Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333610 nr. 11

33 610 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet in verband met de aanpassing van het fiscale kader voor oudedagsvoorzieningen (Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen)

Nr. 11 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juni 2013

In het regeerakkoord is afgesproken om het fiscale kader voor het aanvullende pensioen, het zogeheten Witteveenkader, te versoberen. Het kabinet acht het van belang de ambitie ten aanzien van de pensioenhoogte aan te passen aan het stijgen van de levensverwachting en de trend van langer doorwerken. Dit is goed voor de houdbaarheid van het pensioenstelsel en draagt bij aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën.

Op 11 april 2013 heeft het kabinet afspraken gemaakt met werkgevers- en werknemersorganisaties. Onderdeel van deze afspraken is dat sociale partners tot 1 juni 2013 de gelegenheid zouden krijgen voor de uitwerking van alternatieven voor of aanvullingen op de aanpassing van het Witteveenkader zoals in het regeerakkoord is aangegeven. Voor deze gelegenheid is door de Stichting van de Arbeid een werkgroep opgericht. Op 7 juni 2013 hebben de werkgevers- en werknemersorganisaties, zoals verenigd in de Stichting van de Arbeid, besloten over de definitieve uitwerking van alternatieven en aanvullingen en het voorstel aan het kabinet gemeld. De brieven van de Stichting van de Arbeid en de rapportage van de Werkgroep Witteveenkader zijn als bijlage aan deze brief toegevoegd1.

Het voorstel

De werkgroep heeft verschillende varianten uitgewerkt om invulling te kunnen geven aan de afspraak met het kabinet. Voor een nadere beschrijving van de varianten en de analyse daarvan wordt kortheidshalve verwezen naar de rapportage bij de brief van de Stichting van de Arbeid.

De stichting spreekt de wens uit om het versoberde Witteveenkader, zoals uitgewerkt in het wetsvoorstel Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen dat reeds aan uw Kamer is toegezonden, aan te vullen met een spaarfaciliteit. Deze spaarfaciliteit dient het mogelijk te maken om de pensioenopbouw aan te vullen ten opzichte van het in dat wetsvoorstel voorgestelde Witteveenkader.

In het akkoord van de Stichting van de Arbeid hebben sociale partners aangegeven dat bij de uitwerking een belangrijk uitgangspunt is om te komen tot een gelijkwaardige pensioenopbouw voor ieder inkomen. Om dat te bereiken dienen er volgens de werkgroep met ingang van 1 januari 2015 twee zogenaamde excedent-regelingen te worden ingevoerd.

De werkgroep heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat voor beide regelingen gespaard wordt uit het netto inkomen en dat het opgebouwde vermogen en de uitkering vervolgens onbelast blijven – dus een vrijstelling van box 3-belasting. Verder is gebleken dat de sociale partners wensen dat zoveel mogelijk kan worden aangesloten bij de modaliteiten die van toepassing zijn bij de pensioenregelingen die gebaseerd zijn op het sparen uit het bruto inkomen (zowel 2e als 3e pijler). Zo zal bijvoorbeeld de pensioenrichtleeftijd in het geldende Witteveenkader van toepassing moeten zijn.

Toets aan de randvoorwaarden

Zoals afgesproken hebben de sociale partners een aanvulling op het onderhavige wetsvoorstel aangedragen. Dit voorstel is onder meer getoetst op budgettaire inpasbaarheid en op uitvoerbaarheid om te borgen dat dit voorstel past binnen de randvoorwaarden van het kabinet in reactie op het sociaal akkoord.

Om te bezien of ook aan de budgettaire randvoorwaarde kan worden voldaan heeft het CPB een budgettaire toets uitgevoerd op de varianten die de werkgroep heeft uitgewerkt. Volgens het CPB past de hierboven beschreven variant binnen de budgettaire randvoorwaarden van het kabinet indien het maximale opbouwpercentage op 1,85% van het brutoloon wordt gesteld. Dit betekent concreet dat voor een inkomen onder de € 100.000 gespaard kan worden voor een netto pensioenuitkering die vergelijkbaar is met die bij een bruto pensioenopbouw van 0,1% van het brutoloon in de nieuwe regeling (bovenop de 1,75% onder het Witteveenkader), en boven de € 100.000 1,85%, omdat vanaf dat inkomen het Witteveenkader wordt afgetopt. Een hoger opbouwpercentage past niet binnen de budgettaire randvoorwaarden, aldus het CPB. Sociale partners hebben aangegeven te streven naar een hogere pensioenambitie. In dat kader hebben zij gewezen op vrijvallende VPL-premies. Navraag heeft echter geleerd dat het CPB in zijn middellange termijn ramingen al rekening houdt met uitfaseren van deze regelingen. Het CPB ziet geen aanleiding om de ramingen van de pensioenpremies neerwaarts bij te stellen. Er is dus op dit punt geen sprake van een budgettaire ruimte.

Wat betreft de uitvoerbaarheid constateer ik dat het voorstel op zich uitvoerbaar is, maar wel leidt tot een complexere uitvoering en extra administratieve lasten. Daarnaast vereist de communicatie met de deelnemer meer aandacht omdat ook voor de deelnemer de complexiteit toe zal nemen. Daarbij moet wel bedacht worden dat dit niet louter het gevolg is van de gekozen vormgeving, maar ook van het feit dat er meerdere pensioenregelingen naast elkaar komen te bestaan. Elke aanvulling die niet volledig identiek is aan het nieuwe Witteveenkader zal dus tot op zekere hoogte tot een toename van de complexiteit leiden. Daarnaast is aandacht nodig voor de administratieve lasten en uitvoeringskosten van een excedentregeling die relatief hoog kunnen zijn ten opzichte van de premie-inleg.

Slot

De sociale partners hebben een aanvulling voorgesteld op het wetsvoorstel om het Witteveenkader aan te passen. Ik constateer dat het voorstel van de partners binnen de randvoorwaarden van het kabinet past. Van groter belang is dat het voorstel kan bijdragen aan draagvlak voor de hervormingen van de fiscale facilitering voor aanvullende pensioenen. Dit maakt dat ik middels een aanvullende spaarfaciliteit op het reeds toegezonden wetsvoorstel invulling wil geven aan de wens van de sociale partners. De precieze invulling hiervan wil ik de komende dagen uitwerken in de vorm van een nota van wijziging.

Voor sociale partners en pensioenuitvoerders is het van groot belang dat zo spoedig mogelijk duidelijk wordt aan welke regels zij moeten voldoen per 1 januari 2015. Om het mogelijk te maken het hierboven beschreven voorstel van sociale partners bij de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel te betrekken, ben ik voornemens u voor het voorgenomen wetgevingsoverleg van 17 juni een nota van wijziging toe te sturen, waarmee een netto-spaarfaciliteit in regelgeving kan worden verankerd. Daarmee acht ik het mogelijk om op verantwoorde wijze dit voorstel per 1 januari 2015 in te voeren.

De staatssecretaris van Financiën, mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, F.H.H. Weekers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer