33 683 Wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met verbetering van de maatregelen bij niet-betalen van de premie en de bestuursrechtelijke premie en enkele andere wijzigingen (verbetering wanbetalersmaatregelen)

Nr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 maart 2014

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wet verbetering wanbetalersmaatregelen (Kamerstuk 33 683) woensdag 5 maart jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 59, Zorgverzekeringswet) heeft de heer Van Gerven gevraagd of ik een bestuursrechtelijke premie op basis van de nominale premie zo snel mogelijk wil invoeren, mits daarvoor geen wettelijke belemmeringen zijn. Hoewel ik het idee van de heer Van Gerven sympathiek vind, kan ik deze wijziging niet doorvoeren zonder een wetswijziging.

Op dit moment is in artikel 18d, tweede lid, wettelijk bepaald dat de bestuursrechtelijke premie 130% van de standaardpremie als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag is. Op grond van de huidige wetgeving is de bestuursrechtelijke premie dus automatisch gekoppeld aan (130% van) de standaardpremie.

In het concept-wetsvoorstel is geregeld dat de bestuursrechtelijke premie bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld. In de memorie van toelichting is toegelicht dat de regering met deze wijziging de mogelijkheid wil creëren de hoogte van de bestuursrechtelijke premie beter dan thans als instrument voor bevordering van de uitstroom aan te kunnen wenden en in te kunnen spelen op marktontwikkelingen.

In antwoord op de gestelde vraag moet ik u dus mededelen dat de hoogte van de bestuursrechtelijke premie pas bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld als daarvoor een wettelijke grondslag is.

In de Zorgverzekeringswet zijn ook geen bepalingen opgenomen die mij de bevoegdheid geven van deze wettelijke instructie af te wijken.

Tevens zijn tijdens het debat door mevrouw Bruins Slot en de heer Van Gerven vragen gesteld over de rechtszaak tegen het CVZ.

Ik kan u hierover mededelen dat het College voor Zorgverzekeringen mij donderdag 6 maart jl. heeft bericht dat naar aanleiding van het overleg met de landsadvocaat is besloten om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

Naar boven