Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2014
Hierbij bied ik u het conceptrapport van de IOB evaluatie «Useful Patchwork: Direct Funding of Local NGOs by Netherlands Embassies 2006–2012» ter informatie aan1. Ook vindt u in de bijlage een nieuwsbrief van de IOB over deze evaluatie2.
De aanleiding voor het uitvoeren van de evaluatie was een motie van het Tweede Kamerlid
Ferrier in juni 2009 (Kamerstuk 31 933, nr. 8) en de passage over dit onderwerp in de Beleidsnotitie Maatschappelijke Organisaties
«Samenwerken, Maatwerk, Meerwaarde» van 14 april 2009.
In de studie wordt geconstateerd dat NGO’s een aanzienlijk bedrag via de achttien
onderzochte ambassades hebben ontvangen tussen 2006–2012. In deze periode werd 24
procent van de middelen van ambassades besteed via internationale, noordelijke en
lokale NGO’s. Ruim een derde hiervan ging naar lokale NGO’s voornamelijk voor directe
dienstverlening aan arme bevolkingsgroepen, maar ook ter versterking van het maatschappelijk
middenveld. Hoewel er per land verschillen in omvang en doel van directe financiering
zijn, zijn de meeste direct gefinancierde programma’s consistent met de bilaterale
landenprogramma’s van de ambassades uitgevoerd.
Het beleidsvoornemen, zoals geformuleerd in 2009, om de fondsen uitsluitend aan te
wenden ter versterking van de thematische speerpunten is volgens plan uitgevoerd.
Ook nam het volume van directe financiering toe in de periode 2006–2012, zij het in
beperkte mate.
Uit de evaluatie blijkt dat ambassades directe financiering een waardevol instrument
vinden voor het behalen van de doelstellingen uit hun MJSP, waaronder het versterken
van de kritische rol van lokale NGO’s. Bovendien stelt directe financiering de ambassade
beter in staat in contact te blijven met lokale organisaties. Ook boden lokale organisaties
soms informatie die de ambassades gebruikten in dialogen met de regering van het land.
Ook de lokale NGO’s appreciëren het instrument van directe financiering. Zij hadden
niet alleen baat bij het ontvangen van geld, maar de directe financiering versterkte
hun positie in de samenleving. Daarnaast opende het deuren naar andere donoren. Aanvragen
werden vaak in overleg geformuleerd via «co-creatie».
De evaluatie stelt vast dat er weinig sprake was van centrale sturing. Ook ambassades
hadden geen expliciet beleid voor directe financiering. Dit bleek een voordeel voor
de betrokken partijen: er was veel waardering van zowel ambassades als lokale organisaties
voor directe financiering vanwege het flexibele en informele karakter. IOB stelt vast
dat er voldoende controles en waarborgen zijn voor verantwoorde directe financiering.
De Inspectie ziet geen reden voor een strakker beleid, omdat dat tot verlies van zowel
flexibiliteit als persoonlijke contacten kan leiden.
Daarbij constateert IOB dat er weinig sprake was van complementariteit tussen de inspanningen
van de Nederlandse ambassades en andere donoren, inclusief Nederlandse medefinancieringsorganisaties
(zoals de MFS II-partners). Meer afstemming had mogelijk kunnen leiden tot een effectiever
en efficiënter besteding van het totaal aan ODA-middelen in een land. IOB stelt dat
ambassades in samenspraak met lokale organisaties en andere donoren meer visie kunnen
ontwikkelen op hoe de maatschappelijke organisaties bij ontwikkeling van het lokale
maatschappelijke middenveld het best ondersteund kunnen worden.
De IOB evaluatie adviseert daarom positieve aspecten zoals flexibiliteit, dialoog
met partners en co-creatie in toekomstig beleid te behouden. De analyse van het maatschappelijk
middenveld als basis voor partnerselectie, het breder zoeken naar veelbelovende NGO’s,
aandacht voor systematisch leren en evalueren, en inzet op complementariteit tussen
Nederlandse ambassades en andere donoren zijn lessen die worden getrokken en die ik
meeneem bij de ontwikkeling van het Accountability Fund.
Het Accountability Fund wordt ingericht als onderdeel van het nieuwe beleidskader
«Samenspraak en Tegenspraak». Het wordt speciaal ontwikkeld voor de directe financiering
van lokale organisaties ter bevordering van hun pleitende en beïnvloedende rol. Daarmee
wordt het een instrument dat ambassades kunnen inzetten naast de bestaande gedelegeerde
fondsen voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld op de speerpunten of
speciale thema’s als mensenrechten. Inrichting van dit instrument wordt in het eerste
trimester van 2015 afgerond zodat het per 1 januari 2016 operationeel zal zijn.
De versie van het rapport over directe financiering die ik u nu aanbied bevat nog
enkele kleine errata. Met het oog op het Algemeen Overleg van 12 juni over het «Subsidiekader
Maatschappelijke Organisaties» wil ik deze evaluatie toch al met u delen. Zodra de
definitieve versie voltooid is, komt die u toe.
De Minister voor Buitenlandse Handelen Ontwikkelingssamenwerking,
E.M.J. Ploumen