Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533757 nr. 8

33 757 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met aanpassing van griffierechten

Nr. 8 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 24 november 2014

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

De onderdelen A en B van artikel I komen te luiden:

A

In artikel 8:41, tweede lid, wordt «€ 45» vervangen door «€ 46», «€ 167» door «€ 170» en «€ 331» door: € 338.

B

In artikel 8:109, eerste lid, wordt «€ 123» vervangen door «€ 160», «€ 248» door «€ 285» en «€ 497» door: € 507.

B

De onderdelen A tot en met E van artikel II komen te luiden:

A

In artikel 17, eerste lid, wordt «€ 604» vervangen door: € 695.

B

In artikel 19, eerste lid, wordt «€ 360» vervangen door: € 414.

C

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «€ 20» vervangen door: € 23.

2. Het vierde lid vervalt.

D

In artikel 22, eerste lid, wordt «€ 122» vervangen door: € 140.

E

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «€ 183» vervangen door: € 210.

2. In het tweede en derde lid wordt «€ 20» telkens vervangen door: € 23.

C

Artikel III komt te luiden:

ARTIKEL III

In artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt «€ 45» vervangen door: € 46.

D

Artikel IV komt te luiden:

ARTIKEL IV

  • 1. Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zoals dat lid luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, blijft van toepassing indien het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift.

  • 2. Artikel 8:109, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zoals dat lid luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, blijft van toepassing indien het hogerberoepschrift voor die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, een ander hogerberoepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen dezelfde uitspraak, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere hogerberoepschrift.

  • 3. Ten aanzien van griffierechten als bedoeld in de Wet griffierechten burgerlijke zaken die door een eiser of verzoeker verschuldigd zijn geworden voor de datum van inwerkingtreding van artikel II of voor die datum rechtsgeldig een gedaagde of belanghebbende zijn aangezegd op grond van artikel 111, tweede lid, onder k, of 276, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, blijft het griffierecht zoals het voor die datum gold, van toepassing.

  • 4. Artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel III blijft van toepassing indien het beroepschrift voor die datum is ontvangen. Indien de eerste volzin van toepassing is en na inwerkingtreding van artikel III een ander beroepschrift wordt ontvangen dat gericht is tegen hetzelfde besluit, wordt de eerste volzin ook toegepast op dat andere beroepschrift.

E

De bijlage bij artikel II, onderdeel F, van de wet komt te luiden:

Bijlage bij artikel II, onderdeel F, van de wet

BIJLAGE BIJ DE ARTIKELEN 3, VIJFDE LID, EN 16 VAN DE WET

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek

Griffierecht voor niet-natuurlijke personen

Griffierecht voor natuurlijke personen

Griffierecht voor onvermogenden

Griffierechten bij de rechtbank voor kantonzaken

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van niet meer dan € 500

€ 118

€ 80

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 500 en niet meer dan € 1.500

€ 327

€ 155

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 1.500 en niet meer dan € 12.500

€ 699

€ 332

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12.500

€ 951

€ 475

€ 80

Griffierechten bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek van onbepaalde waarde

€ 625

€ 291

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van niet meer dan € 100.000

€ 1.947

€ 894

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 100.000 en niet meer dan € 1 miljoen

€ 3.941

€ 1.564

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 1 miljoen en niet meer dan € 5 miljoen

€ 7.728

€ 1.564

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 5 miljoen en niet meer dan € 50 miljoen

€ 9.660

€ 1.564

€ 80

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 50 miljoen

€ 11.592

€ 1.564

€ 80

Griffierechten bij de gerechtshoven en de Hoge Raad

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:

– van onbepaalde waarde of

– met een beloop van niet meer dan € 12.500

€ 1.422

€ 622

€ 317

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000

€ 3.874

€ 1.422

€ 317

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 100.000 en niet meer dan € 1 miljoen

€ 7.740

€ 2.826

€ 317

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 1 miljoen en niet meer dan € 5 miljoen

€ 15.480

€ 2.826

€ 317

Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 5 miljoen en niet meer dan € 50 miljoen

€ 19.352

€ 2.826

€ 317

Zaak met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 50 miljoen

€ 23.220

€ 2.826

€ 317

TOELICHTING

Algemeen

De vragen en opmerkingen van de Tweede Kamer naar aanleiding van dit wetsvoorstel zijn beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag van 20 januari 2014. De Eerste Kamer heeft op 11 maart 2014 gedebatteerd over de «staat van de rechtsstaat». Tijdens dit debat zijn verschillende suggesties gedaan om de consequenties van de verhoging van de griffierechten te matigen. Ik heb het commentaar ter harte genomen en bezien of de ideeën passen binnen de huidige systematiek van de wet, en wat de financiële, organisatorische en uitvoeringsconsequenties ervan zijn. Bij het opstellen van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor 2015 is € 13 miljoen aan financiële ruimte gevonden om de verhoging dan wel de hoogte van enkele categorieën griffierechten te matigen. Het gaat om de volgende wijzigingen:

  • 1. de verhoging van het lage griffierechttarief in bestuurszaken in eerste aanleg wordt beperkt tot 2% (was 75%);

  • 2. de verhogingen van het lage en het standaardtarief in bestuurszaken in hoger beroep en cassatie worden gehalveerd (tot respectievelijk 30% en 15%);

  • 3. een extra staffel wordt toegevoegd voor geringe civiele geldvorderingen;

  • 4. voor civiele zaken met een financieel belang van € 5 miljoen, tot € 50 miljoen en van meer dan € 50 miljoen worden extra staffels toegevoegd; het griffierecht in deze extra staffels wordt uitsluitend voor rechtspersonen verhoogd.

Aangezien de in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen niet vóór 1 januari 2015 in werking zullen treden, is de jaarlijkse indexering van de tarieven (inflatiecorrectie van 0,9% per 1 januari 2015) in deze nota van wijziging meegenomen.

Onderdeel A (artikel I, Algemene wet bestuursrecht)

De tariefsverhoging voor bestuurszaken wordt gematigd, gelet op het belang dat wordt gehecht aan een laagdrempelige toegang tot de rechter in eerste aanleg. Onderdeel A bevat twee wijzigingen. Het betreft in de eerste plaats het matigen van de verhoging van het lage tarief voor bestuurszaken in eerste aanleg (met name zaken over uitkeringen en toeslagen) tot 2% (was 75%). Daarnaast wordt de verhoging voor het lage en het standaardtarief voor een natuurlijke persoon in bestuurszaken, in hoger beroep en cassatie, teruggebracht tot respectievelijk 30% en 15% (was 60% en 30%).

Onderdeel B (artikel II, Wet griffierechten burgerlijke zaken)

De wijzigingen in de artikelen 17, 19 en 21 tot en met 23 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) vloeien voort uit de indexering van de griffierechttarieven per 1 januari 2015.

Onderdeel C (artikel III, Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek)

Deze wijziging correspondeert met de matiging van de verhoging van het lage tarief voor bestuurszaken in eerste aanleg tot 2% (zie onderdeel A).

Onderdeel D (artikel IV, overgangsrecht)

De Raad voor de rechtspraak heeft mij onlangs verzocht om een andere peildatum te hanteren bij het overgangsrecht voor de jaarlijkse indexering (op grond van artikel 11:2 Algemene wet bestuursrecht) van de griffierechten en proceskostenforfaits in het bestuursrecht. In de afgelopen jaren is de indexering gekoppeld aan de datum van de bekendmaking van het bestreden besluit of de bestreden uitspraak.1 Met name met het oog op de uitvoerbaarheid voor de griffies doet de Raad het verzoek om uit te gaan van de datum van ontvangst van het (hoger)beroepschrift. Thans moet de griffie gedurende een aanzienlijke termijn na indexering telkens beoordelen welk tarief van toepassing is. Deze beoordeling is in ieder geval nodig tot zes weken na de indexering maar kan langer doorlopen. Problemen kunnen ook ontstaan in de situaties waarin eisers verzuimen om het bestreden besluit in kopie bij te voegen waardoor het langere tijd duurt voordat kan worden vastgesteld welk griffierecht verschuldigd is. Ten slotte heeft koppeling van de indexering aan de datum van bekendmaking van het besluit het nadeel dat dan een afwijkende overgangsbepaling nodig is voor het beroep tegen niet-tijdig beslissen: als het besluit nog niet is bekendgemaakt, dan is de datum van bekendmaking immers ongeschikt als peildatum.

Een nadeel van koppeling van de indexering aan de datum van ontvangst van het beroepschrift is dat het zich kan voordoen dat bij meer dan één beroep tegen eenzelfde besluit, afhankelijk van de datum waarop het beroepschrift wordt ontvangen (vóór of na inwerkingtreding van de indexering), een verschillend recht moet worden geheven.2 Om dat nadeel weg te nemen, stelt de Raad voor om te bepalen dat als in het oude jaar een beroepschrift is ontvangen tegen een besluit, het oude griffierecht ook geldt voor andere beroepschriften tegen datzelfde besluit die in het nieuwe jaar worden ontvangen.

Van de zijde van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de belastingkamer van de Hoge Raad is te kennen gegeven dat zij zich kunnen vinden in dit voorstel van de Raad voor de rechtspraak.

Ik heb het voornemen om dit voorstel over te nemen in de indexeringsregeling van eind 2014 (indexering met ingang van 1 januari 2015). Dat maakt het wenselijk om ook in dit wetsvoorstel het overgangsrecht aan te passen. Daartoe strekt onderdeel D.

Het overgangsrecht voor civielrechtelijke procedures (artikel IV, derde lid, voorheen vijfde lid) is niet gewijzigd.

Artikel IV, eerste en vierde lid

Voor het griffierecht in bestuursrechtelijke procedures is de datum bepalend waarop het rechtscollege het beroepschrift ontvangt. Is het beroepschrift ontvangen vóór de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging, dan geldt het oude griffierecht. De tweede volzin van het tweede en vierde lid voorkomt dat de hoogte van het griffierecht wijzigt gedurende de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Zonder die tweede volzin zou zich dat voordoen als tegen hetzelfde besluit door meerdere belanghebbenden beroepschriften worden ingediend, die deels worden ontvangen vóór de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging en deels daarna. De tweede volzin regelt dat de oude bedragen dan ook gelden voor de beroepschriften die na de wijziging worden ontvangen.

Artikel IV, tweede lid

Deze bepaling regelt hetzelfde als het eerste lid, maar dan voor het hoger beroep en – in combinatie met artikel 29 Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarin artikel 8:109 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de behandeling van het beroep in cassatie – voor het beroep in cassatie.

Onderdeel E (bijlage bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken)

Laagdrempelige toegang tot de rechter in eerste aanleg is van groot belang, ook voor geringe geldvorderingen. De in de Wgbz opgenomen tarieven voor geringe geldvorderingen, op of net boven € 500, worden niet meer als passend ervaren. Het opdelen van de staffel voor de geldvorderingen van € 500 tot € 12.500 in twee nieuwe staffels, van € 500 tot € 1.500 en van € 1.500 tot € 12.500, maakt de griffierechten flexibeler. De tarieven voor rechtspersonen en natuurlijke personen voor vorderingen tot € 1.500 kunnen hierdoor met 30% dalen ten opzichte van de huidige tarieven. De consequentie van deze substantiële daling is wel dat de tarieven voor vorderingen tussen € 1.500 en € 12.500 met 50% stijgen. Dit komt doordat er meer vorderingen zijn in de categorie tot € 1.500 dan in de categorie tussen € 1.500 en € 12.500. Verder wordt aan de wens om de griffierechten flexibeler te maken tegemoetgekomen door voor de hoge geldvorderingen extra staffels toe te voegen: voor zaken met een financieel belang tot € 5 miljoen, tot € 50 miljoen en van meer dan € 50 miljoen. Het griffierecht in deze categorieën wordt uitsluitend voor rechtspersonen verhoogd, natuurlijke personen worden ontzien.

De overige wijzigingen in de tabel in de bijlage bij de Wgbz vloeien voort uit de indexering die op 1 januari 2015 in werking zal treden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Zie bijvoorbeeld artikel V, tweede en derde lid, in Stcrt. 2013, 35871, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-35871.html.

X Noot
2

Op dat nadeel is in het verleden meermalen door de Raad van State gewezen, onder meer in zijn advies van 22 januari 2009, W03.09.0002/II (www.raadvanstate.nl).