Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 oktober 2017
Donderdag 12 oktober 2017 heeft het Openbaar Ministerie bekend gemaakt dat het lichaam
van Anne Faber is gevonden. Ik leef intens mee met de familie van Anne Faber, haar
vriend, haar vrienden en iedereen die dichtbij haar stond. Met de politie, het Openbaar
Ministerie (OM), de betrokken gemeentes en de familie van Anne Faber, prijs ik de
immense betrokkenheid als ook de geboden hulp en steun van vele mensen.
De vermissing en dood van Anne Faber heeft iedereen in Nederland ernstig geschokt.
Er zijn veel vragen over de achtergronden van deze zaak, de verdachte en zijn detentieverloop.
Ik heb daar begrip voor. De Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd zijn gevraagd onderzoek te doen. Tegelijkertijd loopt er een strafrechtelijk
onderzoek. Het is belangrijk dat men de ruimte krijgt deze onderzoeken zorgvuldig
te verrichten. Daarom kan ik niet verder ingaan op deze zaak
In de procedurevergadering van de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie
van 11 oktober 2017 heeft de commissie verzocht om een reactie op het bericht «Kliniek
Michael P. «drugshol» (Telegraaf.nl, 11 oktober 2017). De commissie verzoekt ook de
Kamer te informeren over de stand van zaken van het wetsvoorstel Forensische Zorg
en de huidige mogelijkheden tot het opleggen van tbs aan weigerende observandi.
Met deze brief geef ik gevolg aan het verzoek van de Vaste Kamercommissie.
Onderzoek door Inspecties
De afgelopen week heb ik kennis genomen van de berichtgeving over de situatie in de
kliniek in Den Dolder, waaronder het bericht van de Telegraaf. Vanzelfsprekend staat
de veiligheid van samenleving, personeel en patiënten voorop. Daarom wil ik opheldering
over de feiten en gebeurtenissen aangaande de forensisch psychiatrische afdeling Roosenburg
van de betreffende kliniek. Ik heb de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting gevraagd onderzoek uit te voeren. De kliniek
heeft aangegeven dat zij volledige medewerking verleent aan dit onderzoek.
Weigerende observandi
Gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum onderzoeken mensen die verdacht worden
van het plegen van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. In alle gevallen leveren
zij een rapportage op. Soms werken verdachten niet mee aan het onderzoek, hetzij op
aanraden van de verdediging, hetzij voortvloeiend uit hun pathologie. Indien iemand
weigert mee te werken, is de mate waarin de deskundigen tot een advies kunnen komen
afhankelijk van de beschikbaarheid van informatie uit bijvoorbeeld het strafdossier
en observaties.
De waardering van het advies en de beslissing tot het opleggen van de tbs berust bij
de rechter. Dat betekent ook dat de rechter de tbs-maatregel kan opleggen wanneer
het advies hier niet toe strekt, mits hij heeft vastgesteld dat sprake is van een
ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Een weigering
kan het zicht op een aanwezige geestesstoornis belemmeren. Ik vind dit onwenselijk.
Daders krijgen daardoor niet de behandeling die ze vanuit het oogpunt van een veilige
samenleving nodig hebben. Daarom is in het wetsvoorstel Forensische Zorg de zogeheten
«regeling weigerende observandi» opgenomen. Het wetsvoorstel ligt in de Eerste Kamer,
en zal daar vermoedelijk op 23 januari 2018 worden behandeld1.
De regeling in het wetsvoorstel maakt het mogelijk eerdere medische gegevens inzake
weigeraars te verkrijgen van behandelaren en artsen voor Pro Justitia-rapportages.
De regeling bevat waarborgen om inzage van de gegevens op een zorgvuldige manier vorm
te geven. Met de regeling kan worden voorkomen dat geen tbs kan worden opgelegd wegens
weigeren, terwijl er bestaande gegevens zijn die kunnen bijdragen aan vaststelling
van de aanwezigheid van een stoornis.
Daarnaast is eerder dit jaar in het PBC een pilot gestart waar in een intensiever
observatieklimaat langer wordt geprobeerd verdachten te bewegen om mee te werken aan
het onderzoek. De gedachte is dat als verdachten meer activiteiten ontplooien en extra
worden geprikkeld, de gedragswetenschappers meer aanknopingspunten krijgen voor de
pro-Justitia rapportage. Om langer te kunnen (gaan) observeren heb ik onlangs een
wetsvoorstel2 bij uw Kamer ingediend. Hiermee wordt verlenging van de maximale termijn voor klinische
observatie gecodificeerd. Een langere observatietermijn geeft het NIFP de mogelijkheid
aanvullende observatietechnieken, zoals voornoemd klimaat, toe te passen. Hierdoor
kan, naar verwachting, een meer volledige conclusie worden getrokken.
Afsluitend
Ik besef dat het leed voor de familie niet kan worden wegnomen. Niettemin hoop ik
dat het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van de Inspecties antwoord zullen
geven op de vele vragen die door een ieder worden gesteld.
De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok