Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433623 nr. 11

33 623 Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht

Nr. 11 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 maart 2014

Bij brief van 15 januari 2014 heb ik u toegezegd u nader te zullen informeren over mijn gevolgtrekkingen in verband met twee uitspraken in beroepszaken van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml)1.

De eerste zaak betrof het toepassen van verrekeningen van kosten met het loon2.

De Inspectie SZW legt aan werkgevers een boete op als door het verrekenen van kosten op het loon minder dan het wettelijk minimumloon wordt uitbetaald3. Omdat de bij de boetezaak betrokken onderneming ten aanzien van enkele werknemers teveel kosten had verrekend met het loon, heeft de Inspectie SZW aan het bedrijf een boete opgelegd wegens onderbetaling. De rechtbank heeft het beroep van de onderneming tegen de boete gegrond verklaard. De rechtbank heeft gesteld dat de Wml geen bepalingen bevat over de toelaatbaarheid van verrekeningen op het loon en dat voor de vraag of en onder welke voorwaarden verrekeningen zijn toegestaan, alleen het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt. Op grond van het BW zijn verrekeningen ruimer toegestaan. De handhaving is bovendien civielrechtelijk.

Op 14 januari 2014 is mijnerzijds hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank. Gezien de uitspraak van de rechtbank acht ik het wel raadzaam om de juridische basis voor het beleid ten aanzien van het toepassen van verrekeningen te verduidelijken en te verstevigen. Ik ben dan ook voornemens om de wetgeving op dit punt te wijzigen. Het is niet gewenst dat door het verrekenen van allerlei kosten met het loon de werknemer uiteindelijk minder krijgt uitbetaald dan waar hij wettelijk recht op heeft en de werkgever mogelijk oneigenlijk voordeel behaalt. In de Wml zal een nieuwe bepaling worden opgenomen die een grens stelt aan de mogelijkheid om verrekeningen op het loon toe te passen. Daarbij zal worden gezorgd voor een goede en eenduidige afstemming met de relevante bepalingen in het BW. Een wetsvoorstel zal ik u op zo kort mogelijke termijn doen toekomen.

De tweede zaak betrof het werken door een aantal personen in de marktsector waarbij zij vooraf af zagen van hun aanspraak op beloning4. In plaats daarvan werd een som geld overgemaakt aan een ideële stichting. De rechtbank heeft daarop geconcludeerd dat nu er geen aanspraak bestond op loon, er geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst, zodat de Wml niet van toepassing was. Ook in deze zaak heb ik hoger beroep aangetekend. Tot nog toe komen dergelijke situaties overigens nauwelijks voor. Om die reden wacht ik het hoger beroep in deze zaak af alvorens ik overga tot mogelijke aanpassing van de wet- en regelgeving.

Overigens blijkt ook los van deze uitspraken steeds meer dat de Wml niet in voldoende mate is toegesneden op de huidige arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen. De wet, in 1969 in werking getreden, heeft van oorsprong een civielrechtelijk karakter en is tot stand gekomen in een tijd waarin de voltijds arbeidsovereenkomst de standaard was en waarin vooraf duidelijk was op welk loon de werknemer aanspraak kon maken. In de huidige tijd zijn er ook andere arbeidsverhoudingen waarmee betrokkenen door arbeid in inkomsten voorzien. Daarnaast speelt sinds de invoering van de bestuursrechtelijke handhaving in 2007 mee, dat er op onderdelen spanning bestaat tussen het BW en de bestuursrechtelijke handhaving van de Wml. Dit is niet bevorderlijk gebleken voor de naleving en handhaving van de Wml en doet afbreuk aan het normstellende karakter van de Wml: het bieden van een maatschappelijk aanvaardbare tegenprestatie voor de verrichte arbeid, het tegengaan van concurrentievervalsing en het voorkomen van uitbuiting.

Ik zal u voor het zomerreces een brief over de Wml doen toekomen waarin ik in zal gaan op de beleidsmatige ontwikkelingen inzake de toepassing van de Wml.

Tot slot merk ik op dat het tegengaan van ontduiking van de Wml een belangrijk element is in het Actieplan aanpak schijnconstructies. Kortheidshalve verwijs ik u naar mijn brief van 26 november 20135. In deze brief heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van het genoemd actieplan en een overzicht gegeven van onder meer mijn voornemens met betrekking tot de Wml.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 33 623, nr. 10.

X Noot
2

SGR 13 / 6793 d.d. 16 december 2013

X Noot
3

De Inspectie SZW maakt een uitzondering voor het verrekenen van kosten voor huisvesting (maximaal 20%) en ziektekostenverzekering (maximaal 10%). Geen boete wordt opgelegd als de verrekeningen van kosten hiertoe beperkt blijven.

X Noot
4

AWB 12/2425 d.d. 12 december 2013

X Noot
5

Kamerstuk 17 050, nr. 447.