Dit wetsvoorstel strekt ertoe de mogelijkheid te schrappen om het personeel in dienst
van een privaatrechtelijk lichaam (B3-lichaam) als overheidswerknemers aan te wijzen.
De werknemers van een door de minister aangewezen B3-lichaam, waarvan de arbeidsvoorwaarden
van de werknemers van dat lichaam overeenkomen met de arbeidsvoorwaarden van overheidssectoren,
nemen als zij als zodanig zijn aangewezen, verplicht deel aan de Stichting Pensioenfonds
ABP (artikel 21 van de WPA). Overheidswerknemers en overheidswerkgevers dienen een
directe band met de overheid te hebben zoals gedefinieerd in artikel 2 van de Wet
privatisering ABP. Het personeel van een B3-lichaam voerde indertijd een (weliswaar
geprivatiseerde) overheidstaak uit, en kon zich vanwege de in Nederland verplichte
bedrijfstakpensioenindeling niet aansluiten bij een (bedrijfstak)pensioenfonds in
de marktsector. Immers: overheidstaken waren ingedeeld bij het pensioenfonds ABP,
dat van toepassing is op de overheid.
Het denken over wat tot een overheidstaak moet worden gerekend is inmiddels ingrijpend
veranderd: waar vroeger bijvoorbeeld de posterijen, de energieleverantie, het openbaar
vervoer, ambulancevoorzieningen en culturele instellingen tot overheidstaken werden
gerekend, beschouwt men deze taken steeds meer als tot de vrije markt behorend.
In het verleden was de aanwijzingsmogelijkheid bij privatisering de enige mogelijkheid
voor aansluiting bij het ABP. De werknemers van een B3-lichaam kunnen echter sinds
enkele jaren ook deelnemen bij een ander (verplicht gesteld) pensioenfonds, of er
kan worden deelgenomen bij het ABP op basis vaneen vrijwillige aansluiting.
Werkgever en werknemers dienen het onderbrengen van de pensioenaanspraken wel in het
arbeidsvoorwaardenoverleg af te spreken. Als er wordt besloten tot het vrijwillig
aansluiten bij het ABP, dan blijven de reeds opgebouwde pensioenaanspraken bij het
ABP in stand.
Gelet op bovenstaande ontwikkelingen en mogelijkheden is er geen noodzaak meer om
tot een aanwijzing van een B3-lichaam over te gaan. De afgelopen jaren is er nog slechts
een enkele aanwijzing op verzoek gedaan. Er zullen geen nieuwe B3-lichamen meer worden
aangewezen en de aanwijzingsbevoegdheid kan uit de WPA worden geschrapt. Het feit
dat er na de inwerkingtreding van onderhavige wet geen nieuwe aanwijzingen zullen
plaatsvinden is niet van invloed op de reeds aangewezen lichamen: zij blijven bestaan
als B3-lichamen of als aangewezen lichamen. De werkgevers en werknemers van deze lichamen
blijven dus overheidswerkgever en -werknemer in de zin van de WPA (zie ook artikel
2, derde lid, de aangepaste onderdelen b en c). Het betreft:
-
1. Een B3-lichaam dat als privaatrechtelijk lichaam op grond van artikel B3 van de Abp-wet
was aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de
zin van de Abp- wet was (artikel 1, onder g).
-
2. Een lichaam aangewezen op grond van de Pensioenwet 1922, dat op grond van artikel
U2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen als lichaam waarvan het personeel
geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Abp- wet was (artikel 1, onder g).
-
3. Een privaatrechtelijk lichaam aangewezen op grond van artikel 2, derde lid, onder
b of c, van de WPA.