Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333556 nr. 6

33 556 Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 april 2013

1. Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelwet SZW 2013, waarover zij enkele vragen hebben.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelwet SZW 2013. De PvdA is verheugd over de opgenomen maatregel om de heffingskorting in het referentieminimumloon te temporiseren. Deze leden hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie hebben kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden constateren dat het wetsvoorstel technische aanpassingen betreft, correctie van omissies en klein beleid en geen substantiële wijzigingen bevat. Tevens stellen zij vast dat het wetsvoorstel wordt gedragen door de uitvoerders (UWV, SVB en VNG). De leden van de PVV-fractie hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben de voorgestelde wetwijzigingen bestudeerd en hierover enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij merken op dat de voorstellen niet alleen technisch van aard zijn, maar ook beleidsinhoudelijk. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennis genomen van de voorgestelde Verzamelwet SZW 2013. Deze leden willen graag enkele vragen ter beantwoording aan de regering voorleggen.

In het navolgende zal op de door de leden van de diverse fracties gestelde vragen worden ingegaan. Daar waar de vragen van verscheidene fracties duidelijk in elkaars verlengde liggen is de vrijheid genomen om af te wijken van de volgorde zoals deze in het verslag in acht is genomen.

2. Aanpassing kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden

De leden van de PVV-, CDA- en ChristenUnie-fracties vragen of de regering kan toelichten of de aanpassing van de omissie in de Algemene kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden leidt tot aanpassing van aanspraken. Indien dit het geval is, willen zij weten wat er dan precies wijzigt en welke financiële gevolgen deze aanpassingen hebben.

Het betreffende voorstel gaat over de aanpassing van de artikelen in de AKW die te maken hebben met de verplichtingen die gelden voor de ontvanger van de kinderbijslag. De aanpassing heeft geen gevolgen voor de aanspraken op kinderbijslag. Het voorstel behelst het formaliseren van de verplichtingen die gelden voor alle AKW-gerechtigden. Deze zijn onbedoeld niet opgelegd aan de groep personen die thans onder artikel 7c van de AKW valt en die voor 1 januari 2006 voortgezet verzekerd was op grond van artikel 27, eerste lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden 1999 (Stb. 1998, 746). Er zijn geen financiёle gevolgen. De gevolgen van het voorstel gelden ook voor die Anw-gerechtigden die nog AKW ontvangen op basis van het in artikel 7c opgenomen overgangsrecht.

3. Aanpassing Kinderbijslagwet, de Algemene Nabestaandenwet, de Algemene ouderdomswet, de Toeslagenwet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet in verband met verrekening van uitkeringen

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten of de voorgestelde wijzigingen ervoor zorgen dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of een andere uitvoeringsorganisatie een vordering kan verrekenen met een uitkering of toeslag, die door een andere instantie (bijvoorbeeld een gemeente, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of de Belastingdienst) wordt uitgekeerd. Als dat niet kan, kan de regering toelichten of de regering van plan is dit in de toekomst wel mogelijk te maken. De leden van de SP-fractie vragen verder wat de precieze reikwijdte van de voorgestane wijziging is.

Met de voorgestane wijziging wordt het voor een bestuursorgaan (wederom) mogelijk gemaakt om een aan een belanghebbende te betalen geldschuld (zoals proceskostenvergoeding, griffierechten en andere vormen van schadevergoeding, waaronder wettelijke rente) te verrekenen met een vordering uit onverschuldigde betaling die het bestuursorgaan op een belanghebbende heeft. Voor de verrekening van een onverschuldigde betaling (vastgesteld in bijvoorbeeld een terugvorderingsbeslissing) met een uitkering is al een wettelijke regeling in de materiewetten opgenomen. Ook is al geregeld dat verrekening kan plaatsvinden met een uitkering van een andere instantie. Overigens is het daarbij niet mogelijk dat SVB, UWV en gemeenten een vordering verrekenen met een toeslag die door de Belastingdienst/Toeslagen wordt verstrekt, zoals de leden van de VVD-fractie vragen. In antwoord op de vraag van deze leden van de VVD-fractie of dit wel mogelijk kan worden gemaakt wordt opgemerkt dat de voor- en nadelen van een dergelijke verrekening buiten het werk- en inkomendomein met toeslagen die door de Belastingdienst/Toeslagen worden verstrekt verdere zorgvuldige afweging vergen, omdat het hier ook om het fiscale domein gaat.

Door het voorgestelde artikellid op te nemen in het verrekeningsartikel bij de boete, is het voor een bestuursorgaan mogelijk om zowel een geldschuld te verrekenen met een vordering anders dan uitkering of toeslag als een aan een belanghebbende opgelegde boete.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten wat de hoogte van het vrij te laten bedrag op dit moment is.

Er is op dit moment geen vrij te laten bedrag, want de situatie waarop deze regeling van toepassing is, te weten cumulatie van bruto uitkering (die wegens recidiveboete niet tot betalen komt) met bijstandsuitkering, is een nieuwe situatie die pas door de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving kan optreden.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten welke nadere regels bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld, of de nog vorm te geven algemene maatregel van bestuur op dit vlak een voorhangprocedure kent. Zij vragen verder waarom er «op aanvraag» wordt toegevoegd en wat dit betekent in de praktijk.

De nadere regels worden bij ministeriële regeling en niet bij Algemene Maatregel van Bestuur gesteld. «Op aanvraag» wordt toegevoegd omdat de betreffende instanties (UWV, SVB, gemeenten) niet direct de vrijlating kunnen toepassen aangezien hiervoor als voorwaarde geldt dat belanghebbende bijstand is toegekend en omdat belanghebbende zo nodig ook aanvullende bewijsstukken zal moeten overleggen.

De leden van de SP-fractie vragen of kan worden aangegeven welke concrete uitkeringen of toeslagen onder deze wijziging in de verschillende wetten over verrekening met andere geldschulden vallen. Zij verzoeken of een uitputtende lijst kan worden toegevoegd.

Het gaat om verrekening van vorderingen met uitkeringen en toeslagen uit hoofde van de hierna volgende wetten:

  • de Algemene Kinderbijslagwet (AKW);

  • de Algemene nabestaandenwet (Anw);

  • de Algemene Ouderdomswet (AOW);

  • de Remigratiewet;

  • de Toeslagenwet (TW);

  • de Werkloosheidswet (WW);

  • de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);

  • de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ);

  • de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Wet IOW);

  • de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong);

  • de Wet werk en bijstand (WWB);

  • de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en

  • de Ziektewet (ZW).

De leden van de SP-fractie vragen voorts om welke bestuursorganen het gaat.

Het betreft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale verzekeringsbank (SVB) en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten.

De leden van de SP-fractie vragen tenslotte of uitkeringen in het kader van bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag ook onder deze wetswijziging vallen.

De voorgestane wijziging is bedoeld om verrekening mogelijk te maken met een andere vordering dan de hiervoor genoemde uitkeringen of toeslagen. In beginsel zou bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag al onder die uitkeringen of toeslagen kunnen vallen. Dit wetsvoorstel beoogt naast deze verrekeningen een verrekening met een andere geldschuld mogelijk te maken. Die andere schuld heeft dan geen betrekking op bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag. Slechts bij de toepassing van de WWB zou ook sprake kunnen zijn van een andere vordering uit onverschuldigd betaalde bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag, maar daarop ziet deze wijziging in eerste instantie niet.

Ten aanzien van de gedeeltelijke vrijlating bij recidive in de Algemene kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet vragen de leden van de SP-fractie of de regering de voorgestelde ministeriële regelingen aan de Kamer kan toezenden voordat deze ministeriële regelingen in werking treden. Daarnaast vragen zij een aantal concrete praktijkvoorbeelden waarbij de voorgestelde regeling voordelig of juist nadelig is voor een uitkeringsgerechtigde, inclusief rekenvoorbeelden.

De vrijlating betreft een naar verwachting kleine groep van personen die door eigen toedoen – namelijk als gevolg van een recidiveboete – met het verlagen of wegvallen van huur-, zorgtoeslag of kindgebonden budget te maken zouden kunnen krijgen. Mocht dit zich voordoen, dan compenseert de vrijlating het eventueel verlagen of wegvallen van deze toeslagen. Daartoe kent de vrijlating drie componenten: huur, zorg- en kinderkosten. Om redenen van uitvoerbaarheid kunnen UWV, SVB en gemeenten dit alleen op een meer globale wijze berekenen dan de manier waarop Belastingdienst de toeslagen berekent. Of dit voor betrokkenen voor- of nadelig uitpakt, zal per situatie verschillen. De verwachting is echter niet dat er grote verschillen zullen zijn. Bij de behandeling van de Wet «aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» (fraudewet) was de Kamer toegezegd dat de Kamer geïnformeerd zou worden over de inhoud van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) behorend bij de fraudewet. De Kamer is op 28 juni 2012 per brief geïnformeerd over de AMvB en heeft de volledige AMvB op 19 oktober 2012 ter informatie ontvangen. De voorgestelde ministeriële regeling bevat alleen een nadere technische uitwerking voor genoemde vrijlating.

4. Aanpassing algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Toeslagenwet in verband met de afbouw van de algemene heffingskorting

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij overweegt de temporisering van de afbouwperiode van de heffingskorting in het kader van de bezuinigingsdoelstelling van de regering te herzien, aangezien met de temporisering een bedrag gemoeid is van 30 miljoen euro.

Nee, het temporiseren van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon is onderdeel van het regeerakkoord «Bruggen slaan».

De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is dat de temporisering van de afbouw van de overdraagbare algemene heffingskorting slechts voor vier jaar wordt ingevoerd en niet voor de volledige periode zoals werd voorgesteld in het wetsvoorstel tot geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet (32 777). Verder willen zij weten welke maatregelen de regering neemt om de overige inkomensdaling vanwege de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting – de overige 2,5% – te compenseren.

De afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon is op de lange termijn noodzakelijk om te voorkomen dat werken vanuit de uitkering niet meer gaat lonen. Echter nu de crisis zich in volle hevigheid manifesteert acht het Kabinet het gerechtvaardigd om de sociale minima tijdelijk te ontzien en daarom de afbouw van de heffingskorting de komende tijd tijdelijk te temporiseren. De regering compenseert de resterende effecten niet specifiek. Dat zou niet passen bij de doelstelling om te voorkomen dat werken niet meer gaat lonen. De regering beoordeelt wel jaarlijks de koopkrachtontwikkeling en neemt zo nodig maatregelen. Daarnaast wordt de koopkracht van sociale minima relatief ontzien doordat in het regeerakkoord is afgesproken om de algemene heffingskorting te verhogen, een inkomensafhankelijk eigen risico voor de zorgverzekeringswet in te voeren en de bedragen van het kindgebonden budget te verhogen.

De leden van de SP-fractie vragen wat de reden is dat de periode van de looptijd van de geleidelijke afbouw verlengd is met twee jaar. Deze leden vragen voorts of de regering de cumulatieve inkomenseffecten van voorgestelde wetswijziging en het wetsvoorstel tot geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet voor de komende 22 jaar in een overzicht kan weergeven, zowel in nettobedragen als in percentages, voor alleenstaande, alleenstaande ouders en paren.

Het cumulatieve effect voor paren is gelijk aan de hoogte van de algemene heffingskorting van circa € 2.000 per jaar. Voorliggende wetsvoorstel heeft cumulatief gezien geen verschil met vorige wetsvoorstel, omdat de temporisering van 2014 – 2017 door de verlenging van de afbouw naar 22 jaar weer wordt ingehaald. Wel is er sprake van verschillen in de jaren dat getemporiseerd wordt. Het effect op jaarbasis bedraagt normaal € 100, maar in de periode van vier jaar dat er getemporiseerd wordt, bedraagt het effect slechts € 50 euro per jaar. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders bedraagt het effect 70% respectievelijk 90% van voornoemde effecten.

In onderstaande tabel worden de cumulatieve inkomenseffecten van de afbouw van de dubbele heffingskorting getoond per huishoudtype.

Tabel: het structurele (cumulatief) inkomenseffect per huishoudtype
 

Inkomenseffecten

 

Netto bedrag p.j.

Percentage

Paar met kinderen

Circa € 2.000

Circa 10 ¾ %

Alleenstaande ouder

Circa € 1.800

Circa 10 ¼%

Alleenstaande

Circa € 1.400

Circa 13%

De leden van de SP-fractie vragen wat de voorgestelde wetswijziging betekent voor het volume van het aantal bijstandsgerechtigden en het recht op inkomensondersteunende voorzieningen. Wat zijn de precieze effecten van voorgestelde wijziging op de armoedeval?

Wat zijn de precieze gevolgen van de onderhavige wetswijziging voor de Toeslagenwet, de Wajong, de WAO, de WIA en de WW? Hoeveel personen krijgen een recht op een uitkering door de voorgestelde wetwijziging?

De maatregel in het wetsvoorstel 32 777 wordt door de wijziging in deze verzamelwet in de kern niet gewijzigd. De afbouw van de dubbele heffingskorting wordt tijdelijk getemporiseerd, waardoor de inkomenseffecten worden uitgesmeerd over een langere periode. Hierdoor wordt het structurele effect twee jaar later bereikt. Het effect op het volume bijstandsontvangers blijft in de structurele situatie gelijk. Hetzelfde geldt voor de armoedeval en het effect op de Toeslagenwet. De maatregel heeft geen gevolgen voor de uitkeringen ingevolge de Wajong, de WAO, de WIA en de WW, maar alleen op de toeslag op deze uitkeringen ingevolge de Toeslagenwet.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de effecten – van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting – op het sociaal minimum en het wettelijk minimumloon in een grafiek kan weergeven voor de komende 20 jaar (met inbegrip van wetsvoorstel 32 777).

Onderstaand is figuur 2 uit het wetsvoorstel 32 777 gepresenteerd waaraan een lijn is toegevoegd die het niveau van de bijstand laat zien na temporisering van de afbouw van de algemene heffingskorting in het referentieminimumloon. De grafiek laat zien dat het inkomenseffect van de afbouw van de heffingskorting over een langere periode wordt uitgesmeerd.

Grafiek: effect temporiseren afbouw heffingskorting op bijstandshoogte t.o.v. van het minimumloon (lopende prijzen )

Grafiek: effect temporiseren afbouw heffingskorting op bijstandshoogte t.o.v. van het minimumloon (lopende prijzen )

5. Aanspraken van werknemers van volkenrechtelijke organisaties op een uitkering op grond van de WW

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op hoe de vrijwillige WW-verzekering eruit ziet. Wat zijn de kosten en welke mate van verzekering, wat betreft de hoogte van de uitkering, de duur en de opbouw, wordt dan geboden?

Een verzoek om te worden toegelaten tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering moet worden ingediend bij het UWV binnen dertien weken na de dag dat de werkzaamheden bij de internationale organisatie een aanvang hebben genomen. De persoon die zich aanmeldt kan zelf bepalen voor welk dagloon hij zich wil verzekeren met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen het maximumdagloon en het loon of inkomen dat hij ingeval van werkloosheid naar het oordeel van het UWV derft. Per 1 januari 2013 bedraagt het maximumpremiedagloon voor de vrijwillige verzekering € 195,00.  De premie voor de WW-verzekering is een percentage van het dagloon dat de aanvrager van de vrijwillige verzekering heeft opgegeven, per 1 januari 2013 bedraagt het premiepercentage 2,40%. Het UWV berekent de premie over het aantal werkdagen per maand. Voor wat betreft het vaststellen van het recht op uitkering, de opbouw en de duur van de uitkering zijn de artikelen uit de Werkloosheidwet die gelden voor de verplichting werkloosheidsverzekering van overeenkomstige toepassing.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan uiteenzetten hoeveel Nederlanders werken bij een volkenrechtelijke organisatie.

Momenteel staan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken 1079 Nederlanders geregistreerd die werkzaam zijn bij in volkenrechtelijke organisatie in Nederland. Het valt niet uit te sluiten dat er meer Nederlanders werkzaam zijn, die er om hen moverende redenen voor gekozen hebben zich niet bij het ministerie van Buitenlandse Zaken te registreren.

De leden van de SP-fractie vragen een toelichting hoeveel Nederlandse werknemers van volkenrechtelijke organisaties per jaar aanspraak maken op de Nederlandse WW-uitkering?

Volgens informatie van het UWV komt het maar heel sporadisch voor de Nederlandse werknemers van een volkenrechtelijke organisatie aanspraak maken op een Nederlandse WW-uitkering.

De leden van de SP-fractie vragen de regering uiteen te zetten waarom de regering ervoor kiest de Nederlandse werknemers van volkenrechtelijke organisaties uit te sluiten van een Nederlandse WW-uitkering in plaats van het kiezen voor het invoeren van een werkgeverspremie voor deze organisaties. Ziet de regering belemmeringen voor het invoeren van een werkgeverspremie voor volkenrechtelijke organisaties?

De Nederlandse regering stelt zich op het standpunt dat medewerkers van een volkenrechtelijke organisatie, óf onder het eigen sociale zekerheidsstelsel van de volkenrechtelijke organisatie vallen, of onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel vallen. Het gaat om een totaalpakket waarmee de mogelijkheid tot «shoppen» waarbij men per regeling de voor werknemers meest gunstige voorziening wil kunnen kiezen, wordt  uitgesloten. Dit uitgangspunt wordt kortweg het alles-of-niets-systeem genoemd. Als belangrijkste argument om het alles-of-niets-systeem te handhaven geldt, dat zo het creëren van risicoselectie buiten de deur wordt gehouden. Shoppen bevordert het najagen van eigen belang en ondergraaft de solidariteitsgedachte waardoor sommige verzekeringen tegen sociale zekerheidsrisico’s buiten het bereik van minder draagkrachtigen dreigen te geraken

Overigens kunnen de Nederlandse werknemers zich wel vrijwillig verzekeren tegen de gevolgen van werkloosheid.

6. Beoordeling arbeidsgeschiktheid op grond van de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering bij artikel VI, onderdeel B, toelicht dat wanneer een betrokkene wegens medische redenen niet kan werken er door de huidige regelgeving de omvang van de uitkering op grond van de WW verlaagd zou worden, terwijl dit niet gewenst is. Kan de regering toelichten aan de leden van de VVD-fractie om hoeveel personen het hier gaat? Wat zijn de kosten van de voorgestelde aanpassing?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering een vergelijking kan geven van uitgewerkte praktijkvoorbeelden van personen, die minder dan 35% arbeidsongeschikt worden geacht en in de huidige situatie verminderd beschikbaar zijn, en personen na het aanpassen van de wet, wanneer er gekeken zal worden naar het aantal belastbare uren in plaats van het aantal gewerkte uren van voor het arbeidsurenverlies.

Op grond van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters wordt de geschiktheid tot werken in het kader van de Ziektewet (ZW), na het eerste ziektejaar, beoordeeld aan de hand van de vraag of de betrokkene in staat is om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen met algemeen geaccepteerde arbeid. Als de betrokkene bij deze beoordeling minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, eindigt zijn recht op ziekengeld. De betrokkene kan dan een WW-uitkering aanvragen.

De onderhavige aanpassing heeft betrekking op de personen die bij deze beoordeling voor minder dan 35% arbeidsongeschikt worden geacht en bij wie een zogenaamde medische urenbeperking geldt. Een medische urenbeperking houdt in dat iemand wegens medische redenen minder uren kan werken dan voorheen. Door de onderhavige aanpassing wordt het arbeidsurenverlies voor de WW-uitkering afgestemd op de medische urenbeperking. Hierdoor wordt voorkomen dat de betrokkene wegens verminderde beschikbaarheid – als gevolg van de medische urenbeperking – een lagere WW-uitkering krijgt.

Het volgend voorbeeld dient ter illustratie. Als bij de ZW-beoordeling blijkt dat iemand minder uren belastbaar is dan voorheen (hij is bijvoorbeeld nog slechts 24 uur belastbaar, terwijl hij voorheen 38 uur werkte), maar daarmee wel in staat is om 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen, dan bestaat geen recht meer op ziekengeld, omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Als deze persoon een WW-uitkering aan zou vragen, dan zou hij zonder de onderhavige aanpassing een lagere WW-uitkering krijgen. De uitkering zou namelijk berekend worden door de breuk te nemen van het aantal uren dat men beschikbaar is gedeeld door het aantal uren dat men voorheen werkte. In het gegeven voorbeeld zou de WW-uitkering als volgt worden vastgesteld: 24/38 (=0,6) x 70% x dagloon. De uren die de betrokkene niet kan werken om medische redenen verlagen derhalve de omvang van de uitkering. De onderhavige aanpassing ondervangt dit doordat als het aantal uren dat hij voor zijn arbeidsurenverlies werkte het aantal uren genomen wordt dat hij in staat is om te werken. In het gegeven voorbeeld leidt dit tot een WW-uitkering van: 24/24 (= 1) x 70% x dagloon.

Er is geen inschatting gemaakt van het aantal mensen dat vanuit de ZW de WW instroomt met een medische urenbeperking. Bij de budgettaire consequenties van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters is wel rekening gehouden met de omstandigheid dat een deel van de mensen uit de ZW stroomt als gevolg van deze wet en alsnog een beroep doet op de WW.

7. Indexeringsbepaling Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES

De leden van de VVD-fractie vragen de regering welk bedrag gemoeid is met de voorgestelde wijziging van de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES.

Aan de onderhavige wijziging van de AWW BES is geen bedrag gekoppeld. Zoals beoogd zijn alle uitkeringsbedragen AWW BES sinds 10 oktober 2010 jaarlijks per 1 januari geïndexeerd, maar voor de wezen en halfwezen ontbrak nog een toereikende indexeringsbepaling. Een indexeringsbepaling analoog aan de indexeringsbepaling voor de weduwenuitkering wordt nu alsnog toegevoegd. Deze aanpassing is technisch en sluit aan op de staande praktijk. Er zijn derhalve geen financiële gevolgen en ook geen gevolgen voor de koopkracht.

8. Aanpassing Wet arbeid en zorg in verband met het tijdstip van aanvragen van een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering bij de voorgestelde wijziging van de Wet arbeid en zorg kiest voor een periode van terugwerkende kracht van een jaar. Zij vragen of het niet beter is om helemaal geen periode van terugwerkende kracht te hanteren.

Het komt regelmatig voor dat het UWV geconfronteerd wordt met (veel) te late aanvragen. Uitkeringen die meer dan 5 jaar later worden aangevraagd worden geweigerd, dit naar analogie van de verjaringstermijn in artikel 4:104 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorgesteld wordt een termijn in de wet op te nemen waarover bij te late aanvragen wordt uitgekeerd. Het is wenselijk dat deze termijn (van een jaar) aansluit bij de aanvraagtermijnen die UWV bij andere uitkeringen hanteert (in dit verband kan bijvoorbeeld worden verwezen naar artikel 38a, negende lid, ZW).

9. Aanpassing Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet in verband met de wetenschappelijke inzichten bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid

De leden van de VVD-fractie willen weten hoe gewaarborgd wordt dat gehandhaafd wordt dat bij de beoordeling gebruikt wordt gemaakt van (de laatste) wetenschappelijke inzichten. De leden van de PvdA-fractie vragen daarnaast of de wetenschappelijk inzichten inmiddels éénduidig zijn en zo nee, hoe de regering dan wil gaan handhaven. Tevens vragen deze leden wat destijds de inzichten waren om een geneeskundig protocol vast te leggen in een ministeriële regeling. De leden van de SP-fractie vragen of de medische protocollen openbaar gemaakt worden als deze protocollen niet meer in een ministeriële regeling worden vastgelegd. Welke juridische status hebben de protocollen als zij niet in een ministeriële regeling worden vastgelegd? Waar zullen de protocollen te vinden zijn en hoe kunnen de belanghebbenden weten of zij over het meest recente protocol beschikken?

Gegeven het belang dat beide Kamers (tijdens de behandeling van de Wet WIA in 2005) aan de verzekeringsgeneeskundige protocollen hechtten, vond de regering het wenselijk om de protocollen het nodige «gewicht» te geven. Om deze reden is toen besloten om te regelen dat de protocollen in een ministeriële regeling zouden worden opgenomen.

De protocollen, althans de wetenschappelijke inzichten die zijn opgenomen in de protocollen, moeten verplicht gebruikt blijven worden door het UWV bij de beoordeling. Die verplichting blijft in de wet gehandhaafd. Het UWV blijft verantwoordelijk voor de inhoud en actualisatie van de protocollen. In het voorstel hebben de protocollen niet langer meer de status van ministeriële regeling, maar inhoudelijk wijzigen de protocollen niet, anders dan bij actualisatie of revisie van de protocollen. Artsen zijn, geredeneerd vanuit hun vak, verplicht om bij de beoordeling gebruik te maken van de wetenschappelijke inzichten, ongeacht of deze in protocollen zijn opgenomen of niet.

De protocollen zijn te vinden op de website van de NVVG.

10. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de handelwijze bij schuldige nalatigheid

De leden van de PvdA-, PVV-, CDA- en ChristenUnie-fracties vragen of de regering nader kan toelichten in hoeveel gevallen het UWV naar verwachting een opslag van 5% zal opleggen na de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging? De leden van de PvdA- en PVV-fracties vragen voorts wat de verwachting is van de regering over het aantal gevallen van toegenomen beroep op schuldige nalatigheid in de situatie na de voorgestelde wijzigingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welk effect de regering verwacht van deze maatregel op het aantal geregistreerde premieplichtigen, waarbij sprake is van schuldige nalatigheid.

Het is reeds zo dat wanneer iemand schuldig nalatig is bevonden en hij binnen vijf jaar na de dagtekening van de aanslag het verschuldigde bedrag alsnog betaalt, dat hij dan een opslag verschuldigd is van 5% op de verschuldigd gebleven premie voor de AOW. De voorgestelde wijziging voorziet er in dat in het geval de SVB geen beschikking heeft verzonden, omdat er geen actueel adres bekend was, dat dan deze opslag van 5% ook in deze situatie toegepast kan worden. Op basis van de huidige wetgeving is dit niet mogelijk. Dit is niet wenselijk. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat iemand voordeel heeft van het niet melden van zijn actuele adres.

De wetswijziging dient om een kleine juridisch-technische omissie recht te zetten. De verwachting is dat het aantal mensen waar het om zal gaan, erg klein zal zijn. Het gaat namelijk om personen die uit eigen beweging betalen (nadat de Belastingdienst er eerder niet in is geslaagd om het verschuldigde bedrag in te vorderen) en nog geen beschikking inzake schuldige nalatigheid van de SVB hebben ontvangen en die bovendien een dusdanig bedrag betalen dat ook wordt toegekomen aan de inning van de opslag van 5%.

11. Aanpassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met het WAO-dagloon in het geval van meerdere rechten op een WAO-uitkering

De leden van de VVD-fractie hebben de volgende vragen over dit onderdeel. Wanneer ontstaat er een nieuw recht op WAO-uitkering? Wat bedoelt regering met de opmerking dat dit recht niet ontstaat omdat de betrokkene reeds een WAO-uitkering heeft? Kan de regering verder aan de leden van de VVD-fractie toelichten wat wordt bedoeld met een niet-ontstane (tweede) uitkering? In welke situaties kan deze ontstaan en wanneer kan er sprake zijn van een hogere tweede uitkering?

De leden van de SP-fractie vragen wat dit onderdeel van het wetsvoorstel betekent voor de praktijk. Kan de regering voorbeelden geven waarbij de voorgestelde regeling voordelig of juist nadelig is voor een WAO-gerechtigde?

In reactie op deze vragen wordt het volgende opgemerkt. Een WAO-gerechtigde die gaat werken kan (opnieuw) ziek worden. Als deze ziekte 104 weken heeft geduurd en de betrokkene heeft gedurende die periode recht gehad op loondoorbetaling of een ZW-uitkering, dan is in beginsel aan de voorwaarden voor het ontstaan van een nieuw (tweede) recht op een WAO-uitkering voldaan. Dit (tweede) recht ontstaat echter niet omdat reeds recht bestaat op een WAO-uitkering. Anders gezegd, iemand kan slechts recht hebben op één WAO-uitkering. Dat wil echter niet zeggen dat het voldoen aan de voorwaarden voor een tweede recht dat niet ontstaat, geen gevolgen kan hebben. Als het dagloon van het niet-ontstane tweede recht hoger zou zijn geweest dan het dagloon van het eerste recht, dan wordt het laatstgenoemde dagloon gelijk gesteld aan het eerstgenoemde dagloon. Anders gezegd, het dagloon van het (eerste en enige) WAO-recht wordt verhoogd. Die verhoging vindt plaats, dat in antwoord op de laatste vraag van de leden van de VVD-fractie, als de betrokkene met werken gemiddeld per dag meer verdiende dan zijn (oorspronkelijke) dagloon. Op grond van het huidige art. 40, eerste lid, WAO wordt daarbij als extra voorwaarde gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet zijn toegenomen. Dat leidt echter tot ongelijke behandeling ten opzichte van WAO-gerechtigden die in dezelfde situatie verkeren, maar van wie de mate van arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen. Hun dagloon kan niet worden verhoogd als zij gaan werken, daarmee meer verdienen dan hun dagloon en (opnieuw) 104 weken ziek worden. Daarom wordt voorgesteld om laatstgenoemde voorwaarde («toegenomen arbeidsongeschiktheid») te schrappen. De voorgestelde regeling kan derhalve, dat in antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie, alleen voordeling uitpakken voor een WAO-gerechtigde.

12. Aanpassing Wet ongevallenverzekering BES in verband met maximering van het dagloon

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van dit onderdeel of de regering overleg heeft gevoerd over de wijziging van deze wet met de bestuurscolleges van Caribisch Nederland, zoals de Raad van State in haar advies verzoekt. Zo nee, waarom is hier niet toe besloten? Zo ja, wat is de reactie van de desbetreffende bestuurscolleges?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering de bestuurscolleges van Caribisch Nederland inmiddels heeft geïnformeerd over de voorgestelde wijziging van de Wet ongevallenverzekering BES. Zo nee, op welk termijn worden de bestuurscolleges van Caribisch Nederland geïnformeerd?

De melding aan de bestuurscolleges loopt mee met het periodiek overzicht van wetgeving dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties periodiek aan de bestuurscolleges ter beschikking stelt. Voorafgaand overleg is niet aan de orde gezien het louter technische karakter van de wijzigingen, die overigens ook geen betrekking hebben op de uitvoering van eilandelijke taken.

13. Aanpassing Wet Participatiebudget in verband met het begrip «re-integratievoorziening» en de startkwalificatie

Ten aanzien van artikel XIX, onderdeel A, begrijpen de leden van de VVD-fractie de keuze van de regering om hier alle voorzieningen te noemen, inclusief sociale activering. Kan de regering aan de leden van de VVD-fractie bevestigen dat het hier enkel om een breder arsenaal aan re-integratiemiddelen gaat dat binnen de financiële grenzen van het participatiebudget aangewend kan worden?

Het gaat hierbij inderdaad om alle voorzieningen die de colleges van B&W ter uitvoering van hun re-integratietaak verstrekken. Met de wijziging is geen aanpassing beoogd in de voorzieningen, die met de uitkering op grond van de Wet participatiebudget worden bekostigd. Er is aangesloten bij de algemene formulering in artikel 69, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), dat over de financiering gaat om er geen misverstand over te laten bestaan, dat het om alle voorzieningen gaat ter uitvoering van de taak van het college die in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB wordt geregeld. Met de eerdere verwijzingen in de Wet participatiebudget kon daarover verwarring ontstaan.

Kan de regering aan de leden van de VVD-fractie nader toelichten waarom de regering kiest voor de uitbreiding in artikel XIX, onderdeel B? Betekent dit dat er enkel re-integratiemiddelen worden ingezet voor deze groep om een startkwalificatie te behalen? Hoe wordt in de gaten gehouden of deze middelen daadwerkelijk tot een startkwalificatie leiden? Aan welk soort activiteiten kan worden gedacht?

Op grond van de Wet participatiebudget was het tot 1-7-2012 mogelijk voor de gemeenten om ter voorkoming van schooluitval het participatiebudget in te zetten voor 18-jarigen en ouder. Met de aanpassing van de WWB  per 1-7-2012 is deze mogelijkheid voor 18–27 jarigen onbedoeld vervallen. Op grond van  wijziging in deze verzamelwet wordt de oude situatie hersteld. Ten opzichte van de situatie voor 1 juli 2012 is er geen sprake is van uitbreiding van de doelgroep.

Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om zorg te dragen voor de rechtmatige besteding van de middelen. De middelen kunnen worden ingezet om voortijdig schooluitval te voorkomen en daarmee de kans op het behalen een einddiploma te vergroten. Het betreft kosten ter ondersteuning bij een leerwerk-traject.

De leden van de SP-fractie vragen of het waar is dat er met dit onderdeel van de onderhavige wetswijziging meer groepen schoolverlaters een beroep moeten doen op een beperkter budget. Kan de regering uiteenzetten hoe zij concurrentie tussen groepen schoolverlaters gaat voorkomen? Kan de regering een overzicht geven van het budget van de Participatiewet (uitgesplitst naar onderdelen) voor de komende vijf jaar?

Op grond van de Wet participatiebudget was het tot 1-7-2012 mogelijk voor de gemeenten om ter voorkoming van schooluitval het participatiebudget in te zetten voor 18-jarigen en ouder. Met de aanpassing van de WWB per 1-7-2012 is deze mogelijkheid voor 18–27 jarigen onbedoeld vervallen. Op grond van  wijziging in deze verzamelwet wordt de oude situatie hersteld. Ten opzichte van de situatie voor 1 juli 2012 is er geen sprake is van uitbreiding van de doelgroep en niet meer concurrentie tussen groepen schoolverlaters. Voor een overzicht van het budget van de Participatiewet wordt verwezen naar de brief Contouren Participatiewet die op 22 december 2012 naar de Tweede Kamer is verzonden (TK 2012–2013, 29 817, nr. 98).

14. Aanpassing Wet werk en bijstand in verband met het begrip medewerking bij de inlichtingenplicht, de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering en de langdurigheidstoeslag.

De leden van de VVD-fractie vernemen ten aanzien van het voorgestelde artikel XXII, onderdeel A, graag van de regering wat de sancties zijn als iemand zich niet aan het voorgestelde tweede lid van artikel 17 van de WWB houdt.

In het door deze leden bedoelde geval is het bepaalde in artikel 54 van de WWB van toepassing. Concreet betekent dit dat het college de bijstandsuitkering zal opschorten vanaf de dag dat de belanghebbende verwijtbaar niet verschenen is op de oproep in verband met zijn arbeidsinschakeling (artikel 54, eerste lid, onder a, van de WWB). Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen (artikel 54, tweede lid, van de WWB). Geeft belanghebbende aan deze uitnodiging gevolg, dan kan het college een besluit inzake bijstandsverlening herzien of intrekken als dan blijkt dat er sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitgekeerde bijstand (artikel 54, derde lid, van de WWB). Geeft de belanghebbende niet binnen de gestelde termijn gevolg aan de uitnodiging, dan kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

De leden van de VVD-fractie benadrukken ten aanzien van het voorgestelde artikel XXII, onderdeel C, dat bijzondere bijstand niet is bedoeld om inkomenspolitiek te bedrijven. De voorgestelde uitbreiding geeft de bijstandsgerechtigde extra inkomen, dat ook voor andere zaken aangewend kan worden, terwijl deze voorziening wat de leden van de VVD-fractie betreft enkel gericht zou moeten zijn op de zorgverzekering. Het is in de visie van deze leden immers van belang dat mensen een zorgverzekering hebben. De leden vragen de regering dan ook of dit niet anders kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld door deze bijdrage dan rechtstreeks over te maken aan de zorgverzekeraar?

Gemeenten kunnen aan burgers met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum categoriale bijzondere bijstand verstrekken òfwel in de vorm van een CAV, òfwel een bijdrage verstrekken in de kosten van de premie van de CAV. In de uitvoeringspraktijk is in het eerste geval de belanghebbende burger zelf geen premie verschuldigd omdat deze rechtstreeks door de gemeente aan de zorgverzekeraar wordt voldaan. In het tweede geval blijft een deel van de premie voor eigen rekening van de belanghebbende burger; het andere deel van de premie, waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, maakt de gemeente (collectief) over aan de betreffende zorgverzekering waarmee de gemeente het collectieve contract heeft afgesloten. In dit licht bezien acht de regering het niet noodzakelijk deze vorm van categoriale bijzondere bijstand anders vorm te geven dan voorgesteld.

Met betrekking tot het voorgestelde artikel XXII, onderdeel D, vragen de leden van de VVD-fractie de regering of het vervallen van het huidige vierde lid van artikel 36 van de WWB ertoe leidt dat langdurigheidstoeslag niet meer met terugwerkende kracht verleend kan worden.

Met het van toepassing verklaren van artikel 44 WWB wordt – net als het recht op bijstand – de langdurigheidstoeslag toegekend vanaf de dag waarop dat recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om de langdurigheidstoeslag aan te vragen. Het huidige vierde lid van artikel 36 van de WWB wordt hiermee overbodig. Met deze wijzigingen wordt het onbedoelde effect voorkomen dat de ingangsdatum van de toe te kennen langdurigheidstoeslag in beginsel een onbepaalde terugwerkende kracht heeft.

De leden van de PvdA- en PVV-fracties vragen de regering ten aanzien van de voorstellen aangaande de aanpassing van de WWB nader toe te lichten welke gevolgen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering heeft gehad op de uitkeringsverstrekkingen.

Sinds de inwerkingtreding van de WWB (2004) heeft zich in het kader van de categoriale bijzondere bijstandsverlening met betrekking tot de collectieve aanvullende zorgverzekering (CAV) een uitvoeringspraktijk ontwikkeld waarbij gemeenten ten behoeve van hun burgers met een minimum inkomen een CAV afsluiten, dan wel hen een bijdrage in de kosten van de premie van de CAV geven. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 30 augustus 2011 (LJN: BR7109) heeft de CRvB geoordeeld dat het «verstrekken van een CAV» wél een toegestane vorm van categoriale bijzondere bijstand is en «een bijdrage in de premie CAV» niet. Naar aanleiding daarvan is bij gemeenten de vraag gerezen of de inkomensnormering van 110% ook van toepassing is op het gemeentelijk minimabeleid waarbij alléén een bijdrage in de kosten van de premie CAV wordt verstrekt. In de verzamelbrief d.d. 23 december 2011 heeft de toenmalig staatssecretaris dit bevestigd. Een generieke inkomensondersteunende voorziening zoals bijvoorbeeld het generiek verstrekken van een bijdrage in de kosten van de premie CAV aan mensen met een minimuminkomen valt onder de centrale inkomensnormering van 110%, óók nu deze bijdrage niet expliciet is aan te merken als een vorm van categoriale bijzondere bijstand. Deze uitspraak heeft derhalve geen gevolgen gehad voor de uitvoeringspraktijk in het kader van de CAV.

De leden van de PvdA- en PVV-fractie hebben een vraag over de voorgestelde delegatiebepalingen. Op welke manier gaat de regering de regels ten aanzien van de verstrekking van inlichtingen en inzage in gegevens en bescheiden door het UWV nader uitwerken bij ministeriële regeling? De leden van de CDA-fractie stellen voorts vast dat aan artikel 77 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de bevoegdheid wordt toegevoegd om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de verstrekking van inlichtingen en de inzage in gegevens en bescheiden door het UWV. De leden van de CDA- en ChristenUnie-fracties vragen welke regels ten aanzien van de verstrekking van inlichtingen en inzage in gegevens en bescheiden door het UWV de regering voornemens is nader uit te werken. De leden van de CDA- en ChristenUnie-fracties vragen voorts op welke manier de regering de regels ten aanzien van de verstrekking van inlichtingen en inzage in gegevens en bescheiden door het UWV nader gaat uitwerken bij ministeriële regeling.

Dit artikel is inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van het bestaande artikel 77, maar alleen aangepast vanwege op elkaar volgende wetswijzigingen. Dit betekent, dat de nadere regelgeving op grond van dit artikel in de Regeling SUWI niet wordt aangepast. Het gaat hierbij om de regeling van de beleidsinformatie en andere informatie in de tussentijdse rapportages. De aard van deze gegevens is daarnaast ook uitgewerkt in de bijlagen bij de Regeling SUWI over de planning en control gegevens die de SVB en het UWV verstrekken. De gegevensverstrekking door de colleges van burgemeester en wethouders heeft betrekking op onderzoeken door de Inspectie SZW (de IWI-taak). Hiervoor is niet gebleken dat nadere regels dienen te worden gesteld. Er is dus geen sprake van uitbreiding van de regelgeving op grond van deze delegatiebepaling.

Kan de regering nader toelichten aan de leden van de PVV- en de SP-fracties welke gevolgen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van het begrip «onvoldoende medewerking verlenen» bij de inlichtingenplicht heeft gehad op de uitkeringsverstrekkingen?

De leden SP-fractie vragen daarbij voorts hoeveel uitkeringsgerechtigden hierdoor geen maatregel hebben ontvangen, terwijl zij dat met voorgestane wetwijziging wel zouden krijgen.

Anders dan de leden van de SP-fractie aangeven, is het voorgestelde wetswijziging niet gebaseerd op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake onvoldoende medewerking verlening aan de inlichtingenverplichting. De uitspraken waar het hier omgaat betreffen het niet meewerken aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het aanbieden van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Hoeveel uitkeringsgerechtigden hierdoor geen maatregelen hebben gekregen is onbekend (niet opgelegde maatregelen worden niet bijgehouden), evenmin als het aantal dat door de voorgestane wetswijziging wel een maatregel zou krijgen.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering voorstelt om de verplichtingen in de WWB aan te scherpen. Is dit de «maatregel aanscherpen verplichtingen WWB» zoals opgenomen in het regeerakkoord? Zo nee, welke maatregelen kan de Kamer in de uitwerking daarvan verwachten? Kan de regering toelichten waarom de regering kiest voor repressieve maatregelen en niet voor preventieve maatregelen en maatwerk? Deelt de regering de mening dat het wenselijker is dat er vanuit de gemeenten eerst het gesprek wordt aangegaan met bijstandsgerechtigden wanneer zij «onvoldoende medewerking verlenen» in plaats van direct een strafkorting te presenteren? Kan de regering haar standpunt hierover toelichten?

De onderhavige maatregel is niet opgenomen in het regeerakkoord. Het wetsvoorstel met de maatregelen die wel zijn opgenomen in het regeerakkoord is momenteel in voorbereiding. Voorts vragen deze leden waarom de regering kiest voor repressieve maatregelen en niet voor preventieve maatregelen en maatwerk. Zij verzoeken om een toelichting waarom de regering het niet wenselijker acht dat er vanuit de gemeenten eerst het gesprek wordt aangegaan met bijstandsgerechtigden wanneer zij «onvoldoende medewerking verlenen» in plaats van direct een strafkorting te presenteren. De regering wijst erop dat de onderhavige maatregel een preventief karakter heeft. Zoals hiervoor aangegeven in een antwoord op leden van de VVD-fractie, voorziet de maatregel in het gesprek tussen gemeente en de belanghebbende: het college nodigt de belanghebbende die in verzuim is uit om het verzuim binnen een door het college bepaalde termijn te herstellen. Gevolgen voor de bijstand zijn er pas als de belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen door verwijtbaar niet meteen op een uitnodiging te reageren, dan wel als belanghebbende in het geheel niet verschijnt voor een gesprek.

15. Aanpassing van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met de hoogte van een IVA-uitkering bij twee aanspraken

Kan de regering aan de leden van de VVD-fractie nader toelichten wat wordt bedoeld met een niet-ontstane (tweede) uitkering? In welke situaties kan deze ontstaan en wanneer kan er sprake zijn van een hogere tweede uitkering?

In reactie op deze vragen wordt verwezen naar het antwoord op de vragen van dezelfde leden over de herziening van het WAO-dagloon, behalve dat het in dit geval een WIA-gerechtigde betreft die gaat werken, daarmee meer verdient dan het dagloon en (opnieuw) 104 weken ziek wordt.

16. Overig

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom artikel VI, onderdeel G, wordt voorgesteld. Deze leden vragen of de regering kan toelichten of hier sprake is van een inhoudelijke beleidswijziging. Zo ja, waar gaat het hier om? De leden van de VVD-fractie hebben verder gevraagd of het voorgestelde artikel XXIII, onderdeel D enkel een technische wijziging betreft of dat er door de gewijzigde verordening ook beleidswijzigingen worden doorgevoerd.

De wijzigingen zijn doorgevoerd omdat per 1 mei 2010 verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) is vervangen door Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166). Het begrip gezinsbijslag is daarin niet gewijzigd. Het betreft hier een louter technische wijziging en er is geen sprake van een inhoudelijke beleidswijziging.

De leden van de CDA-fractie willen verder aandacht vragen voor de veranderingen in de regels rond de kinderopvangtoeslag. Per 2013 zijn de regels rondom het zijn van toeslagpartner veranderd. Hierdoor is het in veel gevallen zo dat als een alleenstaand ouder met kinderen bij de alleenstaande grootouder intrekt, de grootouder als toeslagpartner wordt gezien. De hoogte van de toeslagen wordt dan gezamenlijk berekend. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moeten beide toeslagpartners werken. Als de grootouder gepensioneerd is vervalt het recht op kinderopvangtoeslag. Een ongewenst bijeffect van deze regeling is, zo vinden deze leden, dat als de grootouder te oud of te zwak is om de kleinkinderen op te vangen, er geen recht op kinderopvangtoeslag is. Deze leden merken op dat er in het verleden voor de huurtoeslag voor een soortgelijke situatie een oplossing is bedacht. Als iemand door de andere bewoner van het adres wordt verzorgd, en hiermee opname in een verpleeghuis wordt voorkomen, dan kan er via een hardheidsclausule op grond van de AWIR (algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) een verzoek gedaan worden om het inkomen van de verzorgende huisgenoot niet mee te tellen. De leden van de CDA-fractie pleiten ervoor om ook voor de kinderopvangtoeslag een dergelijke hardheidsclausule toe te passen. Het kan niet zo zijn dat van de samenleving wordt gevraagd om ouderen thuis te verzorgen, zo mogelijk door mantelzorgende kinderen, en deze kinderen vervolgens te confronteren met het feit dat ze geen kinderopvangtoeslag meer krijgen. Daarom ontvangen deze leden graag een reactie op de vraag of de regering bereid is om voor de kinderopvangtoeslag eenzelfde regeling te treffen, zoals deze bestaat bij de huurtoeslag.

De regering heeft vastgesteld dat over deze kwestie schriftelijke vragen gesteld door de leden Omtzigt en Heerma (2013Z04505) op 7 maart. De antwoorden op deze vragen worden Uw Kamer apart toegezonden.

De leden van de CDA-fractie wijzen er voorts op dat het sinds 1 januari 2012 niet meer mogelijk is om jaarlijks de kinderopvangtoeslag terug te vragen. Dit kan alleen nog maar maandelijks, met een terugwerkende kracht van een maand. Naar nu blijkt waren veel mensen hiervan niet op de hoogte, doordat zij hier hierover niet goed zijn geïnformeerd door de Belastingdienst. Zij lopen nu soms duizenden euro’s mis. De leden van de CDA-fractie vragen de regering voor de mensen, die gewend waren jaarlijks achteraf kinderopvangtoeslag terug te vragen en niet wisten dat zij dat dit voortaan maandelijks moeten doen een overgangsrecht toe te passen voor het jaar 2012 en 2013.

Inzake de maatregel om het aanvragen met terugwerkende kracht van kinderopvangtoeslag te beperken zijn schriftelijke vragen ingediend bij de extra procedurevergadering van 12 maart jongstleden. De antwoorden op deze vragen zijn op 29 maart jl. aan de Tweede Kamer verzonden. In deze brief wordt ook melding gemaakt  van het feit dat de maatregel om met terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag te kunnen aanvragen voor 2012 en 2013 buiten werking is gesteld. In 2014 zal de maatregel, aangepast, weer ingevoerd worden.

De leden van de SP-fractie verzoeken de regering van alle voorgestelde wetwijzigingen de impact van de maatregelen op de koopkracht toe te lichten en overzichtelijk aan de Kamer te doen toekomen. Kan de regering per afzonderlijke wetswijziging toelichten hoeveel personen en/of huishoudens het betreft?

Het wetsvoorstel behelst overwegend technische wijzigingen waarmee geen (substantiële) beleidswijzigingen worden beoogd maar die betrekking hebben op wetstechnische correcties zoals bijvoorbeeld het herstellen van onjuiste verwijzingen. De wijzigingen hebben daarom in beginsel geen effect op de uitkerings- of inkomenspositie van (groepen van) uitkeringsgerechtigden. Dat ligt alleen anders bij de maatregel waarmee de afbouw van de algemene heffingskorting in het referentieminimumloon wordt getemporiseerd. Deze maatregel zorgt voor alle mensen met een minimumuitkering voor een positief inkomenseffect van maximaal circa € 200 per jaar tot het moment dat de temporisering in de laatste 2 jaar weer wordt ingehaald.

De leden van de SP- en ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kan toelichten of de onderdelen van de voorgestelde wetgeving, die met terugwerkende kracht ingaan, gevolgen heeft voor bestaande uitkeringen? Zo ja welke gevolgen zijn dat en hoe groot zijn de effecten? Zo nee, waarom niet?

De wijzigingsvoorstellen die met terugwerkende kracht in werking treden  hebben in beginsel geen effect op bestaande uitkeringen, omdat ze betrekking hebben op de uitvoeringsprocessen van het UWV, de SVB en de Belastingdienst en het verduidelijken van de regels betreffen in verband met elkaar opvolgende wetswijzigingen. In de nota van wijziging, die met deze nota naar aanleiding van het verslag bij de Verzamelwet SZW 2013 meegezonden wordt is een wijziging opgenomen met betrekking tot het Wazo-dagloon met terugwerkende kracht die wel enig effect heeft. Deze wijziging is echter noodzakelijk omdat deze voorkomt dat onbedoelde effecten op de uitkeringen plaatsvinden en dient om er voor te zorgen dat iedereen de uitkering krijgt zoals die was bedoeld.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze zal de communicatie plaatsvinden over de voorgenomen wijzigingen en in het bijzonder over de wijzigingen, die met terugwerkende kracht worden voorgesteld.

Het wetsvoorstel behelst voor het merendeel technische wijzigingen of kleine beleidswijzigingen waarmee geen substantiële beleidswijzigingen worden beoogd. Indien aan de orde zal door de gebruikelijke instanties hierover worden gecommuniceerd.

Voorts vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de regering nader kan toelichten welke concrete regels en verplichtingen de regering verwacht te stellen bij de voorgestelde ministeriële regeling over de uitvoering van de compensatieregeling.

In de voorgestelde ministeriële regeling over de uitvoering van de compensatieregeling zal worden bepaald hoe UWV, SVB en gemeenten het bij de verrekening vrij te laten bedrag berekenen. De berekening bestaat uit drie componenten, die het mogelijk wegvallen van huur- en zorgtoeslag alsmede kindgebonden budget moeten compenseren. Belanghebbende moet zelf een aanvraag hiertoe indienen en kan ook om bewijsstukken worden gevraagd.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher