Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433618 nr. B

33 618 Wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP1

Vastgesteld 18 maart 2014

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven de volgende vragen en opmerkingen aan de regering voor te leggen.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben enkele vragen. De leden van de fracties van VVD en SP sluiten zich bij deze vragen aan.

2. Strijd met artikel 23 Grondwet?

Met de Afdeling advisering van de Raad van State zijn de leden van de CDA-fractie van oordeel dat het constitutioneel correcter ware geweest wanneer de provincie een verzwaard adviesrecht zou hebben gekregen en de Minister de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het vaststellen van de kerndoelen had behouden. Deze kerndoelen raken immers de inhoud van het onderwijs. Artikel 23 Grondwet wijst de onderwijstaak uitdrukkelijk aan als «voorwerp van aanhoudende zorg der regering», en niet aan een verticaal gedecentraliseerd orgaan als gedeputeerde staten. De vraag kan gesteld worden of dit wetsvoorstel niet in strijd is met artikel 23 Grondwet, mede gelet op de onderwijsvrijheid. Gaarne verzoeken de leden van de CDA-fractie de regering nog eens precies uit te leggen waarom zij van oordeel is dat dit wetsvoorstel niet in strijd is met artikel 23 Grondwet.

3. Onderwijs in de Friese taal in andere provincies

Stel het geval dat een basisschool en/of een middelbare school in de provincie Groningen eveneens het vak Friese taal wil aanbieden aan haar leerlingen. Welke instantie stelt daarvoor dan de kerndoelen vast? Dit wetsvoorstel ziet immers slechts op vaststelling van de kerndoelen door gedeputeerde staten Fryslân in de provincie Fryslân. Buiten de provinciegrenzen hebben gedeputeerde staten immers ook geen enkele bevoegdheid, zo stellen de leden van de CDA-fractie vast.

4. Goedkeuring Minister van door gedeputeerde staten Fryslân vastgestelde kerndoelen

In het wetsvoorstel is artikel 9 lid 7 en 8 van de Wet op het primair onderwijs als volgt geformuleerd:

«7. Onze Minister kan goedkeuring als bedoeld in het zesde lid in ieder geval onthouden indien aan de volgende voorwaarden, waarvoor gedeputeerde staten gegevens aandragen, niet wordt voldaan:

a. het bestaan van voldoende draagvlak in het Friese primair onderwijs voor de voorgelegde kerndoelen Friese taal;

b. dat de kerndoelen Friese taal niet meer inspanningen van het Friese primair onderwijs vergen dan het aandeel van het onderwijs in de Friese taal binnen het totaal aan onderwijsactiviteiten rechtvaardigt.

8. Onze Minister kan goedkeuring als bedoeld in het zesde lid in ieder geval onthouden indien de kerndoelen Friese taal geen aandacht schenken aan:

a. het zich mondeling uitdrukken in het Fries en het verstaan van de Fries gesproken taal,

b. het zich schriftelijk uitdrukken in het Fries en het verwerven van informatie uit in het Fries gestelde teksten,

c. bevordering van het begrip van de Friese taal, en

d. het ontwikkelen van een positieve houding ten aanzien van het gebruik van het Fries.»

Vergelijkbare formuleringen als in de Wet op het primair onderwijs vinden de leden van de CDA-fractie vervolgens terug in artikel 11e lid 3 en 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs (met toevoeging achter Friese taal: «en cultuur»), artikel 13 lid 9 en 10 van de Wet op de expertisecentra, alsmede artikel 14c lid 6 en 7 en artikel 14f lid 5 en 6 van deze wet. Voor ál deze formuleringen geldt dat deze intern met elkaar strijdig zijn: bedoelt de wetgever onze Minister een discretionaire bevoegdheid te geven om al dan niet goedkeuring te onthouden, dan is inderdaad het woordje «kan» op zijn plaats. Maar volgens de leden van de CDA-fractie bedoelt de wetgever met de formulering «in ieder geval» nu juist uit te drukken dat de Minister goedkeuring behoort te onthouden, zodat de bewindspersoon in dat geval geen discretionaire bevoegdheid heeft. Wanneer deze laatste opvatting correct is – en de memorie van toelichting lijkt deze te bevestigen – dan dient de formulering in de wet te luiden: «Onze Minister onthoudt in ieder geval goedkeuring als bedoeld in...»

Graag zien de leden van de fractie van het CDA een gemotiveerde reactie van de regering tegemoet.

Indien er inderdaad geen plaats is voor een discretionaire bevoegdheid van de Minister met betrekking tot het onthouden van goedkeuring, is de regering dan, mét de leden van de CDA-fractie, ook van oordeel dat hiervoor een correctie in de wettekst dient plaats te vinden? Graag vernemen deze leden van de regering hoe zij deze correctie in de wet wenst aan te brengen.

De wet geeft niet aan wat er moet geschieden indien de Minister inderdaad goedkeuring onthoudt. Weliswaar regelt de wet dat dan de Onderwijsraad om advies moet worden gevraagd (geen discretionaire bevoegdheid) en dat er uiteraard opnieuw overleg moet plaatsvinden met de provincie Fryslân (gedeputeerde staten) en (eventueel) met het onderwijsveld, maar de wet regelt niets in het geval de Minister en gedeputeerde staten het met elkaar oneens blijven. Ligt het dan niet in de rede dat, indien de Minister en de provincie Fryslân niet tot overeenstemming kunnen komen, de Minister de wettelijke bevoegdheid behoort te krijgen om de kerndoelen vast te stellen, na de Onderwijsraad en de provincie Fryslân te hebben gehoord?

5. Ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten Provincie Fryslân

Hebben de leden van de CDA-fractie goed begrepen dat gedeputeerde staten van Friesland zowel voor de algehele als voor de gedeeltelijke ontheffing van het onderwijs in de Friese taal niet de goedkeuring van onze Minister of Staatssecretaris behoeven, maar dat zij hiertoe naar eigen inzicht kunnen beslissen? Indien dit laatste inderdaad het geval is, betekent dit dan niet dat de goedkeuringsbevoegdheid van de Minister de facto een wassen neus is? Immers, als de Minister de kerndoelen heeft goedgekeurd kunnen gedeputeerde staten vervolgens hiervan weer geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen, zonder dat daar verder nog een mogelijkheid tot ingrijpen op het niveau van de regering is. Noch de Minister, noch de beide Kamers der Staten-Generaal komen daar dan verder nog aan te pas. Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat door deze ontheffingsmogelijkheid in feite de goedkeuringsbevoegdheid van de Minister de facto van nul en generlei waarde is? De leden van de CDA-fractie zien met belangstelling een gemotiveerd antwoord van de regering tegemoet.

De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Vries-Leggedoor

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Dupuis (VVD), Linthorst (PvdA), Kox (SP), Sylvester (PvdA), Essers (CDA), Engels (D66), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU) Schaap (VVD), De Vries-Leggedoor (CDA) (voorzitter), Lokin-Sassen (CDA), Backer (D66), Ganzevoort (GL) (vice-voorzitter), De Lange (OSF), Koole (PvdA), Sent (PvdA), Vlietstra (PvdA), Van Strien (PVV), Sörensen (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP).