Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433674 nr. B

33 674 Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en andere wetten in verband met de verplichting tot het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg (gebruik burgerservicenummer in de jeugdzorg)

B MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 10 januari 2014

Inleiding

De regering is verheugd over het tempo waarin de Kamerfracties bereid zijn gebleken tot het voorlopig verslag te komen. Het belang van spoedige invoering van het burgerservicenummer (bsn) in de jeugdzorg rechtvaardigt deze aanpak en de regering stelt het op prijs dat deze visie gedeeld wordt door uw Kamer.

De fracties van de VVD, het CDA, de PvdA, de PVV, de SP en GroenLinks hebben, deels met waardering en belangstelling, kennis genomen van het wetsvoorstel en hebben daarover vragen gesteld. In het onderstaande beantwoordt de regering die vragen gaarne.

VVD-fractie

In de memorie van toelichting geeft de regering aan niet over te gaan tot identificatieplicht, maar aan te sluiten bij de bestaande praktijk; voor de lichte vormen van zorg de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) en voor de zorgaanbieders die reeds gebonden worden door de bepalingen van de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z) geldt dan die laatstgenoemde wet. Wat bedoelt de regering met de instellingen die «reeds gebonden worden», zo vraagt de fractie van de VVD.

Er zijn instellingen die zowel zorg aanbieden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) als jeugdzorg op grond van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Dit betekent dat voor zover deze instellingen zorg aanbieden op grond de AWBZ of de Zvw zij gebonden zijn aan de bepalingen van de Wbsn-z. Na inwerkingtreding van dit voorstel zullen zij aan de bepalingen van deze wet en aan bepalingen van de Wbsn-z gebonden zijn, althans voor zover zij jeugdzorg op grond van de Wjz aanbieden. De Wbsn-jz vervangt dus nergens de Wbsn-z, maar in een aantal instellingen zal onder de regimes van beide wetten geopereerd worden. Deze zijn in die instellingen naast elkaar van toepassing. In die zin is de Wbsn-jz dan ook een sluitstuk wat het gebruik van het bsn betreft. Instellingen die zowel zorg op grond van de AWBZ en de Zvw aanbieden als jeugdzorg op grond van de Wjz kunnen na inwerkingtreding van de Wbsn-jz hun werkwijzen ten aanzien van de registratie en verwerking van persoonsgegevens instellingsbreed stroomlijnen.

Deze leden vragen waarom de regering het voorstel van het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) om bureaus jeugdzorg te verplichten bij het eerste contact te identificeren niet wenselijk vindt.

Bureaus jeugdzorg zijn in hun hoedanigheid als bestuursorgaan reeds op grond van de Wabb bevoegd het bsn te gebruiken. Onder het regime van de Wabb zijn zij verplicht zich ervan te vergewissen dat het bsn betrekking heeft op de persoon wiens gegevens worden verwerkt. Er zijn geen redenen aan te wijzen waarom de bureaus jeugdzorg aan een strenger regime met een identificatieplicht zouden moeten worden onderworpen dan waaraan zij nu al met een vergewisplicht onderworpen zijn.

Verder vraagt de VVD-fractie voor welke doeleinden de zorgverzekeraar van welke gegevens gebruik kan maken of kennis kan nemen. Voor welke doelen mag de verzekeraar deze gegevens zelf opslaan of verwerken, in welke zin dan ook?

Het wetsvoorstel introduceert slechts de verplichting voor bureaus jeugdzorg en de jeugdzorgaanbieders om het bsn te gebruiken. Het bevat geen wijziging in bevoegdheden van andere instanties die bepaalde persoonsgegevens mogen verwerken, noch ten aanzien van de gegevens die met behulp van het bsn mogen worden uitgewisseld. Dit geldt ook voor de zorgverzekeraars. Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt niets voor zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars zijn gebonden aan de reeds bestaande Wbsn-z. De gegevens die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel mogen worden gedeeld zijn dezelfde gegevens die op dit moment mogen worden gedeeld met gebruikmaking van de NAW-gegevens.

De VVD-fractie vraagt hoe zorgvuldig met het bsn in het algemeen wordt omgegaan, met name door andere instellingen of diensten dan de hier vermelde, zoals de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders.

Het onderhavige wetsvoorstel richt zich op het gebruik van het bsn door bureaus jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders en is niet bedoeld voor andere instellingen of diensten. Andere instellingen of diensten vallen voor het gebruik van het bsn onder de Wabb of de Wbsn-z. Als ze niet onder deze wetten vallen, dan morgen zij het bsn niet gebruiken bij de verwerking van persoonsgegevens.

Partijen dienen zich ook met het gebruik van het bsn te houden aan de bestaande waarborgen omtrent privacy in de wetgeving. Het gebruik van bsn is slechts een hulpmiddel bij het vaststellen van de unieke cliënt. De bestaande afspraken en wettelijke borging ten aanzien van uitwisseling van persoonsgegevens en dossiers blijven ongewijzigd. Het gebruik van het bsn betreft geen uitbreiding van de uitwisseling van persoonsgegevens en evenmin uitbreiding van de mogelijkheden tot inzage in medische gegevens en dossiergegevens. Wie geautoriseerd is om persoonsgegevens in te zien mag daarbij ook het bsn gebruiken.

In het belang van jeugdigen en hun ouders is het soms noodzakelijk om gegevens met andere instellingen of diensten te delen. Wanneer het hierbij gaat om het delen van persoonsgegevens, waaronder het bsn, moeten instellingen en diensten voldoen aan de normen van de privacywetgeving. Voor een zorgvuldig gebruik van persoonsgegevens zijn heldere regels vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Artikel 8 Wbp bevat een opsomming van de gronden waarop gegevensverwerking toelaatbaar is; het delen van persoonsgegevens valt hier ook onder. Bureaus jeugdzorg en jeugdzorginstellingen kunnen persoonsgegevens met andere instellingen of diensten delen in een samenwerkingsverband als dat vereist is op grond van een wettelijk voorschrift, om een publiekrechtelijke taak uit te voeren of wanneer daarvoor een gerechtvaardigd belang bestaat. In andere gevallen is het delen van gegevens met andere instellingen of diensten niet toegestaan. Verwerking van persoonsgegevens moet worden gemeld bij het Cbp. Het Cbp heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens, waaronder het delen van deze gegevens.

Waar en bij welke instellingen zijn burgerservicenummers in registraties opgenomen en hoe beveiligd is dat gebruik, zo vragen deze leden.

Op dit moment is het gebruik van het bsn verplicht voor instellingen die vallen onder de Kwaliteitswet zorginstellingen alsmede voor beroepsbeoefenaren van wie het beroep of de opleiding worden geregeld in of ingevolge de Wet BIG. Bureaus jeugdzorg mogen thans het bsn gebruiken, maar zijn dat nog niet verplicht. Zodoende nemen 15 bureaus jeugdzorg en 32 jeugdzorgaanbieders het bsn op in hun registraties.

Het gebruik van het bsn door deze instellingen is met waarborgen omkleed. De uitwisseling van gegevens moet voldoen aan de eisen van de Wet geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo) en de Wbp. De Wgbo bepaalt dat inzage alleen mogelijk is als sprake is van een behandelrelatie. Ook de Wbp stelt strenge eisen aan de bescherming van persoonsgegevens. De keten van identificatie, authenticatie, autorisatie en logging van raadplegingen waarborgt dat alleen bevoegden toegang hebben tot de gegevens, en dat kan worden gecontroleerd wie toegang hebben gehad tot de gegevens door de (ouders van) jeugdigen en de toezichthouder.

De leden van de VVD-fractie vragen of de gegevensbestanden gemakkelijk door derden zijn te gebruiken en vervolgens op enigerlei wijze met andere gegevens, o.a. naw-gegevens, te koppelen.

Het delen van persoonsgegevens, waaronder het bsn, is met waarborgen omkleed. De privacywetgeving kent duidelijke regels over het uitwisselen van gegevens tussen instellingen en diensten. Deze gelden voor jeugdzorgaanbieders op dit moment al; de onderhavige regelgeving brengt daarin geen verandering. Daarnaast bevat de Wabb (Wabb) een aantal belangrijke verplichtingen om correct gebruik van het nummer te garanderen. Ook met deze wet hebben jeugdzorgaanbieders op dit moment al te maken.

Naar de mening van de leden van de VVD fractie is het niet nodig kennis te verwerven omtrent welke persoon gesloten jeugdzorg verkrijgt. Zij vragen op welke wijze beschermd en voorkomen wordt dat naar het individu herleidbare informatie verstrekt wordt en in welke gevallen daar wel noodzaak toe bestaat, of dat die noodzaak zich in het geheel niet kan voordoen.

Het onderhavige wetsvoorstel regelt dat jeugdhulpaanbieders personen met bsn mogen registreren, zodat dat ook elders in de zorg gebeurt. Ook de jeugdstrafrechtketen krijgen jeugdigen een uniek nummer. Voor het uitwisselen en verwerken van bijzondere persoonsgegevens verandert dit wetsvoorstel niets; alle bepalingen in de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg en de Wgbo blijven van kracht.

CDA-fractie

Bij de vragen van de leden van de CDA-fractie sluit de PvdA-fractie zich aan.

De leden van de CDA-fractie menen dat de verplichte introductie van het bsn mogelijkheden creëert om op een later moment breder gegevens uit te wisselen tussen meer domeinen. Is, zo vragen zij, in de wet voldoende gewaarborgd dat dit niet zomaar kan plaatsvinden?

Het verplicht gebruik van bsn leidt tot een efficiënte en betrouwbare uitwisseling van persoonsgegevens binnen het domein van de Wjz en vanaf 1 januari 2015 binnen dat van de Jeugdwet. Deze efficiënte en betrouwbare gegevensuitwisseling staat los van de vraag welke persoonsgegevens tussen verschillende domeinen mogen worden uitgewisseld. Het wetsvoorstel introduceert slechts de verplichting het bsn te gebruiken. Het bevat dan ook geen wijziging in bevoegdheden van instanties die bepaalde persoonsgegevens mogen verwerken, noch in de gegevens die met behulp van het bsn mogen worden uitgewisseld.

De leden van de CDA-fractie vragen of, en zo ja tot op welke hoogte en onder welke voorwaarden, de verschillende instanties op dit moment toegang hebben tot de informatie van andere instanties.

In het systeem van regelgeving over gegevensuitwisseling is de verstrekker verantwoordelijk voor de uitwisseling van gegevens. Er zijn dus geen instanties die zonder meer toegang hebben tot persoonsgegevens die worden bewaard bij een andere instantie. Om gegevens verstrekt te krijgen dient voldaan te worden aan het wettelijk kader dat voor de betreffende verwerking van toepassing is, en dient de verstrekkende entiteit binnen zijn verantwoordelijkheid een zorgvuldige afweging gemaakt te hebben waaruit volgt dat verstrekking van de gegevens noodzakelijk is. Het te dienen belang van de gegevensuitwisseling is omschreven in het van toepassing zijnde wettelijke kader.

Voorts vragen deze leden naar de mogelijkheid van onderlinge koppeling van burgerservicenummers van verschillende personen, bijvoorbeeld bij twee gezinsleden.

Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet worden geen nieuwe koppelingen tussen burgerservicenummers gelegd. Wat nu niet is toegestaan, mag na de wetswijziging ook niet. De gemeente kan nu al nagaan in de gemeentelijke basisregistratie welke gezinsleden een woning delen. Het koppelen van gegevens via diverse andere voorzieningen die niet tot dat doel strekken, is niet toegestaan.

Met de gezinsfunctionaliteit van de verwijsindex, waarmee vanaf de inwerkingtreding van de Jeugdwet gewerkt kan worden, worden bestaande koppelingen in de gemeentelijke basisregistratie (gbr) nagegaan. Het gaat daarbij om de koppeling op ouderschap (welk bsn heeft dezelfde ouders?) en op woonadres (welk bsn staat ook op hetzelfde adres ingeschreven?).

De CDA-fractie vraagt wat met de uitkomsten van het Privacy Impact Assessment (PIA) wordt gedaan. Is de regering, zo vragen zij, voornemens de aanbevelingen uit de analyse over te nemen?

Het PIA over de eenmalige gegevensoverdracht is op 13 december 2013 naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd.1 Alle aanbevelingen van dit PIA worden overgenomen.

Ten slotte vraagt de fractie naar de afweging met betrekking tot de proportionaliteitstoets van dit voorstel. De regering erkent dat sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). Is het te dienen doel in dit geval voldoende zwaarwegend in verhouding tot de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer?

In de nota naar aanleiding van het verslag2 wordt in het kader van persoonsverwisselingen de relatie gelegd tussen medische zorg en jeugdzorg. In de medische zorg kan als gevolg van een persoonsverwisseling direct en onomkeerbaar gezondheidsschade worden geleden, bijvoorbeeld door (over)medicatie of doordat bij de verkeerde persoon een been wordt afgezet. In de jeugdzorg zal minder snel van dergelijke schade sprake zijn. Echter, schade in de psychische of psychologische sfeer als gevolg van persoonsverwisseling is wel denkbaar. Wellicht is het beter dan te spreken van welzijnsschade dan van gezondheidsschade in de strikte uitleg van het woord. Welzijn past volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie echter even goed onder de definitie van gezondheid. In die zin acht de regering het te dienen doel dus zeker voldoende zwaarwegend in verhouding tot de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben ernstige twijfels over de veiligheid van gegevens.

De regering hoopt door het beantwoorden van de vragen van deze leden die twijfel weg te kunnen nemen.

Enerzijds wordt gesteld dat gemeenten geen toegang krijgen tot de inhoud van de dossiers. Anderzijds moeten jeugdzorgaanbieders wel laten weten welke zorg ze leveren. Zij vragen waar de grens precies ligt.

Jeugdzorgaanbieders mogen geen gegevens delen met anderen, tenzij dit voor het uitvoeren van de zorg noodzakelijk is. De gemeenten voeren straks geen zorg uit, dus gemeenten zouden deze gegevens helemaal niet nodig hebben. Wel moeten gemeenten een dossier bijhouden om te kunnen verklaren waarom ze geld overgemaakt hebben aan aanbieder A, dokter B en bedrijf C. Kan de regering dit uitleggen?

Gemeenten zouden het bsn nodig hebben voor hun gegevensverwerking. Het is de vraag welke gegevens gemeenten gaan verwerken. In hoeverre krijgen zij inzicht in de dossiers, zo vragen deze fractieleden.

Voor de beantwoording van deze vragen verwijst de regering naar haar reactie in de memorie van antwoord inzake de Jeugdwet3, onder het kopje Gegevensverwerking ter uitvoering van de Jeugdwet, waarin deze vragen in samenhang met vergelijkbare vragen van de overige fracties worden beantwoord.

Enerzijds stelt de memorie van toelichting4 dat er onder de nieuwe Jeugdwet sprake is van één dossier dat bij gemeenten ligt. Anderzijds stelt de regering dat sprake is van meerdere dossiers als er meerdere hulpverleners zijn. De fractieleden vragen op dit punt om duidelijkheid.

In de memorie van toelichting bij de Jeugdwet wordt op diverse plaatsen ingegaan op de verantwoordelijkheid van de gemeenten om integrale hulpverlening te organiseren vanuit het principe «één gezin, één plan, één regisseur». De gemeente zal daartoe een beperkte hoeveelheid gegevens moeten verwerken; artikel 7.4.1, tweede lid, van de voorgestelde Jeugdwet biedt daarvoor de grondslag. Artikel 7.4.4 van de Jeugdwet bepaalt vervolgens dat dit (bijzondere) persoonsgegevens kunnen zijn als dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering. In het derde lid is voorts bepaald dat die gegevens niet verwerkt mogen worden voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verzameld. In het nieuwe jeugdstelsel kan een gezin dat kampt met een breed scala aan opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen geholpen worden door één gemeente, op grond van één wet, terwijl in de huidige situatie dat gezin ondersteuning, hulp of zorg op grond van verschillende wetten en uit verschillende financieringsbronnen ontvangt (AWBZ, Zvw, Wjz, Wmo). De gegevens waarover de gemeente daartoe beschikt dienen onderscheiden te worden van het dossier dat hulpverleners op grond van artikel 7.3.8 Jeugdwet dienen in te richten. Een hulpverlener neemt in het dossier informatie op die voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Dat betekent onder meer dat in het dossier slechts gegevens van derden (bijvoorbeeld de ouders of andere gezinsleden van de jeugdige) mogen worden opgenomen, indien dat voor de hulpverlening aan de jeugdige noodzakelijk is. Als er meerdere hulpverleners betrokken zijn, rust op elk van die hulpverleners de plicht om een dossier in te richten. Op grond van dit wetsvoorstel kan dan ook geen sprake kan zijn van een «gezamenlijk dossier».

De leden van de PVV-fractie vragen naar het nut van het wetsvoorstel: gemeenten kunnen het bsn toch gewoon uit de GBA halen?

Het wetsvoorstel beoogt dat bureaus jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders burgerservicenummers kunnen verwerken; het voorstel is dus niet gericht op gemeenten. Gemeenten vallen onder de reeds bestaande Wabb.

De Jeugdwet bepaalt dat kinderen die vóór 2015 in zorg zijn bij een aanbieder, het recht hebben om in 2015 bij dezelfde aanbieder te blijven. Gemeenten hebben deze gegevens dus niet koste wat kost voor 2015 nodig. Hoe verklaart de staatssecretaris dit, zo vragen deze leden.

Over de eenmalige gegevensoverdracht is een PIA uitgevoerd. In dit PIA is onder andere aanbevolen om goed te kijken naar maatvoering en als het gaat om overdracht van gegevens. In de brief aan de Eerste en Tweede Kamer over het PIA eenmalige gegevensoverdracht d.d. 13 december 2013 is daarom vermeld dat nog besluitvorming zal plaatsvinden over de cliëntgroepen waarvoor overdracht van gegevens noodzakelijk is. Deze besluitvorming zal in de eerste helft van 2014 plaatsvinden door Rijk, VNG en IPO.

SP-fractie

De bevoegdheid die de bureaus jeugdzorg nu hebben om het bsn te gebruiken wordt omgezet in een verplichting. De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre tot nu gebruik gemaakt werd gemaakt van deze bevoegdheid.

Een precies antwoord is niet voorhanden, maar wel is bekend dat alle bureaus jeugdzorg actief gebruik maken van het bsn. Uit de gegevens van 2011 (verzameling verdeelmodel) blijkt dat 87,5% van de jeugdigen met een cliënttraject op dat moment over een bsn beschikken. Voor het niet registreren van een bsn zijn diverse oorzaken: bij de enkele aanmelding van een jeugdige is er bijvoorbeeld geen grondslag voor de registratie van het bsn, de jeugdige zit niet in de gbr of het betreft ongeboren kinderen.

Op dit moment beschikken alle bureaus jeugdzorg over een eigen gbr-koppeling. Of en in hoeverre zij in de toekomst zullen overstappen naar SBV-Z staat nog niet vast.

De SP-fractie vraagt naar de mate waarin onjuiste verwerkingen van gegevens en persoonsverwisseling plaatsvinden in de jeugdzorg.

Verwisseling van personen in de jeugdzorg is in de huidige constellatie bepaald niet ondenkbaar. Aangezien het gaat om kwetsbare groepen jonge mensen, kan dit, zoals hiervoor vermeld, tot psychische schade leiden. Om diezelfde reden is het ook van belang dat anderszins doelmatig en zorgvuldig wordt gewerkt, iets waaraan het gebruik van het bsn een bijdrage levert.

Verder wil de SP-fractie weten of het gebruik van het bsn in de Jeugdzorg een proportioneel middel is om onjuiste verwerkingen tegen te gaan.

Het bsn maakt de minst mogelijk denkbare inbreuk op de privacy van personen, ook al doordat het nummer zelf geen aan de persoon gerelateerde informatie bevat. Een groot voordeel van het gebruik van het bsn is dat er een infrastructuur beschikbaar is, in de zin van organisatie en techniek, waarin dit gebruik goed en gemakkelijk mogelijk is. Dat leidt ertoe dat het bsn een doelmatig en proportioneel middel is om onjuiste verwerkingen tegen te gaan.

De leden van de SP-fractie vragen of er onderzoek is gedaan naar alternatieven. Zij stellen dat er geen echte subsidiariteitstoets is gedaan om aan te tonen dat er geen minder privacy-schadend alternatief is. In de memorie van toelichting wordt de logaritmische PIN genoemd. De leden van de SP-fractie denken dat dat een algoritmische PIN moet zijn.

Hoewel er geen onderzoek is uitbesteed aan een extern onderzoeksbureau, zijn alternatieven evenwel goed en serieus afgewogen. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag5, brengen de ontwikkeling en implementatie van een uniek en voldoende veilig PIN evident onevenredig veel kosten met zich ten opzichte van verdere implementatie van het bsn. Het bsn en de infrastructuur om het bsn te kunnen gebruiken bestaan immers al. Voor de inhoudelijke afwegingen zij kortheidshalve verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag.

Een algoritme is een eindige reeks instructies die vanuit een gegeven begintoestand naar een beoogd doel leiden. Het omschrijft de te doorlopen stappen om van bijvoorbeeld een set persoonsgegevens te komen tot een uniek persoonsidentificerend nummer (PIN). Een of meer van te doorlopen stappen kan een logaritmische berekening inhouden. Met het oog op de te waarborgen uniciteit en te beschermen persoonlijke levenssfeer zou het dan van belang zijn dat het algoritme dat leidt tot een PIN voldoende complex is. Een eenvoudig algoritme is immers makkelijk te kraken, met alle risico’s van dien. Het zou daarom aanbeveling verdienen het van toepassing zijnde algoritme te beschermen door er een logaritmeprobleem in te verwerken, zoals gebruikelijk in veel cryptosystemen (bijvoorbeeld systemen die internetbetalingen mogelijk maken). Hierom is gekozen voor de term logaritmische PIN; de term algoritmische PIN is daarmee overigens niet meer of minder correct.

Volgens het Cbp is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel niet aangetoond dat voor invoering van het bsn in de jeugdzorg een maatschappelijke noodzaak bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Waaruit bestaat die maatschappelijke noodzaak, zo vraagt de fractie van de SP.

Naar aanleiding van het advies van het Cbp van 23 december 2010 is de conceptmemorie van toelichting aangevuld, zodat de noodzaak nu duidelijk wordt aangetoond. In de memorie van toelichting wordt thans getoetst aan artikel 8 van het EVRM en is de conclusie, dat het gebruik van het bsn bij wet wordt voorzien, noodzakelijk is in een democratische samenleving, voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte, waarbij ook wordt voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, terwijl bovendien sprake is van een geoorloofd, expliciet genoemd doel. Een en ander wordt met nadere argumenten omkleed in de memorie van toelichting.6

De leden van de SP-fractie informeren naar de wijze waarop wordt gecontroleerd of het juiste bsn aan een cliënt in de jeugdzorg is gekoppeld. Huisartsen en ziekenhuizen dienen bij inschrijving van een patiënt naast de NAW-gegevens en het bsn de patiënt een identificatiepapier te vragen. Zij vragen of dat niet is voorgeschreven in de jeugdzorg en of dat in de toekomst ook niet vereist zal zijn.

Het wetsvoorstel kent geen verplichting voor de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders tot het vaststellen van de identiteit van de betrokken jeugdige. Deze verplichting bestaat evenmin in de Jeugdwet. Personen die op grond van dit wetsvoorstel het bsn gebruiken zullen zich aan de vergewisplicht moeten houden, die geldt op grond van artikel 12 van de Wabb. Zoals in de memorie van toelichting op het onderhavige voorstel is betoogd, kan de vergewisplicht op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een manier bestaat eruit dat een zorgverlener die een cliënt uit voorafgaande contacten kent, deze bij een volgend contact herkent. De term «vergewissen» kan in zo’n situatie worden opgevat als het eenduidig herkennen van een persoon met inbegrip van het zich herinneren van diens naam en mogelijke andere gegevens, waardoor die andere gegevens raadpleegbaar zijn. Afhankelijk van de aard van de dienstverlening kan zo’n herkenning afdoende dan wel onvoldoende zijn. In een aantal gevallen zal de vergewisplicht nauwe overeenkomsten vertonen met de in de Wbsn-z geregelde plicht tot identificatie met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Het is aan de betrokken partijen om vorm te geven aan de vergewisplicht in proportie tot de zorg die zij verlenen. In het voorgaande is een opschaling in de uitvoering van de vergewisplicht te lezen. Naar mate de ernst van de geboden zorg toeneemt, neemt ook het gewicht van de wijze waarop de vergewisplicht wordt uitgevoerd toe. Bij lichte vormen van zorg kan herkenning voldoende zijn, terwijl bij zwaardere vormen van zorg identificatie noodzakelijk kan zijn.

De leden van de SP-fractie vragen hoe het bsn wordt gebruikt bij een eenmalige gegevensoverdracht voor de Jeugdwet. Is er ook aandacht voor dat dossiers vaak onvolledig en incorrect zijn?

Voor de eenmalige gegevensoverdracht zullen jeugdhulpaanbieders informatie verstrekken over het hulpaanbod van cliënten, voor zover dit noodzakelijk is voor de continuïteit van zorg. Het gaat daarbij niet om de overdracht van de inhoudelijke dossiers, maar om een minimale set van gegevens die duidelijk maakt om welke cliënten het gaat en bij welke jeugdhulpaanbieder deze in zorg zijn of op de wachtlijst staan. In de minimale set van gegevens zit onder andere het bsn ter identificatie van de cliënt. Uit een PIA-toets blijkt dat er geen wettelijke belemmeringen zijn voor deze eenmalige gegevensoverdracht.

Ten aanzien van mogelijke incorrecties wijst de regering op haar voornemen naar aanleiding van de aanbevelingen van het PIA. Bij de verdere uitwerking van de eenmalige gegevensoverdracht zal, in samenspraak met de VNG, een handreiking voor gemeenten opgesteld worden. De kwaliteit van de gegevens, het benadrukken dat gemeenten de gegevens niet zonder meer voor vervolgbeslissingen kunnen gebruiken, dat nadere controle van de gegevens nodig kan zijn, het meezenden van een afschrift van de reeds door de gemeente ontvangen informatie en de invoering van een notificatiebericht zullen onderdeel uitmaken van deze handreiking.

Voorziet de regering dat met het gebruik van het bsn het in de toekomst mogelijk wordt om gegevens van het jeugddossier van een burger te koppelen aan andere gegevens, bijvoorbeeld in een toekomstig longitudinaal (cradle to grave) landelijke EPD, of in longitudinale beleidsinformatiedatabases? In het businessplan van de Vereniging van zorgaanbieders voor zorgcommunicatie noemt de efficiënte gegevensoverdracht in de jeugdgezondheidszorg als domein waar het LSP kan worden gebruikt. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vraagt de SP-fractie.

De regering heeft geen voornemens om binnen het domein van de Jeugdwet het bsn te gebruiken in het kader van aansluiting op het landelijk schakelpunt (LSP). De jeugdgezondheidszorg maakt geen onderdeel uit van de Jeugdwet en gebruikt het bsn op basis van de Wbsn-z.

De leden van de SP-fractie menen dat omvangrijke dossiervorming geen uitzicht biedt op betere preventie van tragische incidenten.

Dat is correct. Het wetsvoorstel is ook niet op gericht op omvangrijke dossiervorming, maar op de juiste identificatie van personen.

De leden van de SP-fractie vragen of bij het begrip «één gezin, één plan» ook geldt: één dossier.

Het dossier is een verzameling van informatie, aangelegd en aangehouden door de jeugdhulpverlener, welke informatie betrekking heeft op een specifieke jeugdige en zijn ouders. Uit de systematiek van de Jeugdwet volgt dat het dossier is gekoppeld aan zowel de jeugdige als aan de jeugdhulpverlener. Dit laatste impliceert dat er per kind meerdere dossiers kunnen zijn. Als meerdere hulpverleners en instanties betrokken zijn en de ouders en de jeugdige de zorg zelf niet kunnen regisseren, ondersteunt namelijk een van de betrokken professionals hen hierbij. Deze professional wordt daarmee (tijdelijk) de regisseur of zorgcoördinator van de persoon.7

Een gezinsdossier komt er niet. Het Ministerie van BZK heeft als coördinerend ministerie voor het sociaal domein een onderzoek geïnitieerd om te bezien welke persoonsgegevens wel en niet binnen de wettelijke kaders mogen worden uitgewisseld. Hierop aansluitend zullen de VNG en de gemeenten uitvoering geven aan een plan van aanpak voor gegevensuitwisseling binnen het sociaal domein8, waarin niet grootschalige ict op de voorgrond staat maar het organiseren van gegevensuitwisseling, binnen de daarvoor wettelijk gestelde grenzen. Deze gegevensverzameling moet de hulpcoördinatie ondersteunen.

Waar is geregeld dat burgers en jeugdigen altijd hun eigen dossier mogen inzien, mogen aanvullen en mogen zien wie er in heeft gekeken? Hoe worden ze op de hoogte gesteld als uitwisseling plaatsvindt en is ook duidelijk dat uitwisseling geweigerd mag worden? Op welke wijze tracht de regering de rechtspositie van ouders en jeugdigen te versterken?

Gegeven het feit dat een dossier een verzameling is van persoonsgegevens, waarop artikel 35 van de Wbp van toepassing is. geeft de beheerder van het dossier aan de desbetreffende jeugdige of diens ouders desgevraagd een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm. In artikel 49 van de Wjz9 wordt dit nader uitgewerkt: de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de cliënt onder zich hebben. Het recht om de gegevens aan te vullen is geregeld in artikel 36 van de Wbp.

Het recht te weten wie het dossier heeft ingezien behoeft geen afzonderlijke regeling, omdat uit het doel van het dossier al voortvloeit wie het mag inzien (artikelen 7, 8 en 9 van de Wbp). Datzelfde geldt ook voor het uitwisselen van gegevens: dat is slechts toegestaan als dat in overeenstemming is met het doel van de verwerking van de gegevens. En als zou moeten worden uitgewisseld op een andere wijze dan rechtstreeks uit het doel van het dossier voortvloeit, is daarvoor de instemming van betrokkene vereist (artikel 51 van de Wjz).

Alles bijeengenomen is de regering van oordeel dat de rechtspositie van de betrokkenen op dit punt behoorlijk is geregeld.

GroenLinksfractie

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met instemming kennis genomen van de uitstekende Privacy Impact Assessment dat in opdracht van de Ministeries van VWS en V&J is uitgevoerd door Net2Legal Consultants ten behoeve van het Deelproject eenmalige gegevensoverdracht en het Project Beleidsinformatie Stelselherziening Jeugd. Deze leden hebben in dit verband slechts twee vragen.

Zij vragen zij wat de regering gaat doen met de bevindingen en aanbevelingen van het PIA-rapport en welke consequenties dat heeft voor het onderhavige wetsvoorstel.

In de bovengenoemde brief van 13 december 2013 aan beide Kamers is gemeld dat alle aanbevelingen van het PIA worden overgenomen.

Verder wijst de fractie van GroenLinks erop dat het PIA betrekking heeft op de eenmalige gegevensoverdracht. Zij vraagt of de regering voornemens is om deze veelvuldige en permanente gegevensoverdracht en -uitvragen onder de werking te brengen van enig wetsvoorstel.

Het onderhavige wetsvoorstel regelt dat jeugdzorgaanbieders ook over het bsn kunnen en moeten beschikken, zodat dit bij de eenmalige gegevensoverdracht gebruikt kan worden (het voorgestelde artikel 110a van de Wjz).

Artikel 10.4, derde lid, onder a, van het wetsvoorstel Jeugdwet regelt het gebruik van het bsn bij de eenmalige overdracht van cliëntgegevens. Beide regelingen vormen tezamen de op basis van artikel 24 van de Wbp vereiste wettelijke grondslag om het bsn te gebruiken. Het gebruik van het bsn vanaf de inwerkingtreding van de Jeugdwet is in hoofdzaak opgenomen in artikel 7.2.1 van het wetvoorstel Jeugdwet. Bepalingen over het gebruik van het bsn zijn voorts opgenomen in de artikelen 7.2.7, 7.2.8, 7.1.2.3, 7.1.4.2 en 7.4.4. Ook deze artikelen vormen de ingevolge artikel 24 van de Wbp vereiste wettelijke grondslag om het bsn te gebruiken.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 31 839, nr. 334.

X Noot
2

Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6.

X Noot
3

Kamerstukken I 2013/14, 33 684, nr. ***

X Noot
4

Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 3.

X Noot
5

Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6, p. 4–5.

X Noot
6

Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 4–8.

X Noot
7

Zie ook de nota naar aanleiding van het verslag Jeugdwet, Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 128.

X Noot
8

Goedgekeurd door de Bijzondere algemene ledenvergadering van de VNG op 29 november 2013.

X Noot
9

In de Jeugdwet: artikel 7.3.10.