen, die heel duidelijk aangeeft wat er is.

Alle partijen, waaronder D66, hebben het gezegd: de analyse van het probleem is glashelder. Het ligt aan de concurrentiepositie met Duitsland op het punt van de elektriciteitsprijzen en de aluminiumprijzen. Je kunt inderdaad een aantal dingen doen qua overbrugging en qua compensatie, maar uiteindelijk is er natuurlijk een structureel probleem, waarbij D66 de Minister alle ruimte geeft om te doen wat goed is, aldus de woordvoerder van D66.

Ik deel die mening met de woordvoerder Economische Zaken van D66, omdat ik denk dat het goed is om op te komen voor de werkgelegenheid. Het schijndebat dat wij hier voeren over de vraag waar het aan ligt en hoe wij toch meer hernieuwbare energie kunnen gebruiken, past hier niet. Vandaag hebben wij het over de vraag hoe wij die ALDEL-achtige energie-intensieve bedrijven kunnen helpen, omdat het natuurlijk gaat om de werkgelegenheid.

Met de SP deel ik de analyse dat er onvoldoende informatie beschikbaar lijkt over de huidige kostenstructuur van de Nederlandse elektriciteit- en gasnetwerken. Ook is er volgens mij onvoldoende inzicht in de variabelen in het gebruik bij afnemers die de kostenstructuur beïnvloeden. Wat mij betreft, zou het dan ook goed zijn om daaraan volgend jaar een AO te wijden om eens goed met elkaar na te denken: hoe zit het met die kosten, waar komen ze vandaan en hoe kunnen we die bespreken? Misschien kunnen wij dat voorstellen in een procedurevergadering.

Het derde amendement van GroenLinks gaat over een evaluatiebepaling. Ik ben nooit tegen evaluaties, maar volgens er een evaluatie in de Elektriciteitswet. Ik zal mijn fractie toch adviseren om tegen te stemmen vanwege de toelichting. Het gaat GroenLinks namelijk niet zozeer om het redden van ALDEL als wel om het bekijken op welke manier wij elektriciteitsproductie uit restwaarde nog meer kunnen stimuleren en gebruikers kunnen ontmoedigen om daarmee de duurzame transitie voor elkaar te krijgen. GroenLinks zegt dus eigenlijk: wij kiezen windmolens boven banen. Daar hoeven wij niet aan mee te werken. Dus ik zal mijn fractie negatief adviseren op dit amendement.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik dacht dat de VVD het regeringsbeleid steunt waar het energieakkoord op aanstuurt. Daar staat toch een duidelijke toename van windenergie in. Dus waarom zegt de heer Leegte ten eerste dat windenergie blijkbaar geen banen creëert? En ten tweede, steunt hij wel of niet het energieakkoord en de uitwerking daarvan door deze regering? Ik ben nu in verwarring.

De heer Leegte (VVD): Zoals ik vaker heb gezegd, zorgt het stimuleren van hernieuwbare energie voor dure melkertbanen, maar het staat in het regeerakkoord en het energieakkoord, dus dat gaan wij doen. Wij zijn goed voor onze handtekening. Mooier kan ik het niet maken. Dat is hoe het is.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De heer Leegte is het er niet mee eens, maar doet het toch onder druk?

De heer Leegte (VVD): Nee, ik doe het helemaal niet onder druk. Dit is een goed kabinet met de Partij van de Arbeid en de VVD, dat goede dingen doet voor de Nederlandse economie. Daar zitten winstpunten en verliespunten in. Op het gebied van hernieuwbare energie zou de VVD andere keuzes hebben gemaakt, zoals iedereen hier. Dit is een van de debatten waarin de tegenstellingen tussen partijen het grootst zijn. Dat neemt niet weg dat wat wij hebben afgesproken, goed is. Daar staan wij volledig achter, maar je moet niet je ogen sluiten voor de werkelijkheid. Dat doe ik dan ook niet. Wat wij doen, wil ik ook doen in het volle besef van de consequenties. Het is goed dat wij één consequentie, namelijk het dreigend faillissement van ALDEL, kunnen aanpakken. Als wij daar op 5 december over stemmen, vind ik dat een mooi sinterklaascadeau voor de mensen in Groningen.

De voorzitter: Dank u wel.

Dan gaan wij naar de tweede termijn van de heer Jansen.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. Dank voor de beantwoording. Die was heel degelijk en af en toe ook heel openhartig. Ik zal mij in tweede termijn beperken tot de vraag: wat is er nou een zootje en wat moet er al dan niet worden opgezouten?

De Minister veronderstelt dat ik de tariefstructuur op dit moment een zootje vind. Dat heb ik niet gezegd. Dat zou zo kunnen zijn, maar ik weet het gewoon niet. De analyse die ten grondslag ligt aan het wetsvoorstel, mag wel worden bestempeld als een zootje, al is het misschien een noodzakelijk zootje. Het is haastwerk omdat onze buren op diezelfde toer zitten. Maar de Minister is niet alleen verantwoordelijk voor de korte termijn – de SP vindt het heel belangrijk dat wij niet gekke Henkie zijn en ons in dit opzicht niet de kaas van het brood laten eten – wij moeten ook zorgen voor de juiste prikkels die bedrijven ertoe aanzetten op de lange termijn efficiënter te gaan werken en dus tot de wereldtop te blijven behoren op het gebied van energie-efficiency. Dat is de enige manier om op termijn die goede positie te behouden. Ik weet niet of de huidige tarievenstructuur daar wel deugdelijk voor is. Vandaar dat ik een motie op dit punt wil indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Tweede Kamer en regering van mening zijn dat de tariefstructuur voor netwerken kostengeoriënteerd dient te zijn;

overwegende dat er op dit moment geen samenhangende analyse beschikbaar is van de bestaande kostenstructuur van de Nederlandse elektriciteits- en gasnetwerken, noch een analyse van de variabelen in het gebruik bij de afnemers die de kostenstructuur beïnvloeden;

verzoekt de regering om binnen een jaar een analyse als bedoeld te laten uitvoeren en de Kamer te betrekken bij de onderzoeksopdracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (33 777).

De heer Paulus Jansen (SP): Daarmee kom ik op de vraag wat wij moeten opzouten. Zoals Minister Kamp zal zien als hij de motie leest, zijn wij best bereid om dit punt even op te zouten, in die zin dat wij hem nog even de tijd willen geven om daarmee te komen. Dit is een urgent wetsvoorstel dat snel afgehandeld moet worden. Daar zijn wij het over eens. In de motie staat «binnen een jaar». Wij kunnen een en ander ook koppelen aan het wetsvoorstel Stroom. Dat kan een optie zijn, maar de Minister zal moeten erkennen dat wij de lange termijn ook in het oog moeten houden. Graag krijg ik daarop een heldere reactie.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Voorzitter. Met de SP zou ik zeggen dat in ieder geval de onderbouwing van dit wetsvoorstel niet al te ruim was. De Minister heeft echter wel aangegeven dat de urgentie heel groot is. Dat compenseert voor een deel het ontbreken van harde cijfers over de vraag: waar hebben we het nou werkelijk over? Er blijft echter een vraag staan, ook na de inspirerende woorden van de heer Leegte, die mijn collega zo goed aanhaalde. Als we spreken over een level playing field, hebben we het natuurlijk niet alleen over Duitsland. Als we spreken over de bedrijven die van deze regeling gaan profiteren, hebben we het niet alleen over ALDEL. Voor ALDEL is het misschien Duitsland, maar voor andere bedrijven die ook onder deze regeling vallen, zijn misschien andere onderdelen van het Europese level playing field van belang. Ik heb geen inzicht in het verschil tussen de Nederlandse situatie en bijvoorbeeld de situatie in België of Frankrijk. Kan de Minister mijn fractie daar nog over informeren? Dan kan ik dat nog betrekken bij onze afweging ten aanzien van het wetsvoorstel.

Ik sluit mij wel graag aan bij wat de heer Leegte over de noodzaak tot structurele versterking zei; ook de heer Jansen refereerde daaraan. Dat is voor mijn fractie altijd een heel belangrijk element bij dit soort noodverbanden. Dragen zij uiteindelijk bij aan een structurele versterking en verbetering van de situatie, waardoor dat noodverband op termijn misschien niet meer nodig is? Als je ze zou afschaffen omdat ze niet meer nodig zijn, zullen de bedrijven daar natuurlijk ook geen bezwaar tegen hebben. Ik heb een suggestie om dat te koppelen, waarop ik zo meteen terugkom in een motie.

Het lijkt mij een uitstekend idee om met elkaar van gedachten te wisselen over de werkelijke kosten van het netwerk. Ik denk namelijk dat wij het uitgangspunt van de kostenoriëntatie allemaal belangrijk vinden. Dan moeten wij ook weten, als wij daarvan afwijken, wanneer wij daarvan afwijken en waarom wij dat doen. Ik had samen met de heer Vos een motie voorbereid over de race to the bottom, omdat wij ons allebei zorgen maakten over die race to the bottom. Wat mij betreft heeft de Minister echter voldoende toegezegd dat hij daarover het gesprek aangaat en dat hij dat eigenlijk een onwenselijke situatie vindt. Die motie zal ik dus niet indienen. Daarmee blijven drie moties over. Met excuses, want ik had er twee, maar tijdens het debat kwam er nog eentje bij. Dat krijg je als je blijft nadenken tijdens het debat.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ontwikkelingen in het karakter van zowel aanbod van als vraag naar elektriciteit sterk aan verandering onderhevig zullen zijn door de verdere integratie van markten, duurzame energie en smart grids;

overwegende dat er bedrijven zijn die hun vraag gemakkelijk kunnen aanpassen bij een hoge energievraag, maar dat de maatschappelijke meerwaarde daarvan nog niet erkend of beloond wordt;

verzoekt de regering, de gevolgen van de wetgeving met betrekking tot de volumecorrectie uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding te evalueren en de Kamer hierover te informeren,

verzoekt de regering tevens, bij die evaluatie de voordelen van het stabiliseren door middel van vrijwillige vraagsturing te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (33 777).

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Overigens komt het door mij voorgestelde evaluatiemoment overeen met het reguliere moment van evaluatie van de Elektriciteitswet. De reden dat ik deze motie alsnog indien, ondanks dat er een amendement van GroenLinks op hetzelfde punt ligt, is dat de heer Leegte net de toelichting van GroenLinks aanvoerde als reden om ertegen te gaan stemmen. Deze motie heeft die toelichting niet, dus wellicht maakt zij toch nog een kans bij de VVD-fractie.

De voorzitter: Gaat u verder.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik meende dat de heer Leegte een vraag wilde stellen.

De voorzitter: Hij wuifde omdat hij de motie ondersteunde.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Steun voor de indiening was al voldoende, maar steun voor de motie is helemaal mooi.

Omdat we het continu hebben over een level playing field om tussen de verschillende landen nader tot elkaar te komen, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in steeds grotere mate sprake is van een geïntegreerde regionale markt voor energie in Nederland, België, Frankrijk, Luxemburg en Duitsland, waardoor Nederland bijvoorbeeld vorig jaar voor 30% van de tijd nettostroomimporteur was;

overwegende dat hierdoor de knelpunten en investeringen op het elektriciteitsnet van ieder land steeds nadrukkelijker grensoverschrijdende gevolgen hebben voor buurlanden, terwijl per land de kosten verhaald moeten worden;

verzoekt de regering, in overleg te treden met onze buurlanden over een gemeenschappelijk referentiekader voor het vaststellen van een nettarief, om regionaal een gelijk speelveld te bieden aan producenten en afnemers van stroom,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven en Leegte. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (33 777).

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Tot slot heb ik een motie over de structuurversterking. Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat we een juiste prikkel behouden voor energiebesparing?

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet voornemens is om energie-intensieve bedrijven een korting op de transporttarieven te verlenen,

overwegende dat dit de energielasten van deze bedrijven verlaagt, waardoor dit mogelijk ten koste gaat van de businesscase van energiebesparingsprojecten,

overwegende dat energiebesparing juist van groot belang is voor de structurele concurrentiekracht van deze bedrijven,

verzoekt de regering, de korting te koppelen aan de prestatie onder de een-op-eenafspraken voor energiebesparing,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (33 777).

Mevrouw Klever (PVV): Voorzitter. De Minister heeft aangegeven dat hij inziet dat de chemische industrie in Nederland in de verdrukking zit. Ik ben blij met dit inzicht en met de aandacht die dit van de Minister heeft, maar het is nog geen structurele oplossing. Sterker nog, vanwege het prijsopdrijvende beleid van dit kabinet – ik heb hieraan al aandacht besteed in mijn eerste termijn – zal het niet lang duren voordat wij bij het volgende noodverband zijn aanbeland.

Om te voorkomen dat andere bedrijven en huishoudens hiervoor gaan opdraaien, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de noodzakelijke vrijstelling van de transportkosten voor de energie-intensieve industrie zorgt voor een ongewenste verschuiving van de lasten van 21 miljoen richting andere bedrijven en huishoudens;

overwegende dat een verdere lastenverzwaring voor bedrijven en huishoudens ongewenst is;

verzoekt de regering, de lastenverzwaring die dit wetsvoorstel met zich meebrengt voor de overige energiegebruikers in Nederland te compenseren vanuit de beschikbare subsidiepot voor duurzame energie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Klever. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (33 777).

De heer Paulus Jansen (SP): Het klinkt alsof dit een principieel punt is voor de PVV-fractie. «Als dat niet gebeurt, steunen wij het wetsvoorstel niet.» Is dat ook het geval?

Mevrouw Klever (PVV): Het is goed dat u dat vraagt. Nee, wij steunen het wetsvoorstel sowieso. Ik heb in mijn eerste termijn echter heel duidelijk aangegeven dat wij tegen het prijsopdrijvende energiebeleid van dit kabinet zijn en dat dit slechts een doekje voor het bloeden is. Wij hebben een probleem met het feit dat wij de lasten voor andere groepen moeten verzwaren vanwege de verduurzaming, die ook door uw partij altijd fel bejubeld wordt. Die lasten mogen niet verder opgedreven worden.

De heer Paulus Jansen (SP): Maar per saldo vindt de PVV-fractie een kostenverhoging van € 1 à € 1,50 voor de huishoudens per jaar acceptabel om deze bedrijven te redden?

Mevrouw Klever (PVV): Wij rekenen op de steun van de SP-fractie voor deze motie. Ik neem immers aan dat ook de SP-fractie niet wil dat de kosten voor huishoudens nog verder omhooggaan.

De heer Jan Vos (PvdA): Voorzitter. Ik wil de Minister bedanken voor de beantwoording van de vragen. Ik wil hem ook bedanken voor de toezegging om nog eens goed op een rijtje te zetten wat wij allemaal kunnen doen op het gebied van decentrale energie en de opwekking van duurzame elektriciteit.

Wij hebben sympathie voor het amendement van GroenLinks over de corporaties en de verenigingen van eigenaren en de rol die zij spelen. Gezien de toelichting van de Minister, zullen wij op dit moment echter niet voorstemmen en wachten wij de nadere informatie van de Minister op dit gebied af.

De voorzitter: Dank u wel. Hiermee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. Ik constateer dat naast de drie amendementen zes moties zijn ingediend. Wij schorsen even zodat de Minister alle moties kan doornemen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Kamp: Voorzitter. Mevrouw Van Tongeren zei: als je de grote energie-intensieve bedrijven met een stabiel patroon tegemoetkomt, kun je ook tien kleinere bedrijven tegemoetkomen die met elkaar net zoveel presteren. Ja, en je kunt ook 100 kleinere bedrijven of 10.000 kleinere bedrijven tegemoetkomen die met elkaar hetzelfde presteren, maar terwijl we daarover zitten te praten en te verfijnen, zakt de boel in elkaar. Dat is toch geen manier van doen? Het is toch veel beter om vast te stellen dat grote energie-intensieve bedrijven last hebben van de aantasting van het level playing field, dat het voor de werkgelegenheid in Nederland van belang is om daar iets aan te doen en dat dit met zes beleidsinvalshoeken gedaan kan worden? Dit is een van die beleidsinvalshoeken en daar nemen we nu een besluit over. Ik denk dat dit heel goed is onderbouwd en dat het heel nuttig is om dit toe te spitsen op bedrijven die heel veel elektriciteit afnemen. Soms wordt 40% van hun kostprijs bepaald door de afname van elektriciteit. Je richt je dus op de bedrijven waar de problemen zich echt concentreren. Je kunt daar wel een heel grote andere groep bij halen, maar daar speelt dit allemaal in veel mindere mate. Ik denk dus dat het niet zinvol is om te doen wat mevrouw Van Tongeren suggereert.

Mevrouw Van Tongeren verzoekt in haar motie op stuk nr. 12 om de Wet milieubeheer en de tegenprestaties onder de energie-investeringsaftrekregeling voor deze bedrijven streng te handhaven. Ik heb geen behoefte aan zo'n signaal. Het signaal dat volgens mij nu moet worden afgegeven, is dat wij recht willen doen aan de betekenis van bedrijven voor het drukken van de beheerskosten, dat wij dat op deze manier willen doen en dat dit de bedrijven ook tegemoetkomt op het punt van het level playing field. Om dan nu bij motie uit te spreken dat wij andere wetten streng gaan handhaven ... We gaan alle wetten handhaven. Daar hebben we in recente discussies in de Kamer over gesproken. Ik denk dus dat zo'n motie op dit moment geen meerwaarde heeft. Vandaar dat ik deze motie ontraad.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 13 van de heer Jansen. De heer Jansen loopt net als ik al wat langer mee in dit huis. Hij weet dus dat er allerlei dingen zijn die je kunt oppakken, uitzoeken en proberen om nog beter te doen, maar als je dat allemaal op elkaar stapelt, kom je daar op een gegeven moment niet meer uit. Wij zijn op het punt van ons energiebeleid zeer ambitieus. We hebben in het regeerakkoord veel dingen opgeschreven, net als in het energieakkoord. Dat moet nu allemaal gerealiseerd worden. Er moet het komende jaar nog heel veel gedaan worden. Ik ben er geen voorstander van om daar ook nog die analyse van de tarieven bij te zetten. Ik ben wel bereid om met de ACM te bekijken wat een natuurlijk moment is om dit op een verantwoorde manier in te passen in al onze andere werkzaamheden. Als de heer Jansen dat jaar niet als een harde grens stelt maar wil dat dit punt op enig moment, niet te ver weg, de aandacht krijgt die het volgens hem verdient – dat begreep ik ook uit zijn toelichting – en als hij mijn uitleg accepteert dat ik samen met de ACM zal nagaan op welke manier en waaraan gekoppeld wij dit binnen een redelijke termijn kunnen doen, laat ik het oordeel over deze motie over aan de Kamer.

De heer Paulus Jansen (SP): Daartoe ben ik bereid. Ik heb ook de suggestie gedaan om te bekijken in hoeverre dit thema gekoppeld kan worden aan de Stroom-agenda. Volgens mij noemde ook de heer Vos in zijn eerste termijn een element van zo'n studie in relatie tot de kostenstructuur van de inpassing van windenergie in de regionale netten. Dat lijkt mij een goed natuurlijk moment om dit zonder al te veel extra werk mee te nemen.

Minister Kamp: Met de beleidsnotitie Stroom moet ik in het eerste kwartaal van het volgende jaar komen. Ik kan de heer Jansen verzekeren dat dat werk genoeg is. Dit aspect krijg ik in ieder geval niet in het eerste kwartaal van volgend jaar voor elkaar. Het door de heer Jansen genoemde element zit inderdaad in de beleidsbrief Stroom. Dat zullen we dus in dat verband met elkaar bespreken, maar ik ben zeker niet in staat om dan ook te komen met de analyse van hoe de tarieven zijn opgebouwd en van alles wat daarbij komt kijken.

Ik heb al aangegeven dat ik dat niet zo overneem. Ik heb daar mijn eigen uitleg aan gegeven. Ik zal in de beleidsbrief stroom duiden hoe ik het proces in dit verband zie. Dat zal een nadere uitwerking zijn van wat ik zonet tegen de heer Jansen heb gezegd. Als de heer Jansen kan instemmen met de uitleg die ik heb gegeven, laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De heer Paulus Jansen (SP): Dat kan ik, voorzitter.

De voorzitter: Helder!

Minister Kamp: In haar motie op stuk nr. 14 verzoekt mevrouw Van Veldhoven de regering om de gevolgen van de wetgeving met betrekking tot de volumecorrectie uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding te evalueren. Ik heb over die evaluatie tegen mevrouw Van Tongeren gezegd wat ik daarover heb gezegd. Mevrouw Van Veldhoven is mij even lief als mevrouw Van Tongeren, dus ik geef haar geen andere reactie daarop. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer, maar ik heb er zelf geen behoefte aan.

In de motie-Van Veldhoven/Leegte op stuk nr. 15 wordt de regering verzocht om met de buurlanden te overleggen over een gemeenschappelijk referentiekader voor het vaststellen van nettarief. Dat vind ik een begaanbare weg en ik vind het nuttig om te doen. We zijn al begonnen om dat in gang te zetten, zowel met Duitsland als in Noordwest-Europees verband als in Europees verband. Ik laat het oordeel over deze motie dus aan de Kamer.

In de motie-Van Veldhoven op stuk nr. 16 wordt de regering verzocht om de korting te koppelen aan de prestatie op de een-op-eenafspraken over energiebesparing. Ik wil dat niet doen. Ik denk dat de energiebesparingsafspraken van groot belang zijn. Ik ben ook zeer gemotiveerd om die zeker voor dit soort bedrijven de aandacht te geven die ook mevrouw Van Veldhoven eraan wens te geven, maar ik wil niet iedere keer alles aan elkaar koppelen. Hier heb ik iets te doen wat volgens mij voor de bedrijven belangrijk is en wat ook verstandig is om recht te doen aan het kostenveroorzakingsprincipe. Ik zou graag met deze wet een eenduidig signaal af willen geven. Ik wil daar niet nog eens voorwaarden aan koppelen waardoor het signaal verzwakt. Om die reden ontraad ik deze motie.

Mevrouw Klever diende de motie op stuk nr. 17 in, over de extra kosten voor de overige energieverbruikers. Ik heb gezegd dat het voor een klein mkb-bedrijf gaat om € 7,50 per jaar, voor een huishouden maximaal om € 1,50 per jaar en voor een bouwmarkt of een vergelijkbaar groot bedrijf om minder dan € 100 per jaar. Mevrouw Klever vindt dat ik die bedragen uit de SDE-plusregeling moet halen. Dat kan ik niet doen. De SDE-plusregeling is gebaseerd op een wet, en die wet staat mij niet toe om dat te doen. Om die reden ontraad ik de motie van mevrouw Klever.

De heer Leegte heeft een bepaalde manier van formuleren waardoor hij steeds afstand neemt van de transitie richting duurzame energie die op dit moment wordt opgezet. Mag ik de heer Leegte er toch aan herinneren dat in het verkiezingsprogramma van de VVD staat dat er voor het jaar 2020 14% duurzame energie moet komen? Daar is al een ambitieus transitieprogramma voor nodig. Mag ik hem er ook aan herinneren dat zijn fractie ook het regeerakkoord heeft onderschreven, waarin staat dat er 16% duurzame energie in het jaar 2020 moet komen, en dat hij ook het energieakkoord zijn steun heeft gegeven? Ook daarin is die 16% opgenomen, maar dan voor het jaar 2023. Ik denk dat de overgang naar duurzame energie een zo belangrijk maatschappelijk proces is, ook blijkens het verkiezingsprogramma van zijn partij, het regeerakkoord van zijn partij en het energieakkoord dat hij gesteund heeft, dat ook bij de uitwerking van het beleid gehoopt mag worden op de steun van de fractie van de heer Leegte en van de heer Leegte persoonlijk.

Voorzitter, dit waren de punten die ik graag naar voren wilde brengen.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter, ik zou bijna bij interruptie de heer Leegte de vraag willen stellen: wat is hierop uw antwoord?

De voorzitter: Maar helaas gaat de heer Leegte er zelf over of hij er nog iets op zegt, en dat is volgens mij niet het geval! Ik zie nog wel een interruptie van mevrouw Van Veldhoven. Of een mededeling, dat weet ik niet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66): Ik had de Minister nog een korte vraag gesteld over het level playing field ten opzichte van andere buurlanden of andere landen waar Nederland veel handel mee drijft.

Minister Kamp: Ja, daarop moet ik inderdaad nog antwoorden en ik zal ook nog reageren op een punt van de heer Vos.

Eerst wat betreft de buurlanden. In België en in Frankrijk is sprake van een heel andere situatie. Mevrouw Van Veldhoven weet ook dat in Frankrijk meer dan 50% nucleaire energie wordt gebruikt. De discussie daar gaat over de vraag hoe dit nog verder kan worden opgevoerd. In België is men van plan extra gascentrales te bouwen, terwijl die in Nederland op dit moment leeg staan. Er is daar dus echt sprake van een andere situatie.

De verstoring van het level playing field wordt niet veroorzaakt door België of Frankrijk, maar door Duitsland. Dit land heeft de meest vergaande regeling getroffen en het geeft op dit moment 100% korting. De directe concurrentie wordt ons op dit moment aangedaan door ons buurland dat vijf maal zo groot is als Nederland en dat de sterkste economische macht in Europa is. Daar reageren wij op. Ik heb daar geen andere landen bij betrokken; ik heb alleen gereageerd op de praktische situatie die zich op dit moment voordoet in de relatie met Duitsland.

Het voorbeeld van Duitsland kan natuurlijk worden gevolgd door andere landen. Ik heb liever niet dat wij dat afwachten en dat wij vervolgens in Nederland met de negatieve effecten worden geconfronteerd. Ik ben er liever snel bij. Daarom heb ik het voorstel gedaan dat nu voorligt.

De heer Vos heeft van zijn opvattingen over lokale energie ook al laten blijken tijdens het wetgevingsoverleg dat wij daarover hebben gevoerd. Wij zijn toen gezamenlijk tot conclusies gekomen. Ik heb nu toegezegd dat ik de verschillende discussiepunten over lokale energie, die nog naar voren zijn gebracht door de heer Vos en anderen, op een rijtje zal zetten in het verband van de beleidsbrief Stroom, die in het eerste kwartaal van komend jaar aan de Kamer zal worden aangeboden. De heer Vos kan die discussiepunten dan nog eens overzien en hij kan dan bezien of zijn opvattingen en de conclusies die hij daaruit heeft getrokken, nog steeds gelden of dat op onderdelen bijstelling nodig is. Ik stel voor om die discussie te voeren bij de behandeling van de beleidsbrief Stroom.

Dat was het, mijnheer de voorzitter.

De voorzitter: Dank u wel. Hiermee komen wij aan het einde van de beraadslaging.

Er zijn drie amendementen en zes moties voorgesteld. De stemming over het wetsvoorstel inclusief amendementen en moties is aankomende donderdag.

De Minister heeft één toezegging gedaan, namelijk dat hij in het eerste kwartaal van 2014 bij de Kamer terug zal komen op de lokale energieopwekking in het kader van de beleidsbrief Stroom.

Ik dank iedereen voor de inbreng vanavond. Ik wens de Minister een goede reis naar Limburg; dat is altijd een groot genoegen.

Sluiting: 21.04 uur.

Naar boven