33 538 Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wijzigingswet kinderopvang 2013)

Nr. 8 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 14 maart 2013

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I, onderdeel K, wordt het derde subonderdeel vernummerd tot het vierde subonderdeel en wordt na het tweede subonderdeel een subonderdeel ingevoegd, luidende:

3. In het tweede lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot d tot en met f.

2

In artikel I, onderdeel L, wordt artikel 1.48 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt telkens «geregistreerde gastouder» vervangen door: geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met tiende lid tot het derde tot en met elfde lid, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

2. Onze Minister kan een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt door een in Nederland gevestigde gastouder die gastouderopvang biedt op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouderopvang wordt geboden, waarbij dat woonadres zich in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland bevindt, gelijkstellen met een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door opneming daarvan in het register buitenlandse kinderopvang. Gelijkstelling is uitsluitend mogelijk indien sprake is van tussenkomst van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, tweede zin, of van een geregistreerd gastouderbureau.

3. In het derde lid (nieuw) wordt in onderdeel a «een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «het tweede lid» vervangen door«het derde lid» en wordt «een voorziening als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

5. In het vijfde lid (nieuw) wordt in de aanhef «het tweede lid» vervangen door «het derde lid», wordt «een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid» vervangen door «een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid» en wordt in onderdeel b «het derde lid» vervangen door: het vierde lid.

6. In het zesde lid (nieuw) wordt in de eerste zin «het vierde lid» vervangen door «het vijfde lid» en wordt in de tweede zin «een voorziening als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

7. In het zevende lid (nieuw) wordt in de eerste zin «het tweede lid» vervangen door «het derde lid» en «een voorziening als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

8. In het achtste lid (nieuw) wordt «het tweede lid» vervangen door «het derde lid» en «de voorziening bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

9. In het negende lid (nieuw) wordt in de eerste zin «het zesde of zevende lid» vervangen door: het zevende of achtste lid.

10. In het tiende lid (nieuw) wordt «een voorziening als bedoeld in het eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid.

11. In het elfde lid (nieuw) wordt in onderdeel a «het tweede lid» vervangen door «het derde lid» en wordt in onderdeel b«een voorziening als bedoeld in het eerste lid» vervangen door «een voorziening als bedoeld in het eerste of tweede lid» en wordt in onderdeel c «het vierde tot en met het achtste lid» vervangen door: het vijfde tot en met het negende lid.

3

In artikel I, onderdeel M, wordt in artikel 1.48a, eerste lid, eerste zin, en in het tweede lid «een voorziening als bedoeld in artikel 1.48, eerste lid» vervangen door: een voorziening als bedoeld in artikel 1.48, eerste of tweede lid.

4

In artikel I, onderdeel N, wordt artikel 1.48b als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste lid» vervangen door: voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste of tweede lid.

2. In het tweede lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot d tot en met f.

3. In het derde lid wordt «Voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste lid,» vervangen door: Voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid.

5

In artikel I, onderdeel O, wordt in artikel 1.48c, eerste lid, «categorieën van in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland gevestigde voorzieningen worden aangewezen waar kinderopvang plaatsvindt» vervangen door: categorieën van voorzieningen als bedoeld in artikel 1.48, eerste of tweede lid, worden aangewezen.

6

Het opschrift van artikel I, onderdeel R, komt te luiden:

R

Voor artikel 1.52 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:.

7

In artikel I, onderdeel OO, wordt in artikel 2.1, tweede lid (nieuw) «krachtens deze wet» vervangen door: krachtens dit hoofdstuk.

8

In artikel I, onderdeel PP, wordt in artikel 2.2, tweede lid, «artikel 2.20, eerste lid» vervangen door: artikel 2.20, eerste lid,.

9

Artikel I, onderdeel TT, komt als volgt te luiden:

TT

Artikel 2.4b, tweede lid, (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering van gegevens uit het register;.

2. Onderdeel d vervalt, onder verlettering van de onderdelen e tot en met g tot d tot en met f.

10

Het opschrift van artikel I, onderdeel WW, komt te luiden:

WW

Voor artikel 2.10 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Toelichting

Onderdelen 1, 4 en 9 (artikelen 1.47b, 1.48b en 2.4b)

De delegatiegrondslagen die in de artikelen 1.47b, tweede lid, onderdeel d, 1.48b, tweede lid, onderdeel d, en 2.4b, tweede lid, onderdeel d, zijn opgenomen, hebben betrekking op het verbeteren van onjuistheden in de registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Deze delegatiegrondslagen zijn echter (niet langer) nodig, omdat in de artikelen 1.47, 1.47a, 1.48, 1.48a, 2.4 en 2.4a (nieuw) reeds regels zijn opgenomen met betrekking tot het wijzigen van gegevens en dus van het verbeteren van onjuistheden in de registers. Bovendien bieden de artikelen 1.47b, tweede lid, onderdeel c, (nieuw) 1.48b, tweede lid, onderdeel c, (nieuw) en 2.4b, tweede lid, onderdeel c, (nieuw) ook al een grondslag voor het stellen van nadere regels omtrent de vastlegging in, de wijziging van en de verwijdering uit de registers.

Onderdelen 2, 3, 4 en 5 (artikelen 1.48 1.48a, 1.48b en 1.48c)

Naar aanleiding van een uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 21 december 2012 (LJN: BY7090) in een geschil tussen een ouder en de Belastingdienst/Toeslagen wordt een nieuw tweede lid toegevoegd aan artikel 1.48.

In deze uitspraak ging het om een ouder die in België woonde en in Nederland werkte. Zijn kind werd thuis in België (Vlaanderen) opgevangen door een Nederlandse gastouder door tussenkomst van een Nederlands gastouderbureau. In artikel 16a, eerste lid, van de Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Regeling) zijn bepaalde categorieën kinderopvangvoorzieningen in Vlaanderen en Brussel gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang. Voor gelijkstelling dienen die kinderopvangvoorzieningen in het bezit te zijn van een door het Vlaamse Kind & Gezin verleende geldige erkenning of geldig attest van toezicht.

Vlaanderen erkent echter geen gastouderopvang die plaatsvindt bij het kind thuis. Gelet hierop ontbrak een geldige erkenning of attest in de situatie van voornoemde ouder, die gebruik maakte van een Nederlands gastouderbureau en een Nederlandse gastouder, maar waarbij de opvang van zijn kind plaatsvond op zijn woonadres in België. Nu een geldige erkenning of attest ontbrak in voornoemde situatie, viel de gastouder niet onder de gelijkstelling als bedoeld in artikel 16a van de Regeling. Deze gastouder was ook niet ingeschreven in het register buitenlandse kinderopvang. Op grond hiervan had de ouder volgens de Belastingdienst/Toeslagen geen recht op kinderopvangtoeslag. De Rechtbank Utrecht heeft geoordeeld dat de ouder indien hij in Nederland had gewoond en de kinderopvang onder dezelfde omstandigheden had plaatsgevonden, wél recht had gehad op kinderopvangtoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er een vermoeden van indirecte discriminatie naar woonplaats. De rechtbank oordeelt dat onder deze omstandigheden van de ouder niet kan worden verlangd te beschikken over een geldige erkenning of geldig attest van de gastouder.

Uit voornoemde uitspraak zou kunnen worden geconcludeerd dat in het geval een kinderopvangvoorziening niet onder de gelijkstelling als bedoeld in artikel 16a, 16b of 16d van de Regeling valt, er geen eisen kunnen worden gesteld aan een kinderopvangvoorziening, waarbij de kinderopvang plaatsvindt in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland. Dit is echter onwenselijk. Gelet hierop is artikel 1.48, tweede lid, toegevoegd. Dit artikel ziet op de situatie dat de daadwerkelijke opvang van een kind in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland plaatsvindt, maar dat er gebruik wordt gemaakt van een in Nederland gevestigde gastouder. Indien sprake is van voornoemde situatie, moet een ouder een aanvraag indienen om de kinderopvangvoorziening in te laten schrijven in het register buitenlandse kinderopvang op grond van artikel 13 van de Regeling, wil hij aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag. De reden dat een kinderopvangvoorziening in het register buitenlandse kinderopvang moet worden opgenomen en niet kan worden volstaan met een inschrijving in het register kinderopvang is erin gelegen dat de locatie van de opvang buiten Nederland ligt. De locaties waar een gastouder in Nederland gastouderopvang verzorgt staan immers elk afzonderlijk in het register kinderopvang opgenomen. Op grond daarvan kunnen de locaties waar de opvang van het kind daadwerkelijk plaatsvindt ook geïnspecteerd worden door de GGD. Indien de locatie waar het kind daadwerkelijk wordt opgevangen buiten Nederland ligt, kunnen er door de GGD geen inspecties worden uitgevoerd op het adres waar het kind wordt opgevangen. Overigens speelt de omstandigheid dat een gastouder is opgenomen in het register kinderopvang wel degelijk een rol bij de beoordeling of een voorziening voor gastouderopvang tevens wordt opgenomen in het register buitenlandse kinderopvang. Immers, dit is een belangrijke indicatie dat de kwaliteit van een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt naar aard en strekking in overeenstemming is met de eisen die aan de kwaliteit van een kinderopvangvoorziening in Nederland worden gesteld.

Indien een buiten Nederland gevestigde voorziening waar kinderopvang plaatsvindt niet onder de gelijkstelling op grond van artikel 16a, 16b, 16c of 16d van de Regeling valt, dan is inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang mogelijk indien voldaan wordt aan artikel 13 van de Regeling.

Daarnaast worden technische wijzigingen doorgevoerd in artikel 1.48, 1.48a, 1.48b en 1.48c als gevolg van het in artikel 1.48 invoegen van een nieuw tweede lid en de daarmee samenhangende vernummering van daarop volgende leden.

Onderdelen 6 en 10 (artikelen 1.51b, 1.51c, 2.9b en 2.9c)

Omdat de in artikel I, onderdeel R, en artikel I, onderdeel WW, opgenomen wijzigingsopdrachten, namelijk om ná artikel 1.51a respectievelijk ná artikel 2.9a twee artikelen toe te voegen pas gerealiseerd kan worden wanneer die artikelen 1.51a en 2.9a ook daadwerkelijk in de Wko zijn opgenomen door inwerkingtreding van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, is de wijzigingsopdracht aangepast. Mocht het onderhavige wetsvoorstel eerder in werking treden dan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, dan worden de artikelen 1.51b en 1.51c wel al opgenomen in de Wko bij het inwerkingtreden van artikel I, onderdeel R en WW en worden de artikelen 1.51a en 2.9a daaraan later, met het inwerkingtreden van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, alsnog in de Wko opgenomen.

Onderdeel 7 (artikel 2.1)

In de tekst is (net als in artikel 1.1, derde lid, Wko) de formulering «bij of krachtens deze wet» vervangen door: bij of krachtens dit hoofdstuk.

Onderdeel 8 (artikel 2.2)

In de tekst was verzuimd een komma toe te voegen na «artikel 2.20, eerste lid».

De minister van L.F. Asscher

Naar boven