33 752 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2014 wenselijk is een aantal fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit het regeerakkoord en maatregelen te treffen ter voorkoming van fraude en ontduiking;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.42, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De energie-investeringsaftrek bedraagt 41,5 percent.

B

In artikel 3.42a, derde lid, wordt «Bij een bedrag aan milieuinvesteringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.300 bedraagt de milieuinvesteringsaftrek» vervangen door: De milieuinvesteringsaftrek bedraagt.

C

In artikel 3.43, tweede lid, wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel a.

D

Artikel 3.45 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, vervalt onder verlettering van de onderdelen b tot en met h tot onderdelen a tot en met g.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdeel d.

3. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel a door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «, en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet de bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450.

4. In het derde lid wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdelen c en d.

5. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Voor de energie-investeringsaftrek en de milieuinvesteringsaftrek behoren tot de bedrijfsmiddelen mede niet bedrijfsmiddelen:

    • a. die zijn bestemd om – direct of indirect – hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan:

      • 1°. niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen, of

      • 2°. natuurlijke personen of lichamen voor het drijven van een onderneming of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, of

    • b. waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 2.500.

6. In het vijfde lid wordt «onderdeel b» vervangen door «onderdeel a». Voorts wordt «vierde lid» vervangen door: vierde lid, onderdeel a,.

E

Artikel 3.47, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «vierde lid» vervangen door: vierde lid, onderdeel a.

2. In onderdeel c wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel a.

F

In artikel 3.119a, derde lid, onderdeel 2°, wordt «artikel 33, onderdelen 5° en 6°» vervangen door: de artikelen 33, onderdelen 5° en 6°, en 33a, eerste lid.

G

In artikel 8.10, tweede lid, wordt «€ 1.962» vervangen door: € 2.100, verminderd met 2% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 2.10 te boven gaat, doch ten hoogste met 2% van het verschil tussen het eerste bedrag van die kolom en het derde bedrag van die kolom.

H

Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt «€ 1.723» vervangen door «€ 2.097». Voorts wordt «verminderd met» vervangen door: verminderd, doch niet verder dan tot € 367, met

2. In het tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, wordt «€ 40 248, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 1.173 bedraagt» vervangen door: € 40 248.

3. In het tweede lid, tweede volzin, wordt «laatste vermelde bedrag» vervangen door: tweede vermelde bedrag.

I

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde tot en met elfde lid tot vierde tot en met tiende lid.

2. In het achtste lid (nieuw) wordt «tiende lid» vervangen door: negende lid.

J

In artikel 10.1, eerste lid, wordt «3.42, 3.42a, 3.47» vervangen door «3,42, 3,47». Voorts wordt «en de in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen b en c, laatstvermelde bedragen» vervangen door: en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag.

K

Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, laatstvermelde bedrag» vervangen door: het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag.

2. In het vijfde lid wordt «eerstvermelde bedrag» vervangen door: vermelde bedrag.

L

Na artikel 10a.12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a.13 Overgangsbepaling stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten

Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijft artikel 9.2, vierde lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

M

In artikel 10b.1 wordt na het tweede lid, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De artikelen 3.31, 3.42 en 3.42a vervallen met ingang van 1 januari 2019.

ARTIKEL II

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een persoon die geen inwoner is van Nederland, tenzij de persoon:

    • 1°. een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 is, of

    • 2°. inwoner is van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden en het gezamenlijke inkomen, bedoeld in artikel 7.8, vijfde lid, van hem en de belastingplichtige geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.

B

Artikel 2.5 vervalt.

C

In artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, wordt «onder de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen vallen» vervangen door: binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 zijn.

D

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verlaagd met 0,29.

E

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verlaagd met 0,29.

F

Artikel 2.17, zevende lid, derde volzin, komt te luiden: De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de belastingplichtige of zijn partner als gevolg van emigratie of immigratie niet het gehele kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is als bedoeld in artikel 7.8, tenzij de belastingplichtige en zijn partner beiden het gehele jaar inwoner zijn van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden en hun gezamenlijke inkomen, bedoeld in artikel 7.8, vijfde lid, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting.

G

In artikel 3.119a, derde lid, onder 2°, wordt «de artikelen 33, onderdelen 5° en 6°, en 33a, eerste lid, van de Successiewet 1956» vervangen door: artikel 33, onderdelen 5° en 6°, van de Successiewet 1956 en artikel 33a, eerste lid, van de Successiewet 1956, zoals dat op 31 december 2014 luidde,.

H

In artikel 3.154, eerste lid, wordt «binnenlandse belastingplichtige» vervangen door «binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8». Voorts vervalt de tweede volzin.

I

Na artikel 7.7 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 7.5 KWALIFICERENDE BUITENLANDSE BELASTINGPLICHTIGEN

Artikel 7.8 Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen

  • 1. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is het inkomen uit werk en woning in Nederland het gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk in woning in Nederland, bedoeld in artikel 7.2, en de niet reeds in het inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen belastbare inkomsten uit eigen woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, indien deze negatief zijn, verminderd met:

    1°. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3, en

    2°. de niet reeds in het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland begrepen persoonsgebonden aftrek, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 6.

  • 2. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige gelden de uitzondering in artikel 7.5, eerste lid, van de in artikel 4.12 genoemde persoonsgebonden aftrek en de uitzondering in artikel 7.7, eerste lid, van de in artikel 5.1 genoemde persoonsgebonden aftrek niet.

  • 3. De belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek blijven buiten aanmerking voor zover deze bij de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, bij de belastingheffing in de woonstaat of op de BES eilanden in aanmerking kunnen worden genomen.

  • 4. Een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is een buitenlandse belastingplichtige die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat of op de BES eilanden wordt betrokken en van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, onder de voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan de inhoud en de vormgeving van de inkomensverklaring en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven.

  • 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder het inkomen van de buitenlandse belastingplichtige verstaan het volgens de regels voor binnenlands belastingplichtigen berekende verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, van die belastingplichtige, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor inkomensvoorzieningen, persoonsgebonden aftrek en aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, waarbij voor het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen. Het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, bedoeld in het vierde lid, is het zonder de toepassing van dit artikel bepaalde gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de daarin begrepen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, negatieve persoonsgebonden aftrek en belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de daarin begrepen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur worden mede als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt buitenlandse belastingplichtigen die niet ingevolge het vierde lid als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt, maar bij wie Nederland volgens het Unierecht gehouden is de persoonlijke situatie en de gezinssituatie in aanmerking te nemen en worden regels gesteld voor toepassing van dit artikel bij die belastingplichtigen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op vergelijkbare buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. De aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, bedoeld in de eerste en tweede volzin, kan ook betrekking hebben op een deel van het jaar.

J

Het in artikel 8.10, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 83. Voorts wordt «verminderd met 2% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 2.10 te boven gaat, doch ten hoogste met 2% van het verschil tussen het eerste bedrag van die kolom en het derde bedrag van die kolom» vervangen door: verminderd met 2,1% van het belastbare inkomen uit werk en woning voor zover dat meer bedraagt dan het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 2.10, doch niet verder dan tot nihil.

K

In artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 103. Voorts wordt het in dat onderdeel laatstvermelde bedrag verlaagd met € 183.

ARTIKEL III

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2016 als volgt gewijzigd:

A

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verhoogd met 0,06.

B

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verhoogd met 0,06.

C

Het in artikel 8.10, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 14. Voorts wordt «2,1%» vervangen door: 3,05%.

D

In artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 229. Voorts wordt «verminderd, doch niet verder dan tot € 184, met» vervangen door: verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met.

ARTIKEL IV

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2017 als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel 8.10, tweede lid, genoemde bedrag wordt verlaagd met € 39.

B

In artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 130.

ARTIKEL V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 10, vijfde lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van de onderdelen d en e tot onderdelen c en d.

B

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel g, vervalt.

2. Het vierde lid vervalt.

C

Artikel 11a vervalt.

D

Artikel 19b, achtste lid, vervalt onder vernummering van het negende lid tot achtste lid.

E

In artikel 22, tweede lid, wordt «€ 1.962» vervangen door: € 2.100, verminderd met 2% van het gedeelte van het belastbare loon dat het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, te boven gaat, doch ten hoogste met 2% van het verschil tussen het eerste bedrag van die kolom en het derde bedrag van die kolom.

F

Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «€ 1.723» vervangen door «€ 2.097». Voorts wordt «verminderd met» vervangen door: verminderd, doch niet verder dan tot € 367, met.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «€ 40.248, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 1.173 bedraagt» vervangen door: € 40.248.

G

Artikel 32bb wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid vervalt onder vernummering van het zevende tot en met tiende lid tot zesde tot en met negende lid.

2. In het zevende lid (nieuw) vervalt: dan wel zou worden genoten ingeval artikel 11, eerste lid, onderdeel g, dan wel artikel 11a, buiten toepassing zou zijn gelaten.

H

Artikel 37 vervalt.

I

Na artikel 39e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 39f

  • 1. Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de artikelen 10, vijfde lid, onderdeel c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing.

  • 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid mag de waarde van de aanspraak, het tegoed van de stamrechtrechtspaarrekening of de waarde van het stamrechtbeleggingsrecht in een bedrag ineens worden uitgekeerd.

  • 3. Indien de werknemer ineens beschikt over de aanspraak, bedoeld in het eerste of tweede lid, of over het ingevolge het eerste lid daarmee gelijkgestelde bedrag, wordt 80 percent van het ingevolge het eerste en tweede lid als loon in aanmerking te nemen bedrag in aanmerking genomen.

ARTIKEL VI

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

A

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verlaagd met 0,29.

B

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verlaagd met 0,29.

C

Het in artikel 22, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 83. Voorts wordt «verminderd met 2% van het gedeelte van het belastbare loon dat het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, te boven gaat, doch ten hoogste met 2% van het verschil tussen het eerste bedrag van die kolom en het derde bedrag van die kolom» vervangen door: verminderd met 2,1% van het belastbare loon voor zover dat meer bedraagt dan het eerste bedrag van de eerste kolom van de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, doch niet verder dan tot nihil.

D

In artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 103. Voorts wordt het in dat onderdeel laatstvermelde bedrag verlaagd met € 183.

E

Artikel 39f, derde lid, vervalt.

ARTIKEL VII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2016 als volgt gewijzigd:

A

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verhoogd met 0,06.

B

Het percentage, genoemd in de eerste regel van kolom IV van de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel, wordt verhoogd met 0,06.

C

Het in artikel 22, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 14. Voorts wordt «2,1%» vervangen door: 3,05%.

D

In artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 229. Voorts wordt «verminderd, doch niet verder dan tot € 184, met» vervangen door: verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met.

ARTIKEL VIII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2017 als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel 22, tweede lid, genoemde bedrag wordt verlaagd met € 39.

B

In artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, wordt het als tweede vermelde bedrag verhoogd met € 130.

ARTIKEL IX

Indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2015, bij het begin van het kalenderjaar 2016, onderscheidenlijk bij het begin van het kalenderjaar 2017, wordt toegepast, worden, met overeenkomstige toepassing van dat artikel, bij ministeriële regeling eveneens gewijzigd:

a. bij het begin van het kalenderjaar 2015: de in artikel II, onderdelen J en K, artikel III, onderdelen C en D, artikel IV, onderdelen A en B, artikel VI, onderdelen C en D, artikel VII, onderdelen C en D, en artikel VIII, onderdelen A en B, eerstvermelde bedragen;

b. bij het begin van het kalenderjaar 2016: de in artikel III, onderdelen C en D, artikel IV, onderdelen A en B, artikel VII, onderdelen C en D, en artikel VIII, onderdelen A en B, eerstvermelde bedragen;

c. bij het begin van het kalenderjaar 2017: de in artikel IV en artikel VIII vermelde bedragen.

ARTIKEL X

Na toepassing van de artikelen II, III, VI of VII worden de bedragen in kolom III van de tabel in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij ministeriële regeling gewijzigd in de bedragen die na toepassing van die artikelen voortvloeien uit de in de kolommen I en II van die tabel vermelde bedragen en de in kolom IV van die tabel vermelde percentages. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bedragen in kolom III van de tabel in artikel 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, op de bedragen in kolom III van de tabel in artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en op de bedragen in kolom III van de tabel in artikel 20b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

ARTIKEL XI

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, vervallen de onderdelen 1°, 2° en 4° onder vernummering van de onderdelen 3° en 5° tot onderdelen 1° en 2°.

2. In het eerste lid, onderdeel c, onder 2° (nieuw), wordt «artikel 31 van die wet» vervangen door: artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964.

3. Het eerste lid, onderdelen d, f, g en ga, vervalt.

4. In het eerste lid, onderdeel h, onder 2°, wordt «het derde lid» vervangen door: het tweede lid.

5. Het eerste lid, onderdeel r, vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel q door een punt.

6. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.

7. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. De ministeriële regelingen, bedoeld in deze wet, worden, voor zover niet anders is bepaald, uitgevaardigd door Onze Minister, wat betreft de regelingen, bedoeld in de artikelen 17, 18 en 20, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. In het tweede lid wordt «Artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 5» vervangen door «Artikel 2, derde, vierde en vijfde lid,». Voorts wordt «zijn» vervangen door: is.

2. In het derde lid wordt «de artikelen 3, eerste lid, onderdelen c, d, f en h, en 4, onderdelen a, b en e» vervangen door: de artikelen 3, eerste lid, onderdelen f en h, en 4, onderdeel e.

3. Het vierde lid vervalt.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van de onderdelen g en h tot onderdelen a en b.

2. In het derde lid wordt «De afdrachtvermindering onderwijs en de afdrachtvermindering zeevaart komen» vervangen door: De afdrachtvermindering zeevaart komt.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. Het vierde tot en met zesde lid vervallen.

E

Artikel 6 en hoofdstuk V vervallen.

F

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt «het vierde lid» telkens vervangen door: het derde lid.

G

Artikel 21, derde lid, eerste volzin, komt te luiden: Ingeval na afloop van de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft een nog niet verrekend bedrag aan S&O-afdrachtvermindering resteert, wordt dit bedrag verrekend met de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen die zijn verschuldigd over een aangiftetijdvak dat is geëindigd of nog gaat eindigen in het kalenderjaar waarin de periode valt waarop de S&O-verklaring betrekking heeft. Voor zover toepassing van de eerste volzin tot gevolg heeft dat een nog niet verrekend bedrag wordt verrekend met de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen die zijn verschuldigd over een reeds verstreken aangiftetijdvak, wordt de aangifte over dat reeds verstreken tijdvak voor de toepassing van artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 aangemerkt als een onjuiste of onvolledige aangifte.

H

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «zes kalendermaanden» vervangen door: twaalf kalendermaanden.

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot tweede tot en met vijfde lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «bedoeld in het vijfde lid» vervangen door: bedoeld in het vierde lid.

I

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. In het derde lid wordt «24 percent» telkens vervangen door «21 percent». Voorts wordt «€ 200.000» vervangen door: € 250.000.

2. In het zevende lid wordt «percentage van 24» vervangen door: percentage van 21.

J

In artikel 29, onderdeel b, wordt «percentage van 24» vervangen door: percentage van 21.

K

In artikel 30, tweede lid, vervalt telkens:, onderscheidenlijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,.

L

De artikelen 30a, 31, 34 en 41a vervallen.

ARTIKEL XII

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 23a, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

B

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid.

C

Na artikel 34a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 34b

  • 1. Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die op 31 december 2013 luidden, blijft artikel 23a, tweede lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

  • 2. Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijft artikel 25, vierde lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

ARTIKEL XIII

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, zesde lid, vervalt: artikel 11a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 of.

B

In artikel 16a wordt «geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 10bis.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 10bis.5, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsmede ten aanzien van de opbrengsten van stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 39f van de Wet op de loonbelasting 1964.

ARTIKEL XIV

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel 5°, wordt «, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden» vervangen door: alsmede aan waarde van lijfrenten.

2. Het vijfde lid vervalt.

B

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 5° wordt «artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 3.119a van die wet of de aflossing van een restschuld van een vervreemde eigen woning als bedoeld in artikel 3.120a van die wet waarvan de renten en kosten worden aangemerkt als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van die wet,.

2. In onderdeel 6°, onder b, wordt «artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 3.119a van die wet of de aflossing van een restschuld van een vervreemde eigen woning als bedoeld in artikel 3.120a van die wet waarvan de renten en kosten worden aangemerkt als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van die wet.

C

Na artikel 33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33a

  • 1. Voor één kalenderjaar worden het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdelen 5° of 6°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag en het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdeel 7°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden verhoogd tot een bedrag van € 100.000, indien:

    • a. het een schenking betreft van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een bedrag dat is geschonken ter verwerving van een zodanige eigen woning, voor de kosten van verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van die wet of de aflossing van een restschuld van een vervreemde eigen woning als bedoeld in artikel 3.120a van die wet waarvan de renten en kosten worden aangemerkt als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 van die wet, en

    • b. op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan.

    Indien de woning of het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, is verkregen van de ouders, wordt het ingevolge de eerste volzin van schenkbelasting vrijgestelde bedrag verminderd met de bedragen waarvoor de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, op enig moment door het kind is toegepast.

  • 2. De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, vindt geen toepassing indien door het kind in een eerder jaar reeds de verhoogde vrijstelling van het eerste lid is toegepast op een verkrijging van de ouders.

D

In het opschrift van hoofdstuk XIII wordt «Slotbepalingen» vervangen door: Overgangs- en slotbepalingen.

E

Vóór artikel 83 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 82

Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijft artikel 32, eerste lid, onderdeel 5°, en vijfde lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

ARTIKEL XV

In de Successiewet 1956 komt artikel 33a met ingang van 1 januari 2015 te luiden:

Artikel 33a

De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, vindt geen toepassing indien door het kind in een eerder jaar reeds de verhoogde vrijstelling van artikel 33a, zoals dat op 31 december 2014 luidde, is toegepast op een verkrijging van de ouders.

ARTIKEL XVI

In de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt artikel 3 als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, onderdeel b, vervalt.

2. Het negende lid vervalt.

ARTIKEL XVII

Het aan de ondernemer toekomend recht om de belasting in aftrek te brengen op het tijdstip dat de belasting in rekening is gebracht ter zake van goederen en diensten voor zover deze waren bestemd voor de vervaardiging van een goed als bedoeld artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals dat artikel luidde op 31 december 2013, blijft in stand voor zover de ondernemer dit recht al had vóór 1 januari 2014. Deze aftrek wordt herzien bij ingebruikname van de goederen en diensten in de zin van artikel 15, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

ARTIKEL XVIII

In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt in artikel 12b, tweede volzin, «constatering» vervangen door: constatering met dien verstande dat het tijdstip ter zake van het in artikel 1, zesde lid, genoemde feit wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 13, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

ARTIKEL XIX

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 7 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Een houder als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, niet zijnde een lichaam, wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland:

    • a. is ingeschreven in de basisadministratie van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; of

    • b. niet is ingeschreven in de basisadministratie, bedoeld in onderdeel a, maar verplicht is tot het doen van aangifte van verblijf en adres ingevolge artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

  • 4. Een houder als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijnde een onderneming of rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland te zijn gevestigd indien hij in Nederland is ingeschreven in het handelsregister, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Handelsregisterwet 2007.

B

In artikel 13 wordt na het eerste lid, onder vernummering van het tweede tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van artikel 7, derde lid, vangt, in afwijking van het eerste lid, voor dat motorrijtuig het tijdvak aan met ingang van de dag waarop de houder zich heeft ingeschreven of had moeten inschrijven in de basisadministratie van persoonsgegevens, bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum. Voor de toepassing van artikel 7, vierde lid, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing.

C

Aan artikel 34, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien artikel 7, derde of vierde lid, van toepassing is, wordt de na te heffen belasting berekend vanaf het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

D

In artikel 37 wordt «bedoeld in de artikelen» vervangen door: bedoeld in de artikelen 13, tweede lid,.

E

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «ten minste 30 jaar geleden» vervangen door: ten minste 40 jaar geleden.

2. Het derde en vierde lid vervallen onder vernummering van het vijfde lid tot derde lid.

F

In artikel 81a wordt «en 37c, eerste lid,» vervangen door: 37c, eerste lid, en 84a.

G

Na hoofdstuk X wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK XA. OVERGANGSRECHT OUDERE MOTORRIJTUIGEN

Artikel 84a

  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk is in afwijking van artikel 10 het tijdvak een kalenderjaar.

  • 2. Op verzoek bedraagt het toe te passen tarief over het tijdvak het bedrag aan belasting, genoemd in de artikelen 23, 24, 24a, 24b, 25, 25a of 25c, zoals deze artikelen luidden op 31 december voorafgaand aan het tijdvak. Het ingevolge de eerste volzin bepaalde bedrag aan belasting bedraagt, met inbegrip van de provinciale opcenten, bedoeld in artikel 222 van de Provinciewet, ten hoogste € 120.

  • 3. Het tarief, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast indien:

    • a. het motorrijtuig vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik is genomen, maar het tijdstip van eerste ingebruikneming nog geen 40 jaar geleden is;

    • b. het motorrijtuig, indien het een personenauto of bestelauto betreft, is bestemd om te worden aangedreven door een kracht die uitsluitend wordt ontleend aan benzine als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c;

    • c. met het motorrijtuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt in de maanden januari, februari en december van hetzelfde tijdvak, met uitzondering van de dag waarop het motorrijtuig aan een keuring wordt onderworpen ter zake van de afgifte van een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d. het motorrijtuig, indien het een vrachtauto of autobus betreft, niet bedrijfsmatig wordt gebruikt; en

    • e. het bedrag aan belasting, bedoeld in het tweede lid, is betaald bij de aanvang van het tijdvak.

  • 4. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte.

  • 5. De betaling van het over het tijdvak verschuldigde bedrag aan belasting wordt, onder vermelding van het betalingskenmerk als aangegeven door de inspecteur, voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als het verzoek, bedoeld in het tweede lid.

  • 6. Voor een motorrijtuig waarvoor in de loop van het tijdvak een kenteken is opgegeven, vangt, voor de toepassing van dit hoofdstuk, het tijdvak aan met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs en vervolgens telkenmale met ingang van 1 januari.

  • 7. Bij wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs in de loop van het tijdvak wordt de belasting door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, verschuldigd met ingang van het eerstvolgende tijdvak. De eerste volzin is niet van toepassing indien degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld niet of niet langer voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden.

  • 8. Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden wordt dit aangemerkt als een verandering aan het motorrijtuig en doet de houder een aanvullende aangifte uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag dat niet of niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. De aanvullende aangifte geldt:

    • a. indien deze wordt gedaan door degene die bij aanvang van het tijdvak het motorrijtuig houdt, voor het lopende tijdvak;

    • b. indien deze wordt gedaan door een andere houder dan als bedoeld in onderdeel a, voor de tijdvakken die aanvangen na het lopende tijdvak dat is bepaald zonder toepassing van dit hoofdstuk.

  • 9. Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig waarvoor de belasting is betaald op de voet van dit artikel, niet wordt voldaan aan de bij of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden, kan de belasting die zonder toepassing van dit artikel over het gehele kalenderjaar verschuldigd zou zijn geweest, worden nageheven met overeenkomstige toepassing van artikel 76. Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van toepassing.

  • 10. Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven de artikelen 11, 12, 13, 15, derde lid, 16, 17, vierde lid, 18, 19, 20, 21, 27, 30, 33, tweede, derde en vierde lid, en 36 buiten toepassing.

  • 11. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 84b

  • 1. In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt voor het tijdvak 2014 de betaling, bedoeld in artikel 84a, vijfde lid, gedaan vóór 1 maart 2014.

  • 2. In afwijking van artikel 84a, derde lid, onderdeel c, mag in de maanden januari en februari 2014 gebruik van de weg worden gemaakt.

ARTIKEL XX

De Wet op de accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «€ 6,05» vervangen door: € 6,40.

2. In onderdeel b wordt «€ 26,94» vervangen door: € 28,49.

3. In onderdeel c wordt «€ 35,90» vervangen door: € 37,96.

4. In onderdeel d wordt «€ 44,90» vervangen door: € 47,48.

B

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «€ 41,78» vervangen door: € 44,18.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «€ 83,56» vervangen door: € 88,36.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «€ 122,75» vervangen door: € 129,81.

4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «€ 45,63» vervangen door: € 48,25.

5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «€ 240,58» vervangen door: € 254,41.

C

Artikel 11d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «€ 100,22» vervangen door: € 105,98.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «€ 141,17» vervangen door: € 149,29.

3. In het tweede lid wordt «€ 240,58» vervangen door: € 254,41.

D

In artikel 13 wordt «€ 15,94» vervangen door: € 16,86.

E

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. halfzware olie en gasolie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C € 477,76;

2. Het derde lid vervalt.

F

Na artikel 71h wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71i

  • 1. Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor vloeibaar gemaakt aardgas, vloeibaar gemaakt methaan en vloeibaar gemaakt biogas dat is onderworpen aan het tarief, genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel d.

  • 2. De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 125 per 1.000 kg.

  • 3. De teruggaaf wordt verleend aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of aan de geregistreerde geadresseerde die het vloeibaar gemaakt aardgas, vloeibaar gemaakt methaan of vloeibaar gemaakt biogas in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018 heeft uitgeslagen tot verbruik.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld aan het verzoek om teruggaaf, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

G

In artikel 84a, zevende lid, wordt «€ 91» vervangen door: € 250.

ARTIKEL XXI

In de Wet op de accijns wordt artikel 35, eerste lid, met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt het totale bedrag van de accijns per 1000 stuks verhoogd met € 4,74.

2. In onderdeel c wordt het totale bedrag van de accijns per kilogram verhoogd met € 2,25.

ARTIKEL XXII

In de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten wordt artikel 10, eerste lid, als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «€ 4,13» vervangen door: € 5,70.

2. In onderdeel b wordt «€ 5,50» vervangen door: € 7,59.

ARTIKEL XXIII

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 47, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel u door een puntkomma, vijf onderdelen toegevoegd, luidende:

  • v. coöperatie: een coöperatie als bedoeld in artikel 53, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • w. vereniging van eigenaars: een vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    • x. productie-installatie: een productie-installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ah, van de Elektriciteitswet 1998, waarvan de aansluiting zich bevindt in een postcodegebied;

    • y. postcodesysteem: het postcodesysteem, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van de Postwet 2009, dat wordt gebruikt door de verlener van de universele postdienst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Postwet 2009;

    • z. postcodegebied: een gebied waarbinnen de postcodes in het postcodesysteem beginnen met hetzelfde getal van vier cijfers.

B

Na artikel 59 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 59a

  • 1. Het tarief voor elektriciteit, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel c, wordt voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid dat niet hoger is dan 10 000 kWh verlaagd met € 0,075 per kWh voor zover de elektriciteit in het kader van een daartoe met een aangewezen coöperatie gesloten overeenkomst wordt geleverd aan een lid van die coöperatie via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3x80A.

  • 2. De verlaging, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voor de via de aansluiting geleverde elektriciteit, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. de leden van de coöperatie zijn uitsluitend natuurlijke personen;

    • b. de onroerende zaak die door middel van de in het eerste lid bedoelde aansluiting met het distributienet is verbonden, dient in hoofdzaak tot gebruik als woning en wordt bewoond door het lid van de coöperatie;

    • c. de coöperatie heeft in de met betrekking tot haar leden overeengekomen verbruiksperiode ten minste eenzelfde hoeveelheid aan dat lid toegerekende elektriciteit opgewekt als de hoeveelheid elektriciteit waarvoor de in het eerste lid bedoelde verlaging wordt toegepast;

    • d. de door de coöperatie opgewekte elektriciteit, bedoeld in onderdeel c, is opgewekt met behulp van een productie-installatie die juridisch en economisch eigendom is van de coöperatie;

    • e. de productie-installatie, bedoeld in onderdeel d, wordt uitsluitend gebruikt voor de opwekking van elektriciteit door middel van hernieuwbare energiebronnen;

    • f. de aansluiting via welke de elektriciteit aan het lid wordt geleverd, bevindt zich in hetzelfde postcodegebied als de verbinding van de productie-installatie, bedoeld in onderdeel c, met een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998, dan wel in een aangrenzend postcodegebied; en

    • g. noch ter zake van de opwekking van de elektriciteit door de coöperatie, noch ter zake van de daartoe gebruikte productie-installatie, is of wordt van rijkswege een financiële tegemoetkoming of subsidie verstrekt.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing van een coöperatie als bedoeld in het eerste lid. Behoudens daarbij te bepalen uitzonderingen komen coöperaties waarvan één of meer leden ondernemer zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, niet voor aanwijzing in aanmerking.

  • 4. Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 59b

Voor de toepassing van het verlaagde tarief, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, wordt onder een coöperatie mede verstaan een vereniging van eigenaars, met dien verstande dat in geval van levering van de elektriciteit aan een lid van een vereniging van eigenaars:

  • a. in afwijking van artikel 59a, tweede lid, onderdeel a, slechts de voorwaarde wordt gesteld dat het lid van de vereniging van eigenaars zelf een natuurlijke persoon is;

  • b. de productie-installatie moet zijn aangebracht op of aan het gebouw met toebehoren of de daarbij behorende grond met toebehoren, ter zake waarvan de vereniging van eigenaars is opgericht.

ARTIKEL XXIV

Met ingang van 1 januari 2017 wordt in de Wet belastingen op milieugrondslag het in artikel 59, eerste lid, onderdeel c, opgenomen tarief voor een geleverde hoeveelheid die niet hoger is dan 10000 kWh verhoogd met € 0,0003.

ARTIKEL XXV

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door «artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964». Voorts vervalt: of aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964.

B

Artikel 89 komt te luiden:

Artikel 89

Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijft artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, zoals dat op 31 december 2013 luidde, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

ARTIKEL XXVI

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door: artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964.

B

Artikel 44b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door «artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964». Voorts vervalt: of de aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht, bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het tweede lid wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door: artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964.

C

Na artikel 70d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 70e

Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de artikelen 36a, tweede lid, onderdeel b, en 44b, eerste en tweede lid, zoals die op 31 december 2013 luidden, met overeenkomstige toepassing van artikel 39f, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van toepassing.

ARTIKEL XXVII

De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 8 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In de omstandigheden, bedoeld in het derde lid, wordt in afwijking van het in dat lid bepaalde op verzoek van een of meer van de erfgenamen het toetsingsinkomen dat betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het berekeningsjaar als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

B

Artikel 8a, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «ingeval hij op de voet van artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou hebben gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen» vervangen door: ingeval hij binnenlandse belastingplichtige zou zijn.

2. In onderdeel c wordt «ten aanzien» vervangen door: ten aanzien van.

ARTIKEL XXVIII

In de Provinciewet wordt aan artikel 222, derde lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. indien de hoofdsom en de provinciale opcenten zonder toepassing van artikel 84a, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, samen meer bedragen dan het maximum, bedoeld in dat artikel, wordt voor de berekening van de provinciale opcenten, het maximum verminderd met de hoofdsom, waarbij het aandeel van de hoofdsom ten hoogste het genoemde maximum kan bedragen.

ARTIKEL XXIX

In de Wet opslag duurzame energie komt artikel 1, derde lid, onderdeel a, te luiden:

  • a. de tariefsverlaging, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, en de belastingvermindering, bedoeld in artikel 63, eerste lid, niet gelden;.

ARTIKEL XXX

In het Belastingplan 2011 vervalt artikel IIIbis, onderdelen A, B en C.

ARTIKEL XXXI

De Wet uitwerking autobrief wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel XXVA komt te luiden:

ARTIKEL XXVA

B

Artikel XXVB komt te luiden:

ARTIKEL XXVB

In de Wet op de accijns wordt in artikel 27, eerste lid, onderdeel d, «€ 322,17» met ingang van 1 januari 2015 vervangen door: € 334,67.

ARTIKEL XXXII

In de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 wordt in artikel III «1 januari 2014» vervangen door: 1 januari 2015.

ARTIKEL XXXIII

De Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel D, laatste volzin, komt te luiden: Ten slotte wordt «en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag» vervangen door:, het in artikel 3.127, derde lid, laatstvermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag.

B

In artikel III, onderdeel K, wordt «artikel 39e» vervangen door «artikel 39f». Voorts wordt «Artikel 39f» vervangen door: Artikel 39g.

C

Artikel V vervalt.

ARTIKEL XXXIV

  • 1. De artikelen 10.1 en 10.3, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 32bb, negende lid, en 32bc, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 vinden geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2014.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 10.7, tweede en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2014 wordt de toepassing van artikel 10.1 van die wet geacht te hebben plaatsgevonden op basis van een tabelcorrectiefactor als bedoeld in artikel 10.2 van die wet van 1.

ARTIKEL XXXV

Artikel 27a van de Wet op de accijns vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2014 op het bedrag genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel b, van die wet.

ARTIKEL XXXVI

Ingeval de samenloop van wetten die in 2013 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in één of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

ARTIKEL XXXVII

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat:

    • a. indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2015 wordt toegepast: artikel II, onderdelen J en K, eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 10.1 en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • b. indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2016 wordt toegepast: artikel III, onderdelen C en D, eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 10.1 en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • c. indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt toegepast: artikel IV eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 10.1 en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • d. indien artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2015 wordt toegepast: artikel VI, onderdelen C en D, eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 22d en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • e. indien artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2016 wordt toegepast: artikel VII, onderdelen C en D, eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 22d en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • f. indien artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt toegepast: artikel VIII eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 22d en artikel IX bij het begin van genoemd kalenderjaar zijn toegepast;

    • g. artikel XIX, onderdeel F, eerst toepassing vindt nadat artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bij het begin van het kalenderjaar 2014 is toegepast;

    • h. indien artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag bij het begin van het kalenderjaar 2017 wordt toegepast: artikel XXIV eerst toepassing vindt nadat genoemd artikel 90 bij het begin van genoemd kalenderjaar is toegepast;

    • i. de wijziging ingevolge artikel XXVII, onderdeel A, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot berekeningsjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2011;

    • j. artikel XXX toepassing vindt voordat artikel IIIbis, onderdelen A, B en C, van het Belastingplan 2011 wordt toegepast;

    • k. artikel XXXI, onderdeel A, toepassing vindt voordat artikel XXVA van de Wet uitwerking autobrief wordt toegepast;

    • l. artikel XXXII toepassing vindt voordat artikel III van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 wordt toegepast;

    • m. artikel XXXIII toepassing vindt voordat artikel V van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen wordt toegepast.

  • 2. Artikel XIV, onderdeel B, werkt terug tot en met 29 oktober 2012.

  • 3. Artikel I, onderdeel F, en artikel XIV, onderdeel C, werken terug tot en met 1 oktober 2013.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXVII, onderdeel B, onder 1, in werking met ingang van 1 januari 2015.

ARTIKEL XXXVIII

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2014.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

De Staatssecretaris van Financiën,

Naar boven