Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333579 nr. 7

33 579 Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 17 juni 2013

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen die de fracties hebben gesteld. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Bij enkele vragen is afgeweken van de volgorde van het verslag.

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de SP-fractie vragen naar het doel van het wetsvoorstel.

Uitgangspunt is dat wanneer burgers een beroep doen op de sociale zekerheid, zij wet- en regelgeving in acht nemen. Daarbij hoort een juiste opgave van de gegevens die nodig zijn om het uitkeringsrecht (en de uitkeringshoogte) blijvend te kunnen vaststellen. Een belangrijke manier om dit te bereiken – als burgers niet voldoen aan hun informatieplicht – is door gebruik te maken van gegevens die de overheid of andere organisaties met een publieke taak beschikbaar hebben.

Met dit wetsvoorstel beoogt de regering nieuwe en effectievere mogelijkheden voor gegevensuitwisseling te realiseren die bijdragen aan een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de sociale zekerheid en de preventie en bestrijding van fraude. Daarnaast streeft de regering naar een eenmalige uitvraag van gegevens in de SUWI-keten. Gegevens die door de ene partij zijn uitgevraagd, zouden niet door een andere partij nogmaals uitgevraagd moeten worden. Een derde doel is verminderen van uitvoeringslasten.

De in het wetsvoorstel vervatte maatregelen zijn merendeels aangedragen door gemeenten, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en andere publieke partijen op basis van door hen ervaren knelpunten. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • gegevensuitwisseling ten behoeve van risico-indicatie;

  • gegevensuitwisseling gedetineerden in het buitenland;

  • gegevensverstrekking door de Belastingdienst;

  • gegevenslevering nutsbedrijven en woningverhuurders;

  • gegevensuitwisseling registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk;

  • opschorten uitkeringen in relatie tot de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA);

  • gegevenslevering aan pensioenuitvoerders, de SVB en gemeenten;

  • meldingen aan schadeverzekeraars.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het doel van het wetsvoorstel en vragen in het kader daarvan wat de regering bedoelt met «daarmee verband houdende gebieden» Deze zinsnede is afkomstig uit het advies van de Afdeling advisering van Raad van State van 14 december 2012 (eerste pagina), waarin de Afdeling het wetsvoorstel samenvat: «het wetvoorstel maakt verwerking van persoonsgegevens mogelijk op het terrein van de sociale zekerheid en daarmee verband houdende gebieden, gericht op het bestrijden van fraude en het vereenvoudigen van gegevensverkeer.» De zinsnede staat niet in de considerans bij het wetsvoorstel of de memorie van toelichting, noch in het concept wetsvoorstel dat op 13 oktober 2012 voor advies aan de Afdeling advisering van Raad van State is voorgelegd.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

2.1 Gegevensuitwisseling ten behoeve van risico-indicatie

De leden van de VVD-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat het verschil is tussen het gebruik van het Systeem voor Risico-Indicatie (SyRI) op basis van dit wetsvoorstel en de huidige situatie waarin op basis van een convenant gewerkt wordt. Zij vragen of de reikwijdte van SyRI verbreed wordt en zo ja, voor welke situaties dit geldt. Voorts vragen de leden of de regering een overzicht kan geven van alle instanties of organisaties die onder de Wet SUWI1 vallen.

Met dit wetsvoorstel krijgt de samenwerking bij de bestrijding van fraude en oneigenlijk gebruik tussen de bij wet aangewezen partijen, in beginsel de Belastingdienst, de Inspectie SZW, het UWV, gemeenten, de SVB, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Ministerie van Financiën bij de aanpak van fraude een wettelijke basis. Met de wettelijke regeling wordt duidelijk dat de Minister van SZW verantwoordelijke voor SyRI is in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Daarnaast is de doelstelling van de samenwerking aangescherpt in artikel 64, eerste lid van de Wet SUWI. Dit artikel geeft de «grenzen» aan en maakt duidelijk in welke gevallen SyRI ingezet kan worden.

De doelstelling in de samenwerkingsovereenkomst (convenant) luidde «het voorkomen en terugdringen van belasting- en premiefraude, uitkeringsfraude, illegale tewerkstelling en daarmee samenhangende misstanden». Deze doelstelling is in genoemd artikel nauwkeuriger omschreven, waarbij in de artikelsgewijze toelichting een opsomming is gegeven van de relevante wetten waarop de samenwerking betrekking heeft. De zinsnede «en daarmee samenhangende misstanden» is geschrapt, waardoor SyRI alleen nog ingezet wordt voor doelstellingen die expliciet in de wet zijn opgenomen. Ook is de term «misbruik» vervangen door «onrechtmatig gebruik van overheidsgelden en overheidsvoorzieningen», waarmee duidelijk wordt aangegeven dat opzet niet alleen als vereiste geldt. Ten slotte wordt met de doelstelling in de wet nauwer aangesloten bij de overtredingen zoals die zijn benoemd in de wetgeving waarop de samenwerking is gericht.

Verder wordt met dit wetsvoorstel de proportionaliteit geborgd doordat voorafgaand aan een samenwerking moet worden afgewogen welke gegevens en welke indicatoren noodzakelijk zijn voor de bestandskoppeling. Dit proces zal in de algemene maatregel van bestuur nader worden beschreven. Ten slotte is in het wetsvoorstel voor de risicomeldingen een bewaartermijn vastgelegd van twee jaar en komt een geheimhoudingsplicht te rusten op degene die de risicomeldingen ontvangt of er kennis van neemt.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel de mogelijkheid open laat dat ook andere publiekrechtelijke instanties door de Ministers van SZW en van Financiën worden aangewezen om bij te dragen aan het voorkomen en bestrijden van fraude door SyRI. De leden vragen hoe dit in de praktijk gaat en welke criteria gebruikt worden om te bepalen of andere organisaties kunnen aansluiten. Zij vragen voorts of de regering andere instanties kan noemen, ten aanzien waarvan zij het nuttig of wenselijk acht dat deze worden aangewezen, als bedoeld in het voorgestelde artikel 64, eerste lid onder d, Wet SUWI, om samen te werken ten behoeve van een integraal overheidsoptreden ter voorkoming of bestrijding van fraude. Ook de leden van de CDA-fractie vragen hiernaar en aan welke bestuursorganen de regering dan denkt, als ook «andere organen» betrokken kunnen zijn bij het toezicht.

De leden van de SP-fractie vragen of de lijst van organisaties die participeren in het SyRI definitief is of dat er in de toekomst ook andere koppelingen kunnen worden geactiveerd, bijvoorbeeld door toevoeging van andere publieke instanties (woningbouwcorporaties of nutsbedrijven) aan het nieuwe wetsartikel, dat de wettelijk verankering regelt van het instrument SyRI.

Bij de beoordeling of andere organisaties kunnen aansluiten, gelden de volgende criteria:

  • de uitbreiding past binnen de doelbinding van SyRI;

  • de aan te wijzen instantie heeft een publiekrechtelijke taak.

Indien een organisatie verzoekt gebruik te maken van SyRI en voldoet aan bovengenoemde criteria, wordt die organisatie daartoe aangewezen bij regeling van de Minister van SZW in overeenstemming met de Minister van Financiën. Voorbeelden van organisaties die zouden kunnen aansluiten zijn bijvoorbeeld de Dienst Uitvoering Onderwijs of de Immigratie en Naturalisatiedienst.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan uitleggen waarom er wel een recht is op deelname, maar geen deelnameplicht. Zij vragen of dit betekent dat organisaties die per se nodig zijn voor het opsporen van fraude, in bepaalde situaties ook kunnen besluiten om niet mee te doen.

Organisaties hebben geen deelnameplicht. Binnen een samenwerkings-verband wordt per project voorafgaand aan de bestandskoppeling door de betrokken organisaties bepaald wat het beoogde doel is van het project en welke organisaties deelnemen. Het kan voorkomen dat het doel en de prioriteiten van een organisatie niet aansluiten bij het doel van het project, vandaar dat er wel een recht is op deelname, maar geen plicht. Ook is deelname afhankelijk van de (budgettaire) capaciteit van de organisatie.

De leden van de VVD-fractie vragen of het zo is dat de informatie die ten gevolge van dit wetsvoorstel wordt uitgevraagd wel voor meerdere doeleinden en door meerdere instanties kan worden benut, maar dat de eigenaar van de data van elk gebruik van de data voor een ander doel op de hoogte moet worden gesteld.

Gegevens die in het kader van SyRI worden uitgewisseld, mogen niet verder gebruikt worden dan voor het doel waarvoor SyRI is ingezet. Indien dat binnen de doelbinding past, kunnen gegevens binnen een project voor meerdere doeleinden (onrechtmatig gebruik van sociale zekerheidsregelingen en inkomensafhankelijke regelingen, fiscale fraude, niet naleven van arbeidswetten) worden ingezet. Per project wordt voorafgaand aan de bestandskoppeling door de betrokken instanties bepaald wat het beoogde doel is van het project, welke gegevens daarvoor moeten worden samengebracht en welke instanties deel zullen nemen. De deelnemende instantie die gegevens levert, is dus op de hoogte van het doel waarvoor de te verstrekken gegevens worden ingezet.

Ook vragen de leden van de VVD-fractie of aan de instanties die gegevens aanleveren, wordt teruggekoppeld of de aangeleverde gegevens bruikbaar zijn geweest. Dit kan immers het draagvlak voor het aanleveren en daarmee het opsporen van fraude vergroten.

Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) zal worden geregeld dat ieder project waarin gebruik is gemaakt van SyRI, wordt geëvalueerd. De terugkoppeling over de bruikbaarheid van de aangeleverde gegevens ten behoeve van de bestandskoppeling in SyRI, zal onderdeel uitmaken van deze evaluatie.

De leden van de VVD-fractie vragen aan wie de regering denkt als «trusted third party» bij de bewerking van gegevens in de eerste fase van de risicoselectie. De «trusted third party» heeft de sleutel waarmee data aan de identiteit van mensen kunnen worden gekoppeld. De leden vragen voorts hoe de regering voorkomt dat die sleutel breed wordt verspreid.

De bewerker zal worden aangewezen bij AMvB. Het voornemen is om de Stichting Inlichtingenbureau met deze taak te belasten. Dit Inlichtingenbureau is een trusted third party. Vastgelegd zal worden dat alleen diegenen die vanuit hun functie betrokken zijn bij het anonimiseren en nominiseren van de gegevens, toegang hebben tot de sleutel.

De leden van de PvdA-fractie, de SP-fractie en de CDA-fractie vragen of de regering kan illustreren in welke situaties te verwachten valt dat de minister beslist om het verzoek om verwerking van gegevens in SyRI niet te honoreren.

De minister zal een verzoek afwijzen als het verzoek niet binnen de doelbinding valt of als de deelnemende bestuursorganen of personen het verzoek niet hebben getoetst aan de vereisten van subsidiariteit (dat wil zeggen de gegevens niet op een andere manier worden verkregen) en proportionaliteit (gegevensverwerking in verhouding met doel) in de zin van artikel 8 EVRM en het verzoek dus niet of onvoldoende is onderbouwd. Verder is denkbaar dat de analysevraag de beschikbare analysecapaciteit overtreft. Bij de prioritering van de analysecapaciteit kan de minister besluiten om een verzoek af te wijzen.

Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie waarom handhavers niet verplicht zijn om vervolgactie te nemen na ontvangst van een risicomelding.

Of een risicomelding feitelijk voldoende is om tot handhaving over te gaan, is afhankelijk van verschillende factoren. Zo kan nader onderzoek achterwege blijven als blijkt dat de informatie uit de melding inmiddels achterhaald is. Daarnaast is de capaciteit van de uitvoering aan grenzen gebonden. Daarom maken de organisaties keuzes om te bepalen welke signalen zij in redelijkheid en binnen de beschikbare capaciteit op kunnen pakken.

2.2 Gegevensuitwisseling gedetineerden in het buitenland

De leden van de VVD-fractie vragen hoe lang het duurt voordat de pilot over gegevensaanlevering is afgerond.

De gegevensuitwisseling en het stopzetten van uitkeringen op basis van de resulterende samenloopsignalen kan formeel pas plaatsvinden nadat deze wet in werking is getreden. Een eerste bestandsvergelijking (pilot) moet duidelijk maken om hoeveel samenloopgevallen het gaat en welk efficiënt uitwisselingsproces daarbij het beste past. De samenloopsignalen uit die bestandsvergelijking kunnen gebruikt worden voor het stopzetten van een uitkering. Beoogd wordt om de pilot direct na de inwerkingtreding van deze wet uit te voeren.

De leden van de VVD-fractie vragen of de uitkering gewoon blijft doorlopen als de gedetineerde nu geen consulaire bijstand verzoekt. Ook vragen de leden of de regering het voornemen heeft om ervoor te zorgen dat elke gedetineerde in het buitenland ook daadwerkelijk geen uitkering meer krijgt. Zij vragen of en welke andere methoden kunnen worden ingezet als de gedetineerde in het buitenland zich niet zelf meldt. Deze leden vragen verder of het niet mogelijk is om, bijvoorbeeld via het Inlichtingenbureau, alle gedetineerden in een database bij te houden, waardoor uitvoeringsorganisaties eenvoudig kunnen zien of uitkeringen aan deze personen moeten worden verstrekt. Ook vragen de leden van de VVD-fractie de regering toe te lichten wat wordt bedoeld met de opmerking dat het systeem nog niet sluitend is en welke stappen worden ondernomen op zoek naar nieuwe gegevensbronnen.

In het gegevensbestand van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) worden alle Nederlandse gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit, Nederlanders met een dubbele nationaliteit, personen met een vluchtelingenstatus en personen met een vreemdelingenstatus voor Nederland en de Nederlandse Koninkrijksdelen opgenomen. Nederlandse onderdanen die niet om consulaire bijstand hebben verzocht, zijn niet opgenomen in het bestand van BuZa en zijn daardoor niet bekend bij de Nederlandse overheid. Het is voor een uitvoeringsorgaan bijzonder lastig om te achterhalen of er bij uitkeringsgerechtigden sprake is van detentie in het buitenland. Dit laat onverlet dat op uitkeringsgerechtigden die in het buitenland in detentie verblijven een algemene inlichtingenplicht rust.

Het Inlichtingenbureau heeft als kerntaak om bestandsvergelijkingen uit te voeren ten behoeve van gemeenten. Daarbij worden de gebruikte gegevens na de bestandsvergelijking vernietigd. Het door de leden geopperde voorstel zou betekenen dat het Inlichtingenbureau een kopie van het gegevensbestand van BuZa bewaart en bijhoudt. Gezien de aard van de gegevens ontstaat als gevolg daarvan een veel groter risico waar het gaat om de privacybescherming en beveiliging. Dit acht de regering niet wenselijk.

Voor zover bekend zijn er geen andere centrale bestanden van (niet Nederlandse) personen die aanspraak maken op een Nederlandse uitkering en die in het buitenland in detentie verblijven. Indien in de nabije toekomst nieuwe gegevensbestanden bekend worden, zullen stappen worden ondernomen om gegevensuitwisseling mogelijk te maken, zodat samenloop van uitkering met detentie in het buitenland kan worden achterhaald.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts in hoeverre gemeenten verplicht zijn om zich aan te sluiten bij het Inlichtingenbureau en wat de regering ervan vindt dat sommige gemeenten niet aangesloten zijn bij het Inlichtingenbureau en daarom onrechtmatige uitkeringen verstrekken aan gedetineerden in het buitenland.

In het antwoord op de Kamervragen van de leden Nieuwenhuizen-Wijbenga, Potters (VVD) en Heerma (CDA) over het niet stopzetten van de bijstandsuitkering bij voortvluchtige criminelen2, is de wijze waarop gemeenten de diensten van het Inlichtingenbureau afnemen, uiteengezet. Gemeenten zijn niet verplicht om gebruik te maken van de maandelijkse rapportage met samenloopsignalen van het Inlichtingenbureau, al doet het overgrote deel (op vier na) dat wel.

Om het belang van een correcte uitvoering van de wet te onderstrepen zijn alle gemeenten in maart 2012 via de Verzamelbrief SZW3 gewezen op het belang van een goed en efficiënt gebruik van die samenloopsignalen.

2.4 Gegevenslevering nutsbedrijven en woningverhuurders

De leden van de VVD-fractie vragen of het wetsvoorstel betekent dat de nutsbedrijven alle extreme verbruiksgegevens gaan doorsturen naar uitkeringsorganisaties en gemeenten of dat dit enkel betekent dat partijen die uitkeringen verstrekken, een verzoek daartoe kunnen doen bij de nutsbedrijven. Zij vragen of de regering het in het kader van de privacy vindt uit te leggen dat elk extreem gebruik gemeld wordt, omdat de oorzaak niet altijd fraude hoeft te zijn.

Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat behalve gemeenten ook de SVB en het UWV aan nutsbedrijven kunnen vragen om voor een bepaald gebied de adressen met extreme verbruiksgegevens door te geven. Deze adressen worden vervolgens vergeleken met het bestand van mensen die een uitkering ontvangen. De gegevensuitwisseling vindt dus plaats na een verzoek. In principe worden alle signalen voor extreem hoog of laag verbruik bekeken in relatie tot de informatie die een organisatie reeds heeft in een dossier of in systemen. Pas als een zorgvuldige beoordeling van alle verzamelde informatie leidt tot twijfel over de rechtmatigheid van de uitkering, zal besloten worden om nader te onderzoeken of daadwerkelijk sprake is van fraude. Op voorhand valt niet vast te stellen of extreem verbruik op fraude duidt, maar ieder opgespoord geval van fraude telt.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering een overzicht kan geven hoe vaak in 2012 voor handhaving van de Wet werk en bijstand de mogelijkheid van het opvragen van gegevens van nutsbedrijven en woningverhuurders is benut om de leefvorm te controleren. De leden willen weten hoe vaak daadwerkelijk sprake was van fraude.

De regering heeft geen inzicht in hoe vaak afzonderlijke gemeenten navraag doen bij nutsbedrijven of bij woningverhuurders en welk percentage daarvan tot constatering van fraude heeft geleid. Over 2012 is de regering alleen bekend dat in opdracht van gemeenten een pilotproject Waterproof 3 heeft plaatsgevonden in Gelderland met onder meer als doel de analyse ten aanzien extreem waterverbruik te kunnen aanscherpen. Daarvoor zijn verbruiksgegevens verstrekt van waterverbruik in de gemeentelijke postcodegebieden waarbij een afrekening had plaatsgevonden in 2010 en 2011 (in totaal ongeveer 15.000 cases). Na nadere analyse door de Inspectie SZW zijn 91 signalen doorgegeven aan gemeenten. In 81 gevallen bleek het te gaan om reeds bekende gevallen van fraude en verklaarbare oorzaken, zoals opname in een inrichting of beschermde woonvorm. In vijf gevallen was sprake van nieuwe fraude en vijf gevallen zijn nog in onderzoek.

De Inspectie SZW gebruikt de uitkomsten van het Waterproof 3 project uit 2012 voor het verder verbeteren van risico-indicatoren binnen SyRI.

2.5 Gegevensuitwisseling Registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

De leden van de SP-fractie vragen wat het rechtvaardigt om wel gegevensuitwisseling mogelijk te maken vanuit het Landelijk Register kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (LRKP), maar niet voor andere beroepsregisters (bijvoorbeeld notarissen, advocaten of huisartsen). De leden vragen of de regering objectieve vermoedens heeft dat in deze beroepsgroep vaak wordt gefraudeerd met een uitkering.

Als een burger een uitkering ontvangt en daarnaast actief is als gastouder, houder is van een kindercentrum dan wel als zelfstandige zonder personeel inkomsten uit kinderopvang ontvangt, dan zijn de inkomsten uit bovengenoemde bronnen van invloed op het recht op en de hoogte van de uitkering. Het kunnen beschikken over het gegeven van inschrijving in het LKRP draagt bij aan het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering en het tegengaan van fraude. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een uitkering worden al veel gegevens uit registraties betrokken, zoals uit de GBA, voertuigregistratie van de RDW, het handelsregister, de polisadministratie van het UWV, registraties van de SVB en registraties van de Belastingdienst. Werkzaamheden als gastouder komen daarbij niet in beeld indien de inkomsten uit kinderopvangactiviteiten niet worden opgegeven, waardoor gemeenten of de SVB of het UWV mogelijke inkomsten niet kunnen meenemen bij het vaststellen van het recht of de hoogte van uitkeringen. Om een zo compleet mogelijk beeld van de eventuele inkomsten van de aanvrager en ontvanger van uitkeringen te krijgen, wordt daarom geregeld dat gemeenten, UWV en SVB op het burgerservicenummer het LRKP kunnen raadplegen. Hieraan liggen geen objectieve vermoedens ten grondslag dat in deze beroepsgroep vaker wordt gefraudeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uitgebreid in te gaan op de vraag waarom de wetsartikelen over gastouderschap zo ruim zijn omschreven. Zij vragen waarom het volgens de regering niet voldoende is, zoals voorgesteld door de afdeling advisering van de Raad van State, om alleen gegevens over de registratie als gastouder te verstrekken, die zijn vastgelegd in het LKRP.

Het wetsartikel is niet alleen gericht op gastouders, maar ook op houders van een kindercentrum aan huis of zelfstandigen zonder personeel die inkomsten uit kinderopvang hebben. Dergelijke houders staan ook geregistreerd in het LRKP. Daarom wordt ook voor het wisselen van deze gegevens een wettelijke basis gecreëerd. Op dit punt is het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State dus niet overgenomen.

2.6 Opschorten uitkering werknemersverzekeringen en volksverzekeringen in relatie tot inschrijving gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van de passage «Het UWV zal uitkeringsgerechtigden verzoeken de inschrijving in de GBA binnen een redelijke termijn in orde te (laten) maken» wat de regering verstaat onder een «redelijke» termijn.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat UWV als redelijke termijn een termijn van zes weken zal hanteren.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de opschorting ertoe leidt dat de uitkering tijdelijk niet tot uitbetaling komt, totdat wel aan de verplichtingen op grond van de wet- en regelgeving rondom de basisadministratie is voldaan. De leden vragen of de uitkering met terugwerkende kracht wordt uitbetaald, als vervolgens wel aan de wettelijke verplichting wordt voldaan.

Wanneer de uitkeringsgerechtigde aan zijn verplichting heeft voldaan, staat deze weer op het juiste adres ingeschreven. Er zijn dan geen belemmeringen meer om zijn uitkering alsnog uit te betalen. Dit betekent dat de uitkeringsgerechtigde met terugwerkende kracht vanaf het moment van het opschorten van de uitkering uitbetaald krijgt.

De leden van de PvdA-fractie en van de SP-fractie vragen of de regering criteria kan benoemen onder welke omstandigheden een gemeente tot een adresonderzoek zal overgaan en onder welke omstandigheden een gemeente dat juist achterwege zal laten.

De gemeente maakt bij elk signaal de afweging of meteen een onderzoek wordt gestart of dat het eerst nog mogelijke andere bronnen raadpleegt. Een criterium voor een gemeente om een adresonderzoek te starten kan zijn dat de gemeente een signaal ontvangt of zelf opmerkt dat een persoon niet (langer) op het adres woont waarop hij in de GBA staat ingeschreven. Een criterium voor een adresonderzoek kan ook gelegen zijn in signalen dat de gronden voor de inschrijving van een betrokkene op een briefadres mogelijk niet meer aanwezig zijn. De gemeente kan signalen op verschillende manieren ontvangen, bijvoorbeeld via een terugmelding of door een aangifte in persoon aan de balie. De gemeente kan ook zelf opmerken dat er aanleiding is voor een adresonderzoek, bijvoorbeeld op basis van contacten van een gemeentelijke dienst met een inwoner of door een bezoek ter plaatse. Ook kan aanleiding voor een onderzoek worden gevonden in signalen over het adres zelf, bijvoorbeeld overbewoning of juist leegstand. Om hierin uniformiteit te bevorderen heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken het protocol adresonderzoek opgesteld (www.bprbzk.nl/GBA/Kwaliteit ).

Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering kan toelichten wat wordt bedoeld met de passage dat het GBA op orde is, zodra uit de GBA blijkt dat het college van B&W zijn onderzoek naar het adres heeft afgerond, ongeacht de uitkomst van dat onderzoek. De leden vragen of er dan per definitie geen twijfel meer is aan de juistheid van de ten aanzien van de betrokken persoon geregistreerde gegevens.

De GBA is een basisregistratie waarin gegevens van personen administratief zijn en/of worden vastgelegd. Wanneer er door de gemeente een adresonderzoek is uitgevoerd en het onderzoek geen nieuwe informatie oplevert, dan blijven de gegevens in de GBA ongewijzigd en haalt de gemeente de aantekening «in onderzoek» weg. De uitkeringsgerechtigde blijft dan geregistreerd als «vertrokken onbekend waarheen». Indien het onderzoek informatie oplevert over een nieuw adres van betrokkene in Nederland, dient de gemeente de GBA op basis van die gegevens bij te werken. Dat kan door aangifte van de betrokkene zelf of ambtshalve. Na afronding van het adresonderzoek is met de kennis van dat moment de GBA bijgewerkt en kan gesteld worden dat deze «op orde is», waarna het UWV de behandeling van de uitkeringsaanvraag en/of lopende uitkering kan voortzetten.

2.7 Uitbreiding gegevenslevering vanuit polisadministratie aan pensioenuitvoerder, Sociale verzekeringsbank en gemeenten

De leden van de VVD-fractie gaan in op het verstrekken van gegevens aan pensioenuitvoerders, nu in het wetsvoorstel is geregeld, dat het UWV ook gegevens uit de polisadministratie ten behoeve van het CBS kan doorleveren aan de pensioenuitvoerders. Deze leden vragen of de pensioenuitvoerders nu ook (via de werkgevers) inzicht in deze gegevens hebben en of dit dus enkel een snellere manier is om aan de gegevens te komen. Tevens vragen zij of de pensioenuitvoerders ook toegang krijgen tot meer gegevens van individuele mensen.

Het gaat hier om gegevens die pensioenuitvoerders nu direct bij werkgevers uitvragen. De voorgestelde wijziging heeft tot doel dat de gegevens over het loon van de werknemer, die werkgevers verstrekken via de loonaangifte en die worden verwerkt in de polisadministratie, nu ook door het UWV verstrekt kunnen worden aan de pensioenuitvoerders. Hierdoor hoeven deze werkgevers de gegevens maar eenmaal aan te leveren.

De leden van de VVD-fractie wijzen er terecht op dat pensioenuitvoerders geen overheidsorganisatie zijn, maar private instanties. Zij vragen of het UWV de betrokken werknemers in kennis stelt van het gebruik van de gegevens door de pensioenuitvoerders.

Het UWV mag de gegevens uit de polisadministratie verder bekend maken voor zover dit een wettelijke grondslag heeft. Burgers worden formeel geïnformeerd doordat bij AMvB geregeld moet worden om welke gegevens het gaat. De betrokken werknemers worden hier niet afzonderlijk over in kennis gesteld.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of het gebruik van gegevens van het UWV om het verdiende loon te berekenen een dwingende werking heeft en of hiertegen bezwaar gemaakt kan worden als blijkt dat niet al het loon is meegenomen door het UWV en dan ook door de pensioenuitvoerder.

Er is geen sprake van een dwingende werking om deze gegevens te gebruiken. De werknemer kan als het loongegeven in het pensioenoverzicht is opgenomen, de pensioenuitvoerder altijd aanspreken op de juistheid en volledigheid van de loongegevens.

De leden van VVD-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat pensioenfondsen de uit de polisadministratie geleverde gegevens enkel gebruiken voor het doel waarvoor ze worden aangeleverd. Ook vragen de leden waar deze gegevens precies voor nodig zijn.

Het gaat hier om gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van pensioenregelingen in de zin van de Pensioenwet. Met de voorgestelde wetswijziging wordt voor pensioenuitvoerders de mogelijkheid aanzienlijk verruimd om gebruik te maken van gegevens uit de polisadministratie. Zo is het CBS-gegeven loon in geld, zoals dat in de polisadministratie is opgenomen, nodig zodat pensioenuitvoerders op basis van dit loongegeven zelf het loon kunnen berekenen voor de pensioengrondslag. Er is dan geen omrekening meer nodig. Hiermee worden de uitvoeringskosten van pensioenuitvoerders en werkgevers beperkt.

De gegevens mogen niet worden gebruikt voor verzekeringen en pensioenen die buiten de arbeidsrelatie tot stand komen. Het UWV zal bij de gegevensverstrekking voorwaarden stellen die nader worden geregeld op grond van artikel 73, vijfde lid, van de Wet SUWI. Zo zal UWV als voorwaarde stellen dat de gegevens uitsluitend voor het doel uitvoering pensioengegevens mogen worden verwerkt (artikel 73, eerste lid, van de Wet SUWI). Overigens gelden dergelijke eisen van doelbinding ook al op grond van de Wbp.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of, met betrekking tot de gegevensaanlevering aan de SVB en gemeenten, of dit concreet betekent dat het UWV, de SVB en de gemeenten over compleet dezelfde informatie beschikken.

Dit is juist. Op basis van de voorgestelde wetswijziging kan UWV deze gegevens leveren aan SVB en gemeenten, waarmee deze organisaties over dezelfde informatie beschikken.

2.8 Arbeidsongeschiktheidsmeldingen aan schadeverzekeraars

De leden van de VVD-fractie vragen onder welke voorwaarden gegevens mogen worden verstrekt en hoe wordt voorkomen dat deze gegevens niet voor oneigenlijke doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor commerciële doeleinden. De leden vragen of dit betekent dat schadeverzekeraars meer informatie verkrijgen dan in de huidige situatie of dat de informatie enkel op een snellere manier verkregen wordt.

In het voorgestelde artikel 73, eerste lid, van de Wet SUWI is opgenomen dat de gegevens «uitsluitend voor dat doel» worden verwerkt. Afnemers van de bedoelde gegevens uit de polisadministratie zullen zich aan de wet moeten houden, dus ook hieraan. Verder geldt het toezicht van het College bescherming persoonsgegevens. Daarnaast verwachten verzekeraars op basis van de gegevensverstrekking door het UWV de gegevens op snellere en goedkopere wijze te kunnen verkrijgen in plaats van ze zelf bij de werkgevers uit te vragen.

3. De verhouding van het wetsvoorstel tot het recht op bescherming van persoonsgegevens

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering ervan overtuigd is dat een (geringe) kostenbesparing voor deze partijen stand kan houden in het licht van de eisen die voortvloeien uit artikel 8 EVRM.

Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving wordt aan de hand van artikel 8 EVRM getoetst of het noodzakelijk is dat bepaalde gegevens worden verstrekt. Bij verstrekking van gegevens aan derden zoals verzekeraars is de afweging gemaakt dat er een publiek belang is dat private instanties over dezelfde gegevens kunnen beschikken als publieke instanties. Op die manier worden kosten voor aanvullende voorzieningen bespaard hetgeen ook een publiek belang is.

De leden van de VVD-fractie vinden dat alleen die gegevens moeten worden verstrekt die van belang zijn voor de genoemde doelen en vragen met welke criteria de regering deze gegevens afbakent bij deze wetsherziening ten einde het doel van fraudereductie te bereiken.

Met het wetsvoorstel worden nieuwe mogelijkheden voor gegevensuitwisseling gerealiseerd die bijdragen aan een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de sociale zekerheid en de preventie en bestrijding van fraude. Ten aanzien van de voorgestelde wettelijke grondslagen is aan de hand van artikel 8 EVRM een belangenafweging gemaakt waaruit geconcludeerd is dat het gerechtvaardigd is bepaalde gegevens te verstrekken om voornoemd doel te bereiken. Welke gegevens verstrekt mogen worden, wordt per maatregel bepaald door de doelbinding. De doelbinding is dus het criterium. Er worden niet meer gegevens gevraagd dan noodzakelijk zijn voor het te bereiken doel en voor het te dienen belang. Voorts is afgewogen dat de gegevens niet op een andere, minder ingrijpende manier kunnen worden verkregen.

4. Ontvangen adviezen en commentaar

4.1 CBP

De leden van de PvdA-fractie, de SP-fractie en de CDA-fractie vragen of de regering het aangepaste voorstel ook aan het CBP heeft voorgelegd. De leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie willen in dat geval weten wat het oordeel is van het CBP over het aangepaste voorstel. Indien het voorstel na aanpassing niet opnieuw aan het CBP is voorgelegd, verzoeken zij de regering toe te lichten waarom zij van oordeel is dat voldoende aan de bezwaren van het CBP tegen het originele voorstel is tegemoetgekomen.

De leden van de SP-fractie verzoeken de regering de eventuele nieuwe reactie van het CPB aan de Kamer te zenden en vragen of het CBP van oordeel is dat het aangepaste wetsvoorstel voldoende tegemoet komt aan de eerdere bezwaren van het CBP.

Het aangepaste wetsvoorstel is niet aan het CBP voorgelegd. Het CBP heeft het advies mondeling toegelicht en bij die gelegenheid is ook besproken hoe het advies zou worden verwerkt. Het is niet gebruikelijk om na verwerking van het advies het wetsvoorstel opnieuw aan het CBP voor te leggen. Het advies van het CBP zag grotendeels op SyRI en ten aanzien van dat instrument is de afspraak gemaakt dat de nog te maken AMvB aan het CBP voor advies zal worden voorgelegd. Dit is ook in de memorie van toelichting opgenomen.

Het advies van het CBP op het oorspronkelijke wetsvoorstel is gelijktijdig met toezending van het wetsvoorstel naar de Kamer gestuurd.

4.10 Verbond van verzekeraars

De leden van de VVD-fractie vragen waarom het wetsvoorstel zo is aangepast dat schade- en levensverzekeraars de bedoelde meldingen van het UWV ook mogen gebruiken voor pensioenproducten die niet onder de Pensioenwet vallen.

Het gaat hier om producten die eveneens worden aangeboden in het kader van de arbeidsrelatie en die strekken tot aanvulling op een uitkering uit hoofde van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het betreft dus verzekeringen van aanspraken die uit de arbeidsrelatie voortvloeien en daarmee vergelijkbaar zijn met (arbeidsongeschiktheids) pensioenen omdat die uitkering het gevolg van arbeidsongeschiktheid is.

Daarom zijn deze producten toegevoegd aan het wetsvoorstel.

5. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten wat het totale (cumulatieve) fraudebedrag is in de sociale zekerheid en of de regering dit bedrag kan uitsplitsen per uitkeringstype. Ook vragen zij informatie over de trend van de incassoratio, of het deel opgespoorde fraude van de totale fraude, van de afgelopen vijf jaar. De leden van de SP-fractie vragen de regering om een overzicht van de opgespoorde fraudebedragen in 2012 uitgesplitst naar type fraude (samenlevingsvorm, werken naast de uitkering, te hoog vermogen, vermogen in het buitenland, etc.).

Hieronder is het fraudebedrag voor de verschillende regelingen weergegeven voor wat betreft geconstateerde fraude.

Tabel 1. Geconstateerd fraudebedrag in 2012 op basis van overtredingen met financiële benadeling.

Regeling

Schadebedrag

(X € 1 mln)

WW

34,9

WAO + WIA

9

ZW

2

WWB

64

Anw

1,8

AOW

0,7

TW

4,8

Akw

0,1

bron: SZW-jaarverslag 2012

Fraudebedragen uitgesplitst naar type fraude werden vermeld in de Bijstandsfraudestatistiek en werden in die hoedanigheid aan de Kamer aangeboden. Hieronder is het overzicht over de jaren 2010 en 2011 gepresenteerd. Deze statistiek wordt thans door CBS, de Vereniging Nederlandse gemeenten, en SZW doorontwikkeld naar de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek, waarvan de eerste cijfers in het najaar van 2013 beschikbaar komen.

De invulling van de incassoratio is per 1 januari 2013 gewijzigd door de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) die sinds 1 januari 2013 van kracht is. Op basis van steekproeven van vorderingsbedragen (totaal van boete en benadelingsbedrag) zal in jaarlijkse cohorten worden gemeten in hoeverre er wordt teruggevorderd. SVB en UWV zullen hierover voor het eerst in hun jaarverslag 2013 rapporteren.

Grafiek 1.1 Informatie uit Bijstandsfraudestatistiek

Grafiek 1.1 Informatie uit Bijstandsfraudestatistiek

In het kader van verantwoord begroten is op het terrein van handhaving gekozen voor thematische verantwoording. Er worden kengetallen vastgesteld voor preventie, opsporing en terugvordering. In de begroting 2013 zijn reeds twee kengetallen over opsporing (het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling en het totaal benadelingsbedrag) opgenomen. In 2013 wordt een kengetal op het terrein van preventie opgenomen (kennis der verplichtingen en gepercipieerde pakkans). Op terrein van terugvordering/incassoratio vindt nog ontwikkeling plaats.

De leden van de SP-fractie vragen de regering per maatregel toe te lichten wat de verwachte opbrengsten zijn voor de komende vijf jaar en wat de daarbij horende kosten zijn van deze maatregelen de komende vijf jaar, alsmede een indicatie van de verwachte fraudeopbrengsten voor de komende vijf jaar (uitgesplitst naar type organisatie en type uitkering).

De leden van CDA-fractie vragen of de regering verwacht dat na inwerkingtreding van dit voorstel meer fraude zal worden geconstateerd dan het bedrag van € 153 miljoen dat in 2011 is geconstateerd.

In het regeerakkoord Rutte-Verhagen is een aanscherping van de fraudeaanpak opgenomen, met een daaraan gekoppelde taakstellende opbrengst oplopend naar € 180 miljoen in 2016. Naar aanleiding daarvan is in 2012 het wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving aangenomen4. In deze wet is geregeld dat overtredingen steviger worden gesanctioneerd. In het thans voorliggende wetsvoorstel wordt de uitvoerders van de sociale zekerheid via bestandskoppelingen meer mogelijkheden geboden om fraude te voorkomen en te bestrijden. Dit wetsvoorstel draagt daarmee bij aan de eerder opgenomen fraudetaakstelling van € 180 miljoen. Er worden voor dit voorstel om die reden geen afzonderlijke opbrengsten ingeboekt.

Bij de opbrengst van de fraudetaakstelling uit het regeerakkoord zijn drie effecten verondersteld: meer ontvangsten door hogere boetes, minder fraude vanwege een afschrikkende werking en meer mogelijkheden tot het opsporen van fraude. De laatste twee hebben een tegengesteld effect op de geconstateerde fraude, maar leiden beiden tot lagere uitgaven. Het samengestelde effect op de geconstateerde fraude is niet vooraf in te schatten.

In onderstaande tabel zijn de uitvoeringskosten uitgesplitst naar maatregel.

Tabel 2. Uitvoeringskosten per maatregel

Maatregel

(bedragen in dzd euro's)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Systeem Risico Indicatie (SyRI)

264

264

264

264

264

264

Gedetineerden buitenland

59

15

15

15

15

15

Gegevensverstrekking belastingdienst

118

         

Gegevensuitwisseling kinderopvang

158

75

55

55

55

55

GBA – Vertrokken Onbekend Waarheen

2.000

2.100

1.600

1.600

1.600

1.600

Gegevenslevering aan pensioenuitvoerders

106

62

62

62

62

62

Totaal

2.705

2.516

1.996

1.996

1.996

1.996

De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat het wetsvoorstel nadrukkelijk verband houdt met het streven naar lastenverlichting en vragen of de regering overwogen heeft advies in te winnen van ACTAL.

Met ingang van 1 juni 2011 is het mandaat van ACTAL gewijzigd. ACTAL geeft sindsdien aan welke dossiers zij wil toetsen en adviseren. In de regel richt ACTAL zich op dossiers waarvan verwacht wordt dat de effecten op de regeldruk omvangrijk zijn. Dit wetsvoorstel maakt het vooral voor professionals mogelijk te beschikken over door burgers eerder aangeleverde gegevens bij een andere overheidsorganisatie. Voor de regeldruk voor burgers zelf en bedrijven heeft dit voorstel beperkte effecten.

II ARTIKELSGEWIJS

De leden van de SP-fractie vragen tot slot wat de beoogde inwerkingtredingsdatum van het voorliggende wetsvoorstel is.

De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2014.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

In de beantwoording is ervan uitgegaan dat hier de samenwerkende partijen in het kader van SyRI worden bedoeld.

X Noot
2

TK nummer 1062, d.d. 21 januari 2013.

X Noot
3

Verzamelbrief Special Fraudebestrijding, nr. 2012D10639.

X Noot
4

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 207.