Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-XII nr. 89

33 750 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) voor het jaar 2014

Nr. 89 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 mei 2014

Tijdens het Algemeen Overleg met uw vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu op 23 april 2014 over de Waddenveren is het bereikte schikkingsarrangement aan de orde geweest. Daarbij ben ik onder meer ingegaan op de intrekking van de beroepsprocedure tegen de concessieverlening bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). In het kader van die (nationale) beroepsprocedure heeft het CBb zogenoemde prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Mij is tijdens het AO gevraagd wat de rechtsgevolgen zouden zijn, als het Europese Hof van Justitie – ondanks de intrekking van de procedure – nog over zou gaan tot beantwoording van die prejudiciële vragen. Ik heb toegezegd daar schriftelijk op terug te komen. Met deze brief geef ik invulling aan die toezegging.

Alle door het schikkingsarrangement bestreken procedures en claims zijn inmiddels ingetrokken. Dat geldt ook voor de beroepsprocedure tegen de concessieverlening bij het CBb. Daarmee zijn de aan TSM/Doeksen en Wagenborg verleende concessies onherroepelijk geworden.

In de nationale procedure tegen de concessieverlening heeft het CBb prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld. In afwachting van het antwoord op die vragen is de procedure bij het CBb geschorst.

Inmiddels is de beroepsprocedure tegen de concessieverlening ingetrokken en is de beëindiging ervan schriftelijk bevestigd door het CBb. Het CBb heeft aansluitend (bij brief van 22 april 2014) aan het Europese Hof van Justitie verzocht tot doorhaling van de prejudiciële zaak. Met de intrekking van de nationale procedure die ten grondslag ligt aan de gestelde vragen, behoeven deze vragen namelijk geen beantwoording meer.

Mocht het Europese Hof om welke reden dan ook alsnog de vragen van het CBb beantwoorden, dan brengt dat geen rechtsgevolgen met zich mee. De beëindiging van de procedure bij het CBb en van de andere procedures kan door eventuele beantwoording van prejudiciële vragen niet meer ongedaan worden gemaakt. Tegen deze achtergrond heeft eventuele beantwoording door het Europese Hof van Justitie van eerdere prejudiciële vragen dan ook geen juridische consequenties. Dat wil zeggen dat beantwoording het CBb niet meer kan binden, omdat de procedure inmiddels is afgesloten. De concessies blijven dus van kracht.

Zoals ik tijdens het Algemeen Overleg heb toegezegd, blijf ik u van relevante ontwikkelingen op de hoogte houden.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld