Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833566 nr. 100

33 566 Financieel en sociaal-economisch beleid

Nr. 100 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 oktober 2017

In vervolg op het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer op 9 november 2016 over sturing van de collectieve sector (Kamerstuk 33 566, nr. 95), informeer ik u over de stand van zaken van het overlegstelsel van overheid en onderwijs.

Vervolgens ga ik in op diverse andere toezeggingen die betrekking hebben op de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Omdat sommige van deze toezeggingen (mede) aan de Eerste Kamer gedaan zijn, doe ik een afschrift van deze brief toekomen aan de Eerste Kamer.

Stand van zaken overlegstelsel overheid en onderwijs

Na het advies van de heer Van de Donk (Kamerstuk 33 566, nr. 88), heeft het Ministerie van BZK alle stakeholders geïnterviewd om hun mening te geven over de verschillende aspecten van het overlegstelsel. Voorjaar 2017 heeft het laatste gesprek met de gezamenlijke centrales plaatsgevonden. Deze informatie levert input op voor een open discussie met de stakeholders over het overlegstelsel. Ik wil hen nadrukkelijk betrekken bij een hervorming van het overlegstelsel.

Het kabinet heeft in zijn reactie op het advies getiteld «Buitengewoon normale sturing» van de interdepartementale werkgroep «Sturing op arbeidsvoorwaardenvorming en pensioenen in de publieke sector» (Kamerstuk 32 550, nr. 58), het belang onderstreept van het nadrukkelijker consulteren van de overheidswerkgevers en de overheidsvakbonden over, en het betrekken van hen bij voorgenomen algemene wetgeving en beleid en bij sociaal overleg met de sociale partners in de marktsector. De SER is gevraagd een verkenning uit te voeren naar mogelijkheden op dat vlak, welke op een zo groot mogelijk draagvlak zullen kunnen rekenen. Het verzoek van mij aan de SER treft u bijgaand aan1.

Ten aanzien van de verbinding tussen cao en pensioen heeft het afgelopen jaar weer aangetoond dat ontwikkelingen op de pensioentafel het overleg op de cao-tafel beïnvloeden. Op basis van aangepaste rendementsverwachtingen van ABP in combinatie met de lage dekkingsgraad en lage rente dreigde de pensioenpremie in 2017 fors te stijgen. U bent daarover in het Algemeen Overleg op 9 november 2016 geïnformeerd. Er heeft in 2016 uitgebreid overleg plaatsgevonden tussen bonden en werkgevers in de publieke sector en het ABP-bestuur. Het ABP-bestuur heeft mede op basis van dit overleg besloten tot een gefaseerde verhoging van de pensioenpremie. De premie is in 2017 verhoogd en zal in 2018 en 2019 nogmaals stapsgewijs verhoogd worden. Het kabinet heeft voor de stijging in 2017 structureel compenserende middelen toegekend via de gebruikelijke financieringssystematiek, het referentiemodel, zodat bestaande cao-afspraken niet tot bezuinigingen hoeven te leiden en sectoren die nog geen arbeidsvoorwaardenakkoord over 2017 hadden gesloten, ruimte hadden om dergelijke afspraken te maken. De premiestijging in 2018 en 2019 legt ook over die jaren een beslag op de loonruimte, met gevolgen voor de af te sluiten arbeidsvoorwaardenakkoorden in 14 overheids- en onderwijssectoren. De verhoging van de pensioenrekenleeftijd naar 68 jaar, en daarmee de mogelijkheid voor een mitigering van de premiestijging, is direct van invloed op de hoogte van die premie, en daarmee op de beschikbare loonruimte voor de cao-tafel. Begin deze zomer hebben bonden en werkgevers in de Pensioenkamer overeenstemming bereikt over vereenvoudiging van de ABP-regeling en verhoging van de pensioenrekenleeftijd waarbij een groot deel van de premievrijval die ontstaat door de hogere pensioenrekenleeftijd gebruikt is om de premie in 2018 minder hard te laten stijgen.

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft gevraagd bij het onderwerp verbinding van cao en pensioen niet te veel vooruit te lopen op de pensioenstelseldiscussie. Wij wachten daarom een eventueel SER-advies en afspraken over een nieuw pensioenstelsel in een regeerakkoord af, om in discussie met de stakeholders de discussie over verbinden van pensioen en cao mede in het licht van een nieuw pensioenstelsel te kunnen voeren.

Wet normalisering rechtspositie ambtenaren

Voor wat de verhoudingen met de bonden betreft is het van belang dat de «strijdbijl» na de rechtszaken over de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) begraven is (zie mijn brief aan u van 20 januari 2017; Kamerstuk 32 550, nr. 60). Er is van beleidsniveau tot bestuurlijk niveau goed contact tussen het Ministerie van BZK, overheids- en onderwijswerkgevers en centrales van overheidspersoneel. Het door mij zowel aan de Tweede Kamer (in het debat op 23 januari 2014; Handelingen II 2013/14, nr. 45, item 11) als aan de Eerste Kamer (in het debat op 27 september 2016; Handelingen I 2016/17, nr. 1, item 8) toegezegde open overleg met de bonden over de wijze van invoering en uitvoering van de inmiddels aanvaarde Wnra, is sinds dit voorjaar gaande. Om die reden is er afgezien van een advies vooraf van (de advies- en arbitragecommissie van) de ROP over dit overleg. Anders dan ik tijdens het debat over het initiatiefvoorstel op 25 oktober 2016 in de Eerste Kamer voorzag, bleek hier bij nader inzien geen behoefte aan te bestaan. In het (informele) overleg met de centrales op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau komt de stand van zaken van de totstandkoming van de invoerings- en aanpassingswetgeving die nodig is voor inwerkingtreding van de Wnra aan de orde, alsmede daarmee verband houdende (implementatie)vraagstukken. Uiteraard worden zowel de centrales van overheidspersoneel als de sectorwerkgevers ook formeel geconsulteerd over de wetsvoorstellen voor de invoerings- en aanpassingswetgeving Wnra.

In de Tweede Kamer heb ik toegezegd dat de invoeringskosten die gepaard gaan met de initiatiefwet niet ten koste zullen gaan van de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren (in het debat op 23 januari 2014; Handelingen II 2013/14, nr. 45, item 11). Hierover merk ik op dat ik nog steeds van mening ben dat de invoering van de Wnra niet ten koste mag gaan van arbeidsvoorwaarden of arbeidsplaatsen en dat ik dit ook niet verwacht. Zoals ik in het debat over het initiatiefvoorstel Wnra in de Eerste Kamer op 25 oktober 2016 al heb toegelicht (Handelingen I 2016/17, nr. 4, item 11), kunnen werkgevers herschikken binnen bestaande apparaatsbudgetten, waaronder opleidingsbudgetten. Uiteindelijk gaan overheidswerkgevers hierover. Zij maken ook cao-afspraken met de vakbonden.

In de Eerste Kamer heb ik verder toegezegd om bij een volgend overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen te spreken over signalen dat lagere overheden georganiseerd overleg zouden willen stoppen en het cao-overleg willen verleggen van de vakbonden naar de ondernemingsraden. Dit is inmiddels besproken in een overleg met hen in juni 2017 en hun reactie was als volgt. Zoals bekend, geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wnra de Wet op de cao voor overheidswerkgevers in de zin van de Ambtenarenwet 2017, waaronder de decentrale overheden. De decentrale overheden zijn zich aan het voorbereiden om het cao-overleg volgens de voor hen nieuwe wettelijke eisen vorm te geven. Dit betekent dat zij werkgeversverenigingen aan het oprichten zijn, die met de vakbonden zullen onderhandelen over een cao.

De Wet op de cao biedt sociale partners ruimte om nadere afspraken over het decentrale overleg te maken. Dit naast de eisen die de Wet op de ondernemingsraden aan het decentrale overleg stelt.

Zonder tegenbericht ga ik ervan uit dat u hiermee voldoende geïnformeerd bent en dat ik de bovengenoemde toezeggingen als afgedaan kan beschouwen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl