Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-201433611 nr. B

33 611 Wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 22 april 2014

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij onderschrijven de doelstelling van het wetsvoorstel om het Nederlandse arbitragerecht te moderniseren teneinde met waarborgen omgeven arbitrage als een volwaardig alternatief voor een gang naar de burgerlijke rechter beschikbaar te hebben en tevens met nieuwe arbitrageregels de internationale concurrentiepositie van Nederland als land van internationale rechtspraak en arbitrage te versterken. Deze leden hebben evenwel nog enkele vragen, waar de leden van de fracties van het CDA en de SP zich bij aansluiten.

De leden van de CDA-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij verwelkomen de wijzigingsvoorstellen die leiden tot modernisering van het arbitragerecht en tot opheffing van belemmeringen voor het gebruik van arbitrage. Zij constateren dat het wetsvoorstel een gedegen voorbereiding heeft gekend, onder andere door een brede consultatie en adviezen uit het veld, en dat met die commentaren en reacties in de nadere uitwerking van het voorstel terdege rekening is gehouden. Zij constateren voorts dat het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State louter instemmend was. Ook deze leden hebben evenwel nog enkele vragen, mede namens de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, D66 en de SGP.

2. Verbetering Nederlandse concurrentiepositie

Uit de toelichting bij het wetsvoorstel en het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer blijkt dat de regering bij het opstellen van de nieuwe arbitragewet de UNCITRAL Model Law voor arbitrage, zoals laatstelijk gewijzigd in 2006, als een belangrijke inspiratiebron heeft gebruikt. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij voornemens is de opgedane ervaringen bij de aanpassing van het Nederlandse arbitragerecht in te brengen bij UNCITRAL, opdat dit VN-orgaan daar bij een volgende wijziging van zijn Model Law daar zijn voordeel mee kan doen.

3. Voorbereiding, advies en consultatie

Bij de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer is aandacht gevraagd voor het ontbreken van een expliciete regeling van de vertrouwelijkheid van een arbitrage. Een daartoe strekkende bepaling, die in de consultatiefase nog was opgenomen (artikel 1069a Rv) en die sinds het verschijnen van het Voorontwerp2 van Van den Berg ondanks vele discussies, symposia en commentaren ongeschonden in tact was gebleven, is evenwel geschrapt naar aanleiding van een advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) dat «daarvan misbruik zou kunnen worden gemaakt».3 Deze conclusie bevreemdt de leden van de fractie van het CDA omdat zij het door de NVvR gegeven argument op zich zelf niet doorslaggevend achten. Prof. mr. H.J. Snijders schrijft in een redactioneel commentaar in het Tijdschrift voor Arbitrage: «In het algemeen wordt vertrouwelijkheid (met inbegrip van de daarmee verband houdende geheimhoudingsplicht) dan ook als een vast kenmerk en beginsel van ongeschreven Nederlands arbitragerecht beschouwd afgezien van uitzonderingen op grond van enige overeenkomst».4 De aan het woord zijnde leden vragen de regering op de door Snijders gehanteerde argumenten en conclusies in te gaan. Zij vragen dit mede omdat de ervaring leert dat juist in het bedrijfsleven een begrijpelijke behoefte bestaat om bedrijfsgeheimen en know-how niet publiek te maken en te voorkomen dat het voeren van een arbitraal geding de aandelenkoersen zal beïnvloeden. Het is tevens een ervaringsfeit dat bepaalde arbitrale vonnissen, waarvoor vertrouwelijkheid geldt, moeilijk te anonimiseren zijn, omdat naast de namen van de in het geding betrokken partijen ook bepaalde producten een zodanige naamsbekendheid hebben, dat een verwijzing naar deze producten in een procedure onmiddellijk consequenties kan hebben voor de marktpositie van de (beursgenoteerde) producenten. Het moge evenwel duidelijk zijn dat de hier weergegeven argumenten ten faveure van vertrouwelijkheid niet opgaan voor (internationale) arbitrages met een expliciet publiekrechtelijk gehalte (bijvoorbeeld investeringsbeschermingsovereenkomsten), die een nauwe band hebben met het algemeen belang. Voor deze categorie zou een opt-out ten aanzien van de vertrouwelijkheid kunnen gelden.

De leden van de CDA-fractie vragen vervolgens om een nadere motivering voor het feit dat er geen kwaliteitseisen worden gesteld aan arbiters of secretarissen van arbitrale colleges. Voor de laatste categorie is dit van belang als een geheel arbitraal college uit niet-juristen bestaat, zoals bij kwaliteitsarbitrages meestal het geval is. Het feit dat het thans in Nederland gebruikelijk is dat arbiters en secretarissen ook zonder dat er wettelijke eisen zijn gesteld, doorgaans wel over voldoende kwaliteit beschikken, betekent niet dat er uit het ontbreken van een wettelijke basis geen problemen kunnen rijzen.

4. Artikelsgewijs

Artikel I

De leden van de fractie van de PvdA achten het van groot belang dat arbitrage als privaat alternatief voor een gang naar de overheidsrechter op geen enkele wijze het grondwettelijk en internationaalrechtelijk burgerrecht van toegang tot de rechter beknot (zie artikel 17 Grondwet, artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR). Zij verzoeken de regering dat uitgangspunt nog eens te bevestigen.

De aan het woord zijnde leden vragen de regering ook naar de verhouding tussen de nieuwe arbitragewet en artikel 112 Grondwet, dat de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen aan de rechterlijke macht opdraagt.

Artikel III

Onderdelen YY en BBB

De leden van de CDA-fractie vernemen graag waarom de regering ervoor heeft gekozen om de verlening van het exequatur bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te leggen, terwijl een vernietigingsactie in eerste aanleg bij het gerechtshof dient. Zou het niet efficiënter zijn het hof bij uitsluiting bevoegd te verklaren om beide procedures in enige feitelijke aanleg te behandelen? Ook de kwaliteit van de behandeling en de rechtseenheid zouden daarmee zijn gediend.

Onderdelen ZZ en CCC

Waarom – zo vragen de leden van de fractie van het CDA zich voorts af – is de mogelijkheid niet onder ogen gezien dat arbiters (via de overheidsrechter) prejudiciële vragen kunnen stellen aan het Hof van Justitie? Arbiters kunnen immers ook met Europeesrechtelijke vragen worden geconfronteerd en een handelen in strijd met Europese regelingen kan leiden tot het weigeren van een exequatur of de vernietiging van een arbitraal vonnis.

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Witteveen (PvdA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), Schouwenaar (VVD), De Boer (GL), De Lange (OSF), Ter Horst (PvdA), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Swagerman (VVD)

X Noot
2

Zie TvA 2005/36 (tekst) en TvA 2005/37 (toelichting).

X Noot
3

Kamerstukken II 2013–2014, 33 611, nr. 5, p. 8.

X Noot
4

TvA 2014/1.