Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 november 2013
Zoals aangekondigd in de beantwoording van de schriftelijke vragen die zijn gesteld
door de leden Knops en Agnes Mulder (beiden CDA) informeer ik u hierbij nader over
de stand van zaken en ontwikkelingen in verband met onderzoeken in het kader van de
nazorg voor de steenkolenwinning in Zuid-Limburg en de behandeling van de aan de voormalige
steenkolenwinning gerelateerde schadegevallen.
Vanaf de veertiende eeuw tot 1974 is in Zuid-Limburg steenkool gedolven. In een groot
gebied, dat zich uitstrekte tot in Duitsland en België, werd in de ondergrond steenkool
weggehaald. Ook is er grondwater uit de diepe ondergrond weggepompt om ondergronds
droog te kunnen werken. Aan het maaiveld leidde dit indertijd al tot bodembeweging
en mijnschade. De laatste jaren zijn er aanwijzingen dat de voormalige steenkolenwinning
in Zuid-Limburg mogelijk ook op langere termijn nog na-ijlende effecten heeft. Holtes
die de steenkolenwinning in de ondergrond heeft achtergelaten (schachten en nog open
mijngangen) en het mijnwater dat na het stoppen van het wegpompen van mijnwater in
1994 weer is gaan stijgen, lijken hierin een rol te spelen. Er is nader onderzoek
nodig naar de aard, de omvang en de risico’s van deze mogelijke na-ijlende gevolgen.
Ook moet onderzocht worden of, en zo ja, welke maatregelen genomen zouden moeten worden
om mogelijke toekomstige risico’s voor de veiligheid in deze regio te voorkomen, te
verminderen of beheersbaar te houden.
Onderzoek naar gevolgen mijnbouw
Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft zeven mogelijke na-ijlende gevolgen van de
voormalige steenkolenwinning vastgesteld: bodemstijging, verzakkingen bij schachten,
verzakkingen boven ondiepe winningen, vervuiling van grondwater, stijging van grondwater,
vrijkomen van mijngas en lichte aardbevingen. Het is onvoldoende duidelijk of, waar
en wanneer deze effecten daadwerkelijk kunnen optreden in de Zuid-Limburgse mijnstreek.
Ook is er nog te weinig kennis over de risico’s voor het ontstaan van materiële schade
en voor de veiligheid van bewoners. Om dit beter in beeld te krijgen is er specifiek
onderzoek nodig, op basis waarvan mogelijk noodzakelijke beheersmaatregelen genomen
kunnen worden.
Daarom heb ik besloten om onder leiding van SodM onderzoeken te laten doen naar de
genoemde mogelijke gevolgen van de mijnbouw in Zuid-Limburg. Een belangrijk onderdeel
vormt het onderzoek naar het stijgende waterpeil in de verlaten mijnen, de mogelijke
gevolgen hiervan voor de stabiliteit van de bovengrond en mogelijke schade hierdoor
aan bijvoorbeeld woningen. Bij deze onderzoeken worden ook de drie rechtsopvolgers
van voormalige kolenwinningsbedrijven en de gemeenten in de Limburgse mijnstreek betrokken.
Omdat de mijnstreek overloopt in mijngebieden van België en Duitsland, wordt ook gekeken
naar de situatie in deze buurlanden. De resultaten van de onderzoeken zullen uitwijzen
of en welke beheersmaatregelen nodig zijn en hoe om te gaan met mogelijke schade aan
bijvoorbeeld woningen. Naar verwachting nemen deze onderzoeken twee jaar in beslag.
Schade aan huizen door bodemverzakking
Er is tot nu toe door drie bewoners uit Kerkrade een verzoek ingediend bij het Waarborgfonds
mijnbouwschade tot vergoeding van schade aan hun eigendommen. Naar het oordeel van
de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) is deze schade redelijkerwijs het gevolg
van de vroegere kolenwinning. Zij hebben de claim ingediend bij het Waarborgfonds
omdat ze niet meer terecht kunnen bij de kolenmijnbouwonderneming die de schade zou
hebben veroorzaakt. Deze onderneming is namelijk in 1996 opgehouden te bestaan en
heeft geen rechtsopvolger op wie de schade zou kunnen worden verhaald. Het geld in
dit fonds wordt gestort door mijnbouwondernemingen uit de sectoren olie- en gaswinning,
zoutwinning en opslag van stoffen. Deze bedrijven hebben geen rol gespeeld bij de
kolenwinning in Zuid-Limburg. Ik ben als minister van Economische Zaken beheerder
van dit fonds, dat eigen rechtspersoonlijkheid heeft, en vertegenwoordig dit fonds
in en buiten rechte met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder
de regels van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van verjaring. De mijnbouwactiviteiten
die de schade zouden kunnen hebben veroorzaakt, zijn meer dan dertig jaar geleden
beëindigd. Ik heb daarom de drie verzoeken van deze bewoners tot uitkering uit het
Waarborgfonds afgewezen vanwege verjaring. De door deze burgers geleden schade komt
daardoor niet in aanmerking voor vergoeding uit het Waarborgfonds mijnschade.
Schrijnende schadegevallen
Parallel aan de onderzoeken naar de na-ijlende gevolgen van de steenkolenwinning,
wil ik kijken of het wenselijk en haalbaar is een fonds in te richten voor tegemoetkoming
van schrijnende schadegevallen. Op korte termijn wil ik hiervoor in overleg treden
met de betrokken gemeenten in Zuid-Limburg en de drie resterende rechtsopvolgers van
de voormalige kolenwinningsbedrijven. Met inachtneming van hun verantwoordelijkheden
zouden betrokken partijen een gezamenlijk fonds kunnen financieren en beheren waaruit
schrijnende schadegevallen een tegemoetkoming zouden kunnen krijgen. Als de uitkomsten
van de onderzoeken en/of de gesprekken met betrokken partijen leiden tot het inrichten
van een dergelijk fonds, zal worden bezien of ook de huidige schadegevallen waarbij
sprake is van verjaring, voor een tegemoetkoming uit dit nieuwe fonds in aanmerking
komen.
De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp