Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 maart 2014
Tijdens het Algemeen Overleg op 11 december 2013 (Kamerstuk 33 750 XII, nr. 68) over de stand van zaken met betrekking tot de AWACS heb ik toegezegd schriftelijk
te reageren op de rapportages van het bureau DGMR. DGMR heeft samen met Sensornet
B.V., dat in de regio het mede door I&M gefinancierde geluidsmeetnet in beheer heeft,
een analyse uitgevoerd van de meetresultaten. Met deze brief kom ik deze toezegging
na. Ik betrek hierbij rapportages van genoemd bureau van 25 april 2013, 4 oktober
2013 en 13 december 2013.1
Alvorens op de rapportage van DGMR in te gaan hecht ik eraan om te benadrukken dat
de methodiek om een geluidsreductie van 35 procent te realiseren en te valideren,
gebaseerd is op het beschouwen van de geluidsbelasting in Kosten-eenheden (Ke). Dit
is conform de daartoe strekkende luchtvaartwetgeving. Dit houdt in dat hierbij de
geluidsbelasting voor alle vliegtuigbewegingen over een geheel jaar wordt berekend.
Daarbij wordt – naast de geluidsniveaus tijdens de beweging – rekening gehouden met
andere karakteristieken zoals gebruikte vliegtuigtypen, gevolgde vliegprocedures en
de tijdstippen waarop vluchten plaatsvinden (dag, avond of nacht). De validatie op
deze berekening is gebaseerd op een vergelijking van de berekende geluidsbelasting
in Ke met die op basis van gemeten geluidsbelasting; zie daartoe het u bij brief van
9 november 2011 toegezonden voorstel voor validatie (bijlage bij Kamerstuk 33 000 XII, 33 000 X, nr. 6). Deze wettelijk voorgeschreven berekeningswijze is uitvoerig met uw Kamer besproken.
DGMR constateert dat de rijksoverheid het doel voor de geluidsreductie in zoverre
heeft bereikt dat het gestelde doel reeds in 2008 vrijwel was gerealiseerd, doordat
niet de werkelijke geluidsbelasting maar «het theoretisch maximaal aantal vliegbewegingen»
(waarschijnlijk wordt het maximaal aantal toegestane vliegbewegingen bedoeld) als
uitgangspunt is gehanteerd.
Deze constatering van DGMR is in het licht van de in dat jaar geconstateerde omvang
van het vliegverkeer op zich juist. Het is echter hierbij belangrijk te constateren
dat de motie Neppérus en Samsom (Kamerstuk 31 700 XI, nr. 78) aangeeft dat de te bereiken geluidsreductie ad 35 procent in 2012 gerealiseerd moest
zijn en dat hierbij eveneens het maximaal toegestane aantal vliegbewegingen als referentie
geldt. Voor dit maximale aantal is uitgegaan van het in 2008 geldende maximum van
3600 vliegtuigbewegingen en de in dat jaar optredende karakteristieken van het werkelijk
opgetreden vliegverkeer.
Inherent aan de voorgeschreven berekeningsmethodiek, kan een groot aantal vluchten
met een laag piekgeluidniveau in eenzelfde geluidsbelasting resulteren als een lager
aantal vluchten met een hoger piekgeluidniveau. Dit impliceert echter niet dat deze
berekeningsmethodiek voor de vliegbasis Geilenkirchen ongeschikt is. De wettelijk
voorgeschreven wijze van berekenen houdt namelijk rekening met alle voor de geluidsbelasting
relevante factoren. De regelgeving behoeft aldus geen aanpassing.
DGMR constateert dat er nog steeds veel passages van AWACS-vliegtuigen voorkomen met
piekniveaus boven 100 dB(A). Over de periode 2008–2012 neemt het percentage passages
met piekniveaus onder de 100 dB(A) af. Het verminderen van het aantal vluchten lijkt
op incidenteel zeer hoge piekniveaus geen invloed te hebben.
Het is inderdaad betreurenswaardig dat het ondanks alle inspanningen tot op heden
niet mogelijk is gebleken de NAVO te overtuigen van de noodzaak tot vervanging van
motoren van de vliegtuigen door geluidsarmere. Hierdoor blijven er passages van (AWACS)vliegtuigen
met een hoog piekgeluidniveau. Het is echter wel gelukt om een aantal maatregelen
door te voeren die de geluidsbelasting hebben gereduceerd. Met de resultaten hiervan
ben ik tevreden. Bij deze doorgevoerde maatregelen horen overigens ook maatregelen
die hebben geleid tot een lager aantal passages met een hoog piekniveau. Zo gaat de
inzet van moderne vrachtvliegtuigen – in de plaats van de zogenoemde Trainer Cargo
Aircraft – gepaard met beduidend lagere piekbelastingen en de inzet van simulatoren
heeft ervoor gezorgd dat vliegbewegingen niet meer hoeven plaats te vinden (en dat
de daarmee gepaard gaande piekbelastingen aldus niet meer optreden). Het geheel van
maatregelen is geschetst in eerdere brieven aan uw Kamer; in mijn brief van 3 april
2013 (Kamerstuk 33 400 XII, nr. 58) omtrent het bereiken van de ten doel gestelde geluidsreductie heb ik aangegeven
dat deze maatregelen tot nu toe succesvol zijn. Het kabinet spant zich in om deze
reductie vast te houden.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld