Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433749 nr. 4

33 749 Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343)

Nr. 4 ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT 1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 30 augustus 2013en het nader rapport d.d. 24 september 2013, aangeboden aan de Koning door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2013, no. 13.001429, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L 343), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel beoogt Richtlijn 2011/98/EU betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat (hierna: de richtlijn) te implementeren. De richtlijn is van toepassing op onderdanen van derde landen die verzoeken te mogen verblijven in een lidstaat met het oog op werk. De richtlijn is uitdrukkelijk niet van toepassing op burgers van de Unie en hun gezinsleden, ter beschikking gestelde werknemers, binnen een onderneming overgeplaatste werknemers, seizoenswerkers, au pairs, asielzoekers, vluchtelingen, langdurig ingezetenen, zelfstandigen of zeevarenden. De meeste langdurig ingezetenen, zelfstandigen, vluchtelingen, EU-burgers en hun gezinsleden, zijn reeds vrijgesteld van de tewerkstellingsvergunningsplicht en hebben alleen een verblijfsvergunning nodig. Voor de ter beschikking gestelde werknemers, binnen een onderneming overgeplaatste werknemers, seizoenswerkers, au pairs, asielzoekers en zeevarenden blijft de tewerkstellingsvergunningsplicht wel gelden. De richtlijn verplicht dat voor derdelanders die onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen en die met het doel om arbeid te verrichten naar een lidstaat van de Europese Unie willen komen, één aanvraagprocedure wordt ingevoerd die leidt tot een gecombineerde vergunning voor zowel verblijf als arbeid. Daarnaast voorziet de richtlijn in een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, gebaseerd op gelijke behandeling met onderdanen van de lidstaat. Ter implementatie van de richtlijn wijzigt het wetsvoorstel de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000).

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de gecombineerde vergunning, de interpretatie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn, en over het overgangsrecht. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 9 juli 2013, nr. 13.001429, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 30 augustus 2013, No.W12.13.0204/III, bied ik U hierbij mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan.

In het navolgende ga ik in op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna verder aan te duiden als: de Afdeling).

1. Beschikking, gecombineerde vergunning en aanvullend document

Artikel 4, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat «[d]e lidstaten een aanvraag [voor een gecombineerde vergunning] onderzoeken en een besluit tot verstrekking, wijziging, of verlenging van de gecombineerde vergunning [nemen] indien de aanvrager aan de in het recht van de Unie of het nationale recht vastgelegde voorwaarden voldoet. Een besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van een gecombineerde vergunning vormt één enkele administratieve handeling die zowel een verblijfsvergunning als een arbeidsvergunning behelst».

Artikel 5, derde lid, van de richtlijn bepaalt dat «[h]et besluit door de bevoegde instantie schriftelijk ter kennis van de aanvrager [wordt] gebracht overeenkomstig de kennisgevingsprocedures van het toepasselijke nationale recht».

Artikel 6, eerste lid, van de richtlijn verplicht lidstaten om de verstrekte gecombineerde vergunning te laten beantwoorden aan het uniforme model dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1030/2002, gewijzigd door Verordening (EG) nr. 380/2008.2 Artikel 1 van deze Verordening schrijft voor dat «[v]erblijfstitels die de lidstaten aan onderdanen van derde landen verstrekken, aan een uniform model [beantwoorden] en ruimte [bieden] voor de in de bijlage [van de Verordening] vermelde informatie. [Deze] verblijfstitels (...) worden afgegeven als een afzonderlijk document in het formaat ID 1 of ID 2.» In de bijlage van de Verordening is een afbeelding van het uniforme model van de verblijfstitels opgenomen.3

Lidstaten kunnen daarnaast – op papier of elektronisch – aanvullende informatie opnemen in verband met de arbeidsrelatie, zoals naam en adres van de werkgever, de plaats van de tewerkstelling, de aard van het werk, de werkuren, en het loon.

Artikel 6, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat bij de verstrekking van de gecombineerde vergunning de lidstaten geen aanvullende vergunningen mogen afgeven als bewijs van het feit dat toegang is verleend tot de arbeidsmarkt.

De transponeringstabel in de memorie van toelichting vermeldt dat artikel 4 van de richtlijn wordt geïmplementeerd met een aanpassing van de artikelen 1, 5, 8, 9, 10, 12, 12a, 12b, en 13 Wav, en van de artikelen 14a, 24a en 107 van de Vw2000, dat artikel 5 aansluit op de huidige regeling, en dat artikel 6 van de richtlijn wordt geïmplementeerd met een wijziging van artikel 7 van de Wav en een wijziging van artikel 14, vijfde lid, en artikel 14a Vw2000.4

Artikel 7 Wav omschrijft dat een gecombineerde vergunning de naam en de plaats van vestiging van de werkgever en andere identificerende gegevens van de werkgever, het loon van de vreemdeling, de persoonsgegevens van de vreemdeling, de geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning alsmede een omschrijving van de aard en plaats van de door de vreemdeling te verrichten arbeid vermeldt. Dit zijn dezelfde elementen die ook op een tewerkstellingsvergunning staan. De tewerkstellingsvergunning blijft gelden voor die vreemdelingen die niet onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen.

De memorie van toelichting omschrijft vervolgens in paragraaf 3.3. de beschikking. Zij betreft enerzijds de gecombineerde vergunning waarin «zowel de voorwaarden die nu op de tewerkstellingsvergunning (conform artikel 7 Wav) als de voorwaarden voor verblijf in Nederland» zijn opgenomen, en anderzijds het aanvullende document «waarvan sprake is in artikel 6, eerste lid, van de richtlijn (...) [en waarin] meer specifieke informatie [wordt] verstrekt over de arbeidsrelatie waarvoor op het verblijfspasje geen ruimte is».5

Paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting gaat daarnaast ook in op het verblijfspasje. Het verblijfspasje wordt als volgt omschreven: «[a]ls verblijfsdocument ontvangt de vreemdeling een verblijfspasje waarop staat voor welke periode en voor welk verblijfsdoel en onder welke voorwaarden [de vreemdeling] in Nederland mag verblijven. Op de achterkant van het verblijfspasje wordt vermeld dat [de vreemdeling] in Nederland arbeid mag verrichten conform de voorwaarden die zijn opgenomen in de beschikking».6

Naar het oordeel van de Afdeling maken artikel 7 Wav, paragraaf 3.3., van de memorie van toelichting en de transponeringstabel onvoldoende duidelijk hoe invulling wordt gegeven aan artikel 4, tweede lid, artikel 5, derde lid, en artikel 6, eerste lid, van de richtlijn. Waar de richtlijn onderscheid maakt tussen (1) het besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van de gecombineerde vergunning, (2) de gecombineerde vergunning in de vorm van een verblijfspasje als uitingsvorm daarvan en (3) een eventueel aanvullend document met aanvullende informatie in verband met de arbeidsrelatie, gaan artikel 7 Wav en paragraaf 3.3. van de toelichting uit van (1) een document dat zowel gecombineerde vergunning, als beschikking, als aanvullend document wordt genoemd, en (2) een verblijfspasje.

Artikel 7 Wav geeft voorts een omschrijving van de gecombineerde vergunning die niet aan het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002 kan beantwoorden. De Afdeling merkt op dat er niet voldoende ruimte is op het document voor alle in artikel 7 Wav voorgestelde informatie.

De omschrijving van het verblijfspasje vertoont daarentegen wel de kenmerken van een gecombineerde vergunning beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002. Het verblijfspasje zou daarmee, naar het oordeel van de Afdeling, als de gecombineerde vergunning uit artikel 6, eerste lid, van de richtlijn moeten kunnen fungeren. Eventuele aanvullende informatie over de arbeidsrelatie waarvoor op het verblijfspasje geen ruimte is, kan op het besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van de gecombineerde vergunning worden bijgevoegd of als een daarvan losstaand document, niet zijnde een aanvullende vergunning omdat artikel 6, tweede lid, van de richtlijn zich daartegen zou verzetten.

De Afdeling adviseert om het voorstel en de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen, en daarbij duidelijk in de toelichting aan te geven welk document het besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van de gecombineerde vergunning betreft, welk document de gecombineerde vergunning betreft, en welk document de eventuele aanvullende informatie bevat. Tevens adviseert de Afdeling om de transponeringstabel in het licht van bovenstaande aan te passen.

1. Beschikking, gecombineerde vergunning en aanvullend document

Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling dat artikel 7 Wet arbeid vreemdelingen, paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting en de transponeringstabel onvoldoende duidelijk maken hoe invulling wordt gegeven aan artikel 4, tweede lid, artikel 5, derde lid en artikel 6, eerste lid, van de richtlijn, zijn artikel 1 en artikel 7 van de Wet arbeid vreemdelingen, artikel 1 Vreemdelingenwet 2000, de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting en het algemeen deel van de memorie van toelichting aangepast, evenals de transponeringstabel.

De definitie van de gecombineerde vergunning is gewijzigd in die zin dat expliciet is opgenomen dat het aanvullend document, zoals bedoeld in artikel 6 van de richtlijn, onderdeel uitmaakt van de gecombineerde vergunning. In het aanvullend document is opgenomen onder welke voorschriften de vreemdeling mag werken (de naam en de plaats van vestiging van de werkgever, de persoonsgegevens van de vreemdeling, de geldigheidsduur, alsmede een omschrijving van de aard en de plaats van de door de vreemdeling te verrichten arbeid, conform artikel 7 van de Wet arbeid vreemdelingen). Het verblijfspasje in combinatie met het aanvullend document functioneert als de gecombineerde vergunning. Door deze wijzigingen wordt de verhouding tussen het besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van de gecombineerde vergunning, het verblijfspasje en het aanvullende document verduidelijkt. Overigens bepaalt artikel 3.104 van het Vreemdelingenbesluit 2000 dat de beslissing om een verblijfsvergunning «regulier voor bepaalde tijd» te verlenen altijd wordt bekendgemaakt door uitreiking van het verblijfspasje.

2. Interpretatie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn

Artikel 4, vierde lid, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten «[n]a de inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsbepalingen (...) een gecombineerde vergunning verstrekken aan de onderdanen (...) die een aanvraag hebben ingediend (...)». Het gebruik van de voltooid tegenwoordige tijd impliceert dat de richtlijn niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op hetgeen reeds bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning of een verblijfsvergunning. Hieruit kan worden afgeleid dat de Nederlandstalige versie van de richtlijn onmiddellijke werking beoogt.

Artikel III van het wetsvoorstel wijst er echter op dat eerbiedigende werking zal gelden voor die aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning of verblijfsvergunning die nog lopen op het moment van inwerkintreding van het wetsvoorstel: «[op] aanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is het recht en het bijbehorende legesbedrag van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet». De toelichting bij dit artikel motiveert het gebruik van eerbiedigende werking met een verwijzing naar de Engelstalige, Franstalige en Duitstalige versies van de richtlijn waarin inderdaad eerbiedigende werking lijkt te worden beoogd, en het niet onnodig op laten lopen van de administratieve lasten.

De Afdeling merkt op dat de Nederlandstalige versie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn, verschilt van de Franstalige, de Engelstalige en de Duitstalige versie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn. Over de vraag welke taalversie van een richtlijn bij het bestaan van verschillen gebruikt moet worden, bepaalde het Hof van Justitie in het arrest Kraaijeveld dat «[d]e betrokken bepaling, gelet op de noodzaak van eenvormige uitleg van deze versies, (...) [moet] worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt».7

Overweging 30 van de richtlijn noemt als de doelstellingen van de richtlijn «[h]et bepalen van één enkele aanvraagprocedure voor de verstrekking van een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te werken alsmede een gemeenschappelijk pakket rechten van werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven».

Uit het arrest Kraaijeveld, gelezen in samenhang met overweging 30 van de richtlijn, kan de Afdeling niet afleiden wat de modaliteit van het overgangsrecht zou moeten zijn.

De «wetshistorische» interpretatie geeft de Afdeling wel handvaten voor de correcte interpretatie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn. Het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie bevatte geen overgangsbepaling.8 Het was de rapporteur van het Europees Parlement die in haar reactie op het voorstel van de Europese Commissie een Franstalig amendement indiende, dat door het gebruik van de tegenwoordige tijd, eerbiedigende werking lijkt toe te kennen aan de richtlijn.9 Dit amendement is overgenomen door het Europees Parlement en tijdens de onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement ongewijzigd in de definitieve versie van de richtlijn opgenomen.10 Indien de Franstalige versie van artikel 4, vierde lid, daarmee de bedoeling zou weergeven van de Uniewetgever, is het naar het oordeel van de Afdeling zeer goed verdedigbaar – zoals ook is voorgesteld – om eerbiedigende werking aan de richtlijn toe te kennen, zoals is af te leiden uit de Franstalige, de Engelstalige en de Duitstalige versie van de richtlijn.

De Afdeling constateert dat met artikel 4, vierde lid, van de richtlijn beoogd wordt eerbiedigende werking toe te kennen aan de richtlijn en adviseert contact op te nemen met de Europese Commissie en het Raadssecretariaat met een verzoek om de Nederlandstalige versie van de richtlijn te rectificeren.

2. Interpretatie van artikel 4, vierde lid, van de richtlijn

Met de Afdeling wordt geconstateerd dat met artikel 4, vierde lid, van de richtlijn wordt beoogd eerbiedigende werking toe te kennen. Het advies van de Afdeling om over de Nederlandstalige versie contact op te nemen met de Europese Commissie en het Raadssecretariaat zal worden overgenomen.

3. Geen eerbiedigende werking na uiterste omzettingstermijn richtlijn

De artikelsgewijze toelichting bij artikel III vermeldt dat «er eerbiedigende werking [geldt] voor nog lopende aanvragen om een twv of verblijfsvergunning waar de [gecombineerde vergunning] op van toepassing wordt, wanneer die aanvragen nog lopen op het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel».

Over het gebruik van onmiddellijke of eerbiedigende werking als modaliteit van overgangsrecht bepaalde het Hof van Justitie in het arrest Bund Naturschutz dat lidstaten door middel van een overgangsbepaling geen vrijstelling kunnen verlenen van verplichtingen uit een richtlijn bij aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de nationale wet tot omzetting van de richtlijn, maar ná de uiterste datum van inwerkingtreding van de richtlijn.11 Na de omzettingstermijn gelden daarmee hoe dan ook de verplichtingen uit de richtlijn.

Omdat onzeker is of de richtlijn op de uiterste datum van inwerkingtreding, 25 december 2013, zal zijn omgezet, is het naar het oordeel van de Afdeling van belang om in ieder geval voor die aanvragen die na 25 december 2013 worden ingediend onmiddellijke werking toe te kennen aan de richtlijn.

De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van bovenstaande aan te vullen en het voorstel zo nodig aan te passen.

3. Geen eerbiedigende werking na uiterste omzettingstermijn richtlijn

Conform het advies van de Raad van State is er in het wetsvoorstel geen eerbiedigende werking meer ten aanzien van aanvragen die dateren van na de omzettingstermijn van de richtlijn. De eerbiedigende werking is beperkt tot aanvragen die zijn ingediend vóór de omzettingstermijn van 25 december 2013. Dit betekent dat een aanvraag die is ingediend ná 25 december, maar voordat de implementatiewet in werking is getreden, wordt afgehandeld conform het oude recht zolang de implementatiewet nog niet in werking is getreden. Zodra de implementatiewet in werking treedt, geldt onmiddellijke werking voor aanvragen die zijn ingediend na 25 december 2013 en nog niet zijn afgehandeld. Voor een nadere toelichting van de werking van het overgangsrecht wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij artikel III.

4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

4. Redactionele bijlage

De door de Afdeling in de bijlage opgenomen redactionele wijzigingen worden overgenomen met uitzondering van de eerste, omdat bij het opstellen van dit wetsvoorstel reeds rekening gehouden is met de aanpassingen in de lettering van de Wet arbeid vreemdelingen naar aanleiding van het wetsvoorstel herziening Wet arbeid vreemdelingen (Kamerstukken 33 475).

Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de inwerkingtredingsbepaling aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vicepresident van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van de wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W12.13.0204/III

  • Artikel I, onderdeel H, artikel 9, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen, de onderdelen «h, i en j» vervangen door «g, h en j».

  • Artikel II, onderdeel E, de zinsnede «en indien het een gecombineerde vergunning betreft, g.» vervangen in «en indien het een gecombineerde vergunning betreft, onder g.».

  • De memorie van toelichting, paragraaf 3.2. specifiek aanvullen met de positie van werknemers uit Turkije en Kroatië.


X Noot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Artikel 1, Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU, L157); Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Raad van 18 april 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU, L115).

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Raad van 18 april 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU, L115).

X Noot
4

Bijlage transponeringstabel bij het wetsvoorstel ter wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2011/98/EU betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L343).

X Noot
5

Paragraaf 3.3. van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen en de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L343).

X Noot
6

Idem.

X Noot
7

Arrest van het Europese Hof van Justitie van 24 oktober 1996, zaak C-72/95, Kraaijeveld, Jurispr. 1996, blz. I-5408, r.o. 28.

X Noot
8

Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (COM (2007) 638 definitief), Brussel, 23 oktober 2007.

X Noot
9

Ontwerpverslag van de Commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, Brussel, 4 maart 2010.

X Noot
10

Verslag van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (A7–0265/2010), Straatsburg, 5 oktober 2010.

X Noot
11

Arrest van het Europese Hof van Justitie van 9 augustus 1994, zaak C-396/92, Bund Naturschutz, Jurispr. 1994, blz. I-3744, r.o.18–20.