Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433686 nr. E

33 686 Wijziging van de Wet milieubeheer (tarieven Commissie voor de milieueffectrapportage)

E NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 28 april 2014

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de commissie voor Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening inzake het voorliggende wetsvoorstel. Ik dank de leden van de fracties van de Partij van de Arbeid, de SP en GroenLinks voor hun bijdragen en verwacht aan deze bijdragen recht te doen met de nu volgende beantwoording.

Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling de memorie van antwoord gelezen en hebben nog enkele vragen. Ook de leden van de SP-fractie willen graag nog nadere vragen stellen. De leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractie sluiten zich aan bij de vragen van de SP-fractie. De leden van de SP-fractie en de leden van de GroenLinks-fractie sluiten zich aan bij de vragen gesteld door de leden van de PvdA-fractie.

Nadere vragen PvdA-fractie

Het antwoord rond het project milieueffectrapport (milieueffectrapport(en) verder aan te duiden als MER) voor de Blankenburgverbinding staat volgens de leden van de PvdA-fractie niet helemaal in lijn met antwoorden op vragen van de leden van de fracties van de SP en GroenLinks over de vrijwillige MER. Het vertrouwen dat de regering heeft in de waarde van een vrijwillige MER voor de initiatiefnemer voor de afweging op milieugebied en het organiseren van draagvlak is schijnbaar niet van toepassing bij dit voornemen. Dat spijt deze leden. Zij vragen de regering daarom ook of er initiatieven vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn waarover zij wel een vrijwillige MER-beoordeling gaat vragen.

De Commissie voor de m.e.r. zal door mijn Ministerie blijvend worden geconsulteerd over infrastructurele projecten. Voor projecten die niet in bijlage 2 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) staan, is in principe een toetsingsadvies van de Commissie verplicht. Bij sommige van die projecten zijn of worden ook vrijwillige adviezen over reikwijdte en detailniveau en vrijwillige tussentijdse toetsingsadviezen gevraagd. Dit heeft bijvoorbeeld plaatsgevonden bij een ingewikkeld infrastructureel project als de Verkenning Haaglanden. Bij projecten die de nieuwe Tracéwet-procedure volgen en die in bijlage 2 van de Chw staan, is het toetsingsadvies van de Commissie in de verkenningsfase over een eventueel plan-MER in ieder geval verplicht. Als dat nuttig en zinvol is, zal voor die projecten in de planuitwerkingsfase een vrijwillig advies over het project-MER gevraagd worden.

Nadere vragen SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het ermee eens is dat een vrijwillig advies in de voorfase van een MER-traject leidt tot kwaliteitsverbetering van het uiteindelijke MER. Verwacht wordt dat met name het aantal vrijwillige adviesaanvragen zal afnemen. Deze leden wijzen nog maar eens op de adviezen van de commissie Elverding, waaruit zonneklaar blijkt dat een zorgvuldige voorbereiding van besluitvorming de sleutel is tot snelle en betere besluitvorming. Juist in de voorfase is het creëren van draagvlak onder betrokkenen essentieel. Vindt de regering de aanbevelingen van de commissie Elverding nog steeds van belang? Op welke manier komen de aanbevelingen bij de uitvoering van dit wetsvoorstel tot hun recht?

Een vrijwillig advies van de Commissie voor de m.e.r. in de voorfase, dus over reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER, kan en zal veelal leiden tot een kwaliteitsverbetering van het uiteindelijke MER. In welke mate dat is, is vooral afhankelijk van de specifieke projectsituatie en van de deskundigheid van anderen, te weten: de initiatiefnemer, het particuliere adviesbureau, dat in de meeste gevallen door de initiatiefnemer wordt ingeschakeld om het MER op te stellen, en het bevoegd gezag. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om een kosten-baten-afweging te maken van het al dan niet vrijwillig vragen van een advies aan de commissie.

De regering vindt de genoemde aanbevelingen van de commissie Elverding nog steeds van belang. Deze aanbevelingen hebben betrekking op een snellere en betere besluitvorming van infrastructurele projecten. Een aanpak waarbij via een voorafgaande verkenning of structuurvisie tot projectbesluitvorming wordt gekomen, sluit daar bij aan. Ik zal op dit punt terugkomen in het kader van het wetsvoorstel Omgevingswet. Voor zover het dit wetsvoorstel betreft, spelen de aanbevelingen van de commissie Elverding formeel geen rol. Dit wetsvoorstel heeft alleen betrekking op de financiering van de Commissie voor de m.e.r. Er wordt door dit wetsvoorstel niets afgedaan aan de waarde van de besluitvorming in de eerste fase van het totale besluittraject van een project. Dit wetsvoorstel maakt wel beter maatwerk en een kosten-baten afweging door het bevoegd gezag mogelijk over wat er nodig is voor de gewenste kwaliteit van de besluitvorming ingeval van een specifiek project.

De leden van de SP-fractie vernemen graag een toelichting op welke wijze de monitoring plaatsvindt. Wordt het aantal aanvragen gemonitord en ook de kwaliteit ervan? Voor te stellen is dat de commissie voor de m.e.r. meer uitgeklede aanvragen te verwerken zal krijgen, uitgaande van het gegeven dat dat minder kost. Dit heeft als risico dat het advies aan de aanvrager kan zijn dat deze er meer werk van moet maken. Daarnaast vragen deze leden zich concreet af of naast de aantallen ook de kwaliteit van de aanvragen en het vervolgtraject worden gemonitord.

De leden van deze fracties ontvangen graag een compleet overzicht van alle te evalueren onderwerpen, zodat het voor het hele veld duidelijk is wat er allemaal geëvalueerd gaat worden. Daarnaast vragen deze leden zich af wie de evaluatie gaat verzorgen. Is dat een onafhankelijke instantie?

Zoals aangegeven in de memorie van antwoord zal in 2016 de transitie van de Commissie voor de m.e.r. naar een volledig kostendekkend werkende organisatie tussentijds worden geëvalueerd. Hierbij spelen de continuïteit en de kwaliteit van de Commissie een rol en of de financiële drempel voor vrijwillige adviezen over reikwijdte en detailniveau dan wel het MER voor het bevoegd gezag niet te hoog is. Gekeken wordt ook naar statistische gegevens over de ontwikkelingen in de jurisprudentie, voor zover die betrekking hebben op gerechtelijke uitspraken over de juistheid en volledigheid van het MER.

Bij de monitoring zal ook worden gekeken naar het aantal vrijwillige adviesaanvragen. Vrijwel alle vrijwillige adviesaanvragen van de Commissie voor de m.e.r. betreffen op dit moment een advies over reikwijdte en detailniveau van het op te stellen MER. Er zal worden gemonitord in hoeverre dit vrijwillige R&D-advies van de commissie leidt tot een deugdelijk MER. Voor de gevallen zonder vrijwillig R&D-advies van de commissie zal ook worden bijgehouden welk voorlopig en uiteindelijk toetsingsadvies de commissie uitbrengt aan het bevoegd gezag. De evaluatie zal worden uitgevoerd door een particulier adviesbureau op basis van gegevens die vooral door de Commissie voor de m.e.r. kunnen worden aangeleverd. Omdat het gebruik is dat de opdracht in samenspraak met de onderzoekers wordt geformuleerd en veel van de gegevens door de Commissie voor de m.e.r. worden geregistreerd, kan ik nu nog geen compleet overzicht van alle te evalueren onderwerpen geven. Ik zal na overleg met de Commissie voor de m.e.r. en het adviesbureau tot een goede opdrachtverlening moeten komen. Bij de evaluatie zal ik vanzelfsprekend de Commissie voor de m.e.r. betrekken.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van antwoord dat het overbruggingskrediet voldoende is om de transitie van commissie en bureau voor de m.e.r. naar een volledig kostendekkende organisatie in 2017 te begeleiden. Als uit de evaluatie zou blijken dat de zorgen over het voortbestaan terecht zijn, dan vragen deze leden of de regering dan ook bereid is om na de tussentijdse evaluatie van 2016 haar verantwoordelijkheid te nemen. Wat bedoelt de regering in dit verband met de uitspraak dat voor het voortbestaan van bureau en commissie voor de m.e.r. een zekere kritische massa vereist is en op welke vervolgacties doelt de regering?

Met kritische massa wordt bedoeld dat er jaarlijks een minimaal aantal adviesaanvragen zal moeten worden gedaan bij de Commissie voor de m.e.r., om deugdelijke en kostendekkende adviezen te kunnen geven door deskundige adviseurs. De verplichte adviezen maken hier deel van uit. Indien bij de tussenevaluatie zou blijken dat de kritische massa in het geding is, zal de regering zeker zijn verantwoordelijkheid nemen omdat de commissie immers bij wet is ingesteld en een wettelijke adviestaak heeft. Bovendien is het werk van de Commissie voor de m.e.r. ook belangrijk voor de kwaliteit van besluitvorming. Ik vind het echter voorbarig om nu al in te gaan op vervolgacties waarvan ik verwacht dat die niet nodig zullen zijn. Bij de evaluatie kan ik hier nader op ingaan.

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat nadat de NVWA op afstand van het ministerie werd gezet er van alles is gemonitord en geëvalueerd en dat er ook veel fout is gegaan, waarbij het voornaamste bezwaar bleek te zijn dat slagers hun eigen vlees keurden. Is eenzelfde situatie ook denkbaar bij de verzelfstandiging van de commissie voor de m.e.r.?

Ik lees in deze vraag dat de leden van de SP-fractie hun twijfel hebben over een evaluatie door het ministerie zelf, aangezien het ministerie ook de te evalueren maatregel heeft genomen. Zoals ik bij de eerdere vraag over monitoring heb aangegeven, zet ik in op onafhankelijkheid van de evaluatie door de evaluatie te laten uitvoeren door een particulier adviesbureau. Ook zal ik bij de evaluatie vanzelfsprekend de Commissie voor de m.e.r. betrekken. Ik zeg u hierbij toe dat ik in 2016 de resultaten van de evaluatie aan de Staten-Generaal zal toezenden.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus