Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-VIII nr. 102

33 750 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014

Nr. 102 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 maart 2014

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake de stand van zaken betreffende het toezichtkader van de Inspectie van het Onderwijs mede naar aanleiding van het rondetafelgesprek over onderwijsvernieuwingen van 12 maart 2014.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

1. Hoe wordt het toezichtkader vastgesteld? Wat is de procedure, wie worden geraadpleegd

De toezichtkaders komen tot stand op basis van overleg tussen de inspectie en het onderwijsveld. Dit overleg vindt in alle sectoren regelmatig plaats en is gericht op consensus. Toezicht kan immers pas dan daadwerkelijk effectief zijn, als het draagvlak heeft. De procedure staat in de Wet op het onderwijstoezicht (artikel 13). De Memorie van Toelichting (2001) gaat nader op de procedure in. Door overleg tussen de inspectie en betrokkenen (met name vertegenwoordigers van het onderwijsveld, maar ook bijvoorbeeld ouders, leraren, lokale overheden, wetenschappers en andere deskundigen) kunnen er toezichtkaders worden gemaakt die goed aansluiten bij de onderwijspraktijk en de heersende opvattingen over kwaliteit in de sectoren en – breder – in de samenleving.

2. Door wie wordt het toezichtkader vastgesteld en wat is daarbij de rol van de regering en het parlement?

De toezichtkaders worden uiteindelijk door de inspectie vastgesteld. Ze behoeven goedkeuring van mij en de Staatssecretaris en worden bekendgemaakt in de Staatscourant. Tegenover het parlement zijn wij volledig verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de taakuitoefening door de inspectie, ook voor de toezichtkaders. Het is gebruikelijk dat nieuwe toezichtkaders naar uw Kamer gestuurd worden.

3. Wat zijn de ervaringen met het gebruik van het huidige toezichtkader?

De ervaringen met het gebruik van de huidige toezichtkaders zijn in het algemeen positief. De toezichtkaders komen tot stand in overleg met het onderwijsveld. De inspectie zet het toezichtkader gericht en dus in de regel voor een beperkt deel in, namelijk op de geconstateerde risico’s.

De tevredenheid van instellingen met het toezicht van de inspectie wordt gemonitord via tevredenheidsonderzoek dat de inspectie zelf uitvoert en ook via onafhankelijke evaluatie.

4. Zijn hierover opmerkingen, suggesties of kritiek vanuit de scholen? Zo ja, wat wordt hiermee gedaan?

Het onderwijsveld kan opmerkingen, suggesties of kritiek inbrengen in het reguliere overleg met de inspectie. In de regel honoreert de inspectie opmerkingen, suggesties of kritiek over de werkwijze van de inspectie waar dat mogelijk is. Feedback die de Staatssecretaris en ik vanuit de scholen ontvangen nemen wij ook serieus. In een aantal gevallen heeft dit ook bijgedragen aan gewijzigd beleid en gewijzigde regels.

5. Wat zijn de mogelijkheden tot wijziging van het toezichtkader?

Toezichtkaders zijn geen statische documenten. Ze kunnen dus gewijzigd worden. Aan de hand van voortschrijdend inzicht over toezicht en onderwijskwaliteit, opgedane praktijkervaringen of reacties uit het onderwijsveld. Wijziging kan in principe altijd. Dat moet dan wel weer op basis van het eerder bedoelde op consensus gerichte overleg.