Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-A nr. 89

33 750 A Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2014

Nr. 89 MOTIE VAN DE LEDEN DE BOER EN VAN VELDHOVEN

Voorgesteld 3 juli 2014

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor de korte termijn gekozen wordt voor de variant Kopmaken in Deventer voor de goederenroutering door Oost-Nederland, maar dat de provincies Overijssel, Gelderland en het Havenbedrijf Rotterdam in vergelijking met het gebruik van bestaand spoor een voorkeur hebben voor een nieuwe spoorlijn langs de N18;

overwegende dat bij een aantrekkende economische groei er vanaf 2030 een capaciteitstekort kan ontstaan en het spoorgoederenvervoer overlast langs bestaand spoor veroorzaakt;

overwegende dat de positie van de Nederlandse zeehavens en industrie versterkt kan worden door een tijdige realisatie van voldoende spoorcapaciteit naar Oost- en Midden-Europa;

verzoekt de regering, naast het monitoren op groei van het spoorgoederenvervoer tevens het economisch perspectief van de havens, de spoorgoederenvervoerders en voor Nederland mee te wegen door een tijdige realisatie van voldoende spoorcapaciteit naar het Europese achterland, en dit najaar te onderzoeken wat de uiteindelijke kosten zijn van een eventuele spoorlijn voor goederenvervoer langs de N18, welke procedures gevolgd moeten worden en welk tijdsbestek nodig is voor besluitvormingsprocedures en realisatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De Boer

Van Veldhoven