AN
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 november 2018
De vaste commissies voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid
hebben op 9 en 16 oktober 2018 de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid
besproken d.d. 2 oktober 2018 betreffende de eerste halfjaarlijkse voortgangsrapportage
inzake de feitelijke oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (verder: EOM)2. De leden van de PVV-fractie hebben naar aanleiding hiervan de Minister een aantal
vragen gesteld en opmerkingen gemaakt bij brief d.d. 23 oktober 2018.
De Minister heeft op 16 november 2018 gereageerd.
De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier voor dit verslag, Van Dooren
BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL/JBZ-RAAD
EN VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Minister van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 23 oktober 2018
De vaste commissies voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid
hebben op 9 en 16 oktober 2018 uw brief besproken d.d. 2 oktober 2018 betreffende
de eerste halfjaarlijkse voortgangsrapportage inzake de feitelijke oprichting van
het Europees Openbaar Ministerie (verder: EOM)3. De leden van de PVV-fractie hebben naar aanleiding hiervan de volgende vragen en
opmerkingen.
Op pagina 1 van de voortgangsrapportage stelt u:
«Nederland participeert sinds het besluit van de Commissie d.d. 1 augustus jl. inhoudende
dat Nederland kan gaan deelnemen aan de nauwere samenwerking inzake het EOM als volwaardig
deelnemer aan deze expertgroep.»
Voor wat betreft de «kan»-bepaling vragen de leden van de PVV-fractie in hoeverre
er in het proces tot toetreding nog afwegingsruimte voor Nederland is om van definitieve
deelname aan het EOM af te zien. Waar, wanneer, door wie wordt deze finale afweging
gemaakt?
Op pagina 2 van de voortgangsrapportage wordt gesteld:
«Conform de motie van het lid Leijten (SP) heeft de Minister-President in deze eerste
gedachtewisseling helder gemarkeerd dat Nederland niet overtuigd is van nut en noodzaak
hiervan, en dat er geen politieke steun is voor een dergelijke uitbreiding. Nederland
werd hierin gesteund door één andere lidstaat.»
Welke andere lidstaat betreft dit?
Tot slot stelt u op pagina 3 van de voortgangsrapportage:
«Het betreft een complexe en tijdrovende exercitie. Dat wordt deels veroorzaakt doordat
de tekst van de EOM-Verordening op onderdelen interpretatievragen oproept vanuit de
Nederlandse opsporings- en vervolgingspraktijk.»
De leden van de PVV-fractie vernemen graag welke concrete interpretatievragen dit
betreft.
De vaste commissies voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad en voor Justitie en Veiligheid
zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier
weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, R.G.J. Dercksen
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, A.W. Duthler
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 november 2018
In antwoord op de vragen van de PVV-fractie in uw brief d.d. 23 oktober jl. onder
bovenvermeld kenmerk bericht ik u graag als volgt.
De leden van de PVV-fractie hebben gevraagd in hoeverre er in het proces tot toetreding
nog afwegingsruimte voor Nederland is om van definitieve deelname aan het EOM af te
zien. Waar, wanneer, door wie wordt deze finale afweging gemaakt, zo hebben deze leden
gevraagd?
Ik verwijs in dit verband graag naar mijn brief aan uw Kamer d.d. 6 november jl.4 en in het bijzonder naar het antwoord op de vraag van de leden van de PVV-fractie
of het kabinet bereid is vanwege de mogelijke bevoegdheidsuitbreiding van het EOM
volledig af te zien van deelname aan het EOM: juridisch gezien is het niet mogelijk
dat Nederland zich terugtrekt uit de nauwere samenwerking ten behoeve van het EOM.
De leden van de PVV-fractie hebben gevraagd welke andere lidstaat tijdens de informele
Raad in Salzburg op 19 september jl. Nederland steunde toen het stelde niet overtuigd
te zijn van het nut en de noodzaak van uitbreiding van het mandaat van het EOM.
Het is in dezen vast gebruik geen mededelingen te doen over de standpunten die individuele
lidstaten hebben ingenomen tijdens besprekingen in de (Europese) Raad. Om die reden
kan ik deze vraag niet beantwoorden.
De leden van de PVV-fractie hebben tot slot aangegeven graag te vernemen welke concrete
interpretatievragen er vanuit de Nederlandse opsporings- en vervolgingspraktijk spelen
in relatie tot de EOM-verordening.
Voorbeelden van dergelijke interpretatievragen betreffen aspecten van de tenuitvoerlegging
van de verplichting van nationale autoriteiten bedoeld in artikel 24, EOM-Verordening
om strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen
te melden aan het EOM.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus