De memorie van antwoord geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende
nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere vragen.
Inleiding
De leden van de CDA-fractie danken de regering voor de beantwoording van hun vragen
in de memorie van antwoord. Ter voorbereiding van de plenaire behandeling van dit
wetsvoorstel hebben zij nog een aantal nadere vragen.
De leden van de fracties van de VVD en van de SP sluiten zich aan bij de leden van
de CDA-fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
Hoe beoordeelt de regering het uitstel van de inwerkingtreding van het Verdrag met
een extra jaar? Wat heeft zij gedaan om dit uitstel te voorkomen? Was de Tweede Kamer
zich volgens de regering voldoende bewust van de mogelijke gevolgen van het uitstellen
van de stemming tot na het zomerreces voor de inwerkingtreding? Heeft de regering
op deze mogelijke gevolgen uitdrukkelijk gewezen? Kan de regering aangeven in hoeverre
de belangen van de Nederlandse staat worden geschaad door dit uitstel. Welke burgers,
bijvoorbeeld grensarbeiders, worden gedupeerd door dit uitstel van een jaar?
Op de vraag van de leden van de CDA-fractie hoe de overgangsregeling voor gepensioneerden
zich verhoudt tot eventuele andere overgangsregelingen bij vergelijkbare verdragswijzigingen,
maakt de regering alleen een vergelijking met het belastingverdrag met België uit
2001. Daarbij vermeldt zij overigens niet dat de bronbelastinginkomensgrens in het
Verdrag met België € 25.000 bedraagt en in het nieuwe Verdrag met Duitsland € 15.000.
Ook vermeldt de regering niet de verschillende inkomenseffecten die optraden en zullen
optreden gedurende en na afloop van beide overgangsregelingen. De leden van de CDA-fractie
vragen de regering om dit alsnog te doen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering
om ook een vergelijking te maken met de Verdragen met het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen
en Curaçao waarin bestaande gevallen worden ontzien en met andere belastingverdragen
waarin de bronbelasting wordt geheven op basis van een vast percentage.
Verder vragen de leden van de CDA-fractie welke inkomensgevolgen als gevolg van deze
verdragswijziging zullen optreden voor in Nederland wonende ex-grensarbeiders die
bijvoorbeeld een Duitse «Altersrente» van minder dan € 15.000 hebben opgebouwd in
Duitsland dat sedert 2005 relatief laag wordt belast in Duitsland en die straks als
gevolg van de € 15.000-grens veel duurder uit zijn als zij over dit pensioen belasting
in Nederland moeten betalen. Om hoeveel belastingplichtigen gaat het hier? In hoeverre
acht de regering een overgangsregeling ook voor deze categorie belastingplichtigen
op zijn plaats?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering ook om aan te geven hoe de AOW-uitkering
van in Duitsland woonachtige gepensioneerden met een in Nederland opgebouwd bedrijfspensioen
na de verdragswijziging zal worden belast. Kan de regering in deze een vergelijking
maken met de belastingheffing van de AOW-uitkering van in Duitsland wonende gepensioneerde
ambtenaren/militairen na de verdragswijziging?
Verder zegt de regering dat de verschuiving van het heffingsrecht over de AOW van
gepensioneerde ambtenaren/militairen «in zijn geheel bezien» tot beperkte negatieve
inkomenseffecten zal leiden. Zo zou het verlies aan hypotheekrenteaftrek worden gecompenseerd
door aftrekposten die in Duitsland bestaan. Kan de regering dit met een aantal praktische
berekeningen nader onderbouwen? Is het niet zo dat vanwege het relatief lage bedrag
van het AOW-inkomen deze aftrekposten maar weinig betekenis zullen hebben? Is het
bovendien niet zo dat de veranderingen ten aanzien van de AOW-component tot aanzienlijke
verschillen kunnen leiden bij de toepassing van de overgangsregeling alsmede bij de
uiteindelijke bronbelastingheffing?
De leden van de commissie zien de beantwoording van voorgaande vragen met belangstelling
tegemoet. Zij verzoeken de regering de nadere memorie van antwoord zo mogelijk binnen
vier weken aan de Eerste Kamer toe te zenden.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Essers
De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren