33 529 Gaswinning Groningen-veld

32 849 Mijnbouw

Z1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 22 juli 2025

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Klimaat en Groene Groei over uitbreiding wettelijk bewijsvermoeden mijnbouwactiviteiten in Nederland en afhandeling mijnbouwschade. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 20 mei 2025.

  • Een uitstelbericht van 11 juni 2025.

  • De antwoordbrief van 17 juli 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Klimaat en Groene Groei

Den Haag, 20 mei 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 27 maart over de kabinetsreactie op het Advies van de Raad van State over de uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden (artikel 6:177a) naar mijnbouwactiviteiten in Nederland en hoe het kabinet de positie van schademelders ten opzichte van bedrijven gaat verbeteren.3 De leden van de fracties van de BBB, JA21 en OPNL hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fracties van BBB, GroenLinks-PvdA, CDA, SP en ChristenUnie sluiten zich aan bij de gestelde vraag door het fractielid van OPNL.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB

De fractieleden van de BBB lezen dat u in overleg met bedrijven gaat inzetten op het verlengen van de twaalfmaandentermijn die geldt voor melding van schade.4 In hoeverre is het uw inzet om deze termijn te laten aansluiten op de termijn waarbinnen de schade kan worden verhaald op de winningsbedrijven (5 jaar)?

De fractieleden van de BBB vragen of u de in uw brief aangehaalde termijn voor openstelling van de schaderegeling in Limburg gaat halen (eind 2025). Indien het antwoord op deze vraag nee is, vragen deze leden wat er wel mogelijk is.

Waarom lopen de gesprekken over een schaderegeling voor geothermie gecompliceerder dan voorzien? Tegen welke problemen loopt u aan?

De fractieleden van de BBB lezen in uw brief niet terug dat het verwarrend is dat in een klein land als Nederland verschillende regelingen gelden voor de vergoeding van mijnbouwschade. Waarom gelden de argumenten die u aanvoert tegen de omgekeerde bewijslast niet in Groningen? Is er hier geen sprake van discriminatie van de overige schademelders? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Voor de uiteindelijke bewijslast heeft de omgekeerde bewijslast wellicht weinig meerwaarde. Maar wat betekent het voor de duur van de procedure, de periode dat de schademelder in onzekerheid verkeert? Wat betekent het voor de administratieve rompslomp? En daarmee de ambtelijke kosten? Graag ontvangen de fractieleden van de BBB hierop een toelichting.

In de Eerste Kamer zijn recent twee moties aangenomen over de vergoeding van de mijnbouwschade in Limburg.5 Hoe gaat u deze meenemen in uw plannen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de JA21

De fractieleden van JA21 vragen welke extra materiële gevolgen u verwacht op basis van de uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden mijnbouwschade en hoe u deze schade wil verhalen?

In het verlengde van de vorige vraag en ervaringen uit het recente verleden: welke lessen trekt u uit eerdere schade-afhandelingen en het voorkomen van arbitrage in het bijzonder?

Bent u bereid om bij nieuwe concessies nadrukkelijk te verbieden dat investeerders claims kunnen indienen via een investeerder-staatarbitrage (ISDS)?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de OPNL

Het lid van de OPNL-fractie verneemt graag of – en in hoeverre – u zich kunt vinden in de uitspraak van de Eerste Kamer dat mijnbouwactiviteiten altijd gepaard moeten gaan met een toegankelijke, toereikende en tijdige schaderegeling, bij voorkeur door middel van één loket.6

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juni 2025

De vragen van de leden van de fracties van de BBB, JA21 en OPNL over de kabinetsreactie op de voorlichting van de Raad van State over de uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden naar mijnbouwactiviteiten in Nederland (kenmerk: 176842U) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. Dit komt door de complexiteit van het onderwerp en de benodigde afstemming binnen het kabinet. Ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.

Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 juli 2025

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden van de fracties van de BBB, JA21 en OPNL over de kabinetsreactie op de voorlichting van de Raad van State over de uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden naar mijnbouwactiviteiten in Nederland (Kamerstukken I 2024/25, 33 529, X.). Deze vragen met kenmerk 176842U zijn ingezonden op 20 mei 2025. De leden van de fracties van BBB, GroenLinks-PvdA, CDA, SP en ChristenUnie sluiten zich aan bij de gestelde vraag door het fractielid van OPNL. De antwoorden zijn later verstuurd dan gebruikelijk in verband met de complexiteit van het onderwerp en de benodigde afstemming binnen het kabinet.

Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

176842U

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB

1

De fractieleden van de BBB lezen dat u in overleg met bedrijven gaat inzetten op het verlengen van de twaalfmaandentermijn die geldt voor melding van schade. In hoeverre is het uw inzet om deze termijn te laten aansluiten op de termijn waarbinnen de schade kan worden verhaald op de winningsbedrijven (5 jaar)?

Antwoord

Het demissionair kabinet gaat met de Commissie Mijnbouwschade en de mijnbouwondernemingen die zijn aangesloten bij de landelijke aanpak voor afhandeling van mijnbouwschade in overleg over de wens van het verruimen van de termijn en de verschillende mogelijkheden die daarvoor bestaan. Daarbij zal ook worden gekeken naar de door de BBB fractie voorgestelde termijn van vijf jaar. Er zijn verschillende opties voor het verruimen van de termijn en iedere optie heeft voor- en nadelen. Het demissionair kabinet heeft op dit moment nog geen voorkeur. Omdat de schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade is gestoeld op privaatrechtelijke overeenkomsten met de mijnbouwbedrijven, is overeenstemming van deze mijnbouwbedrijven nodig voor het verruimen van de termijn.

2

De fractieleden van de BBB vragen of u de in uw brief aangehaalde termijn voor openstelling van de schaderegeling in Limburg gaat halen (eind 2025). Indien het antwoord op deze vraag nee is, vragen deze leden wat er wel mogelijk is.

Antwoord

Zoals gemeld in de Kamerbrief van 31 januari 2025 (Kamerstuk 32 849, nr. 265) zet het demissionair kabinet alles op alles om de schaderegeling en het digitale loket eind 2025 open te stellen.

3

Waarom lopen de gesprekken over een schaderegeling voor geothermie gecompliceerder dan voorzien? Tegen welke problemen loopt u aan?

Antwoord

De gesprekken met de geothermiesector over het onderbrengen van de schadeafhandeling bij de Commissie Mijnbouwschade zijn gecompliceerd, onder meer vanwege het relatief groot aantal bedrijven waar overeenstemming mee moet worden bereikt en de onderlinge diversiteit van deze bedrijven. De geothermiesector omvat zowel tuinders die in landelijk gebied hun kassen verwarmen met aardwarmte, als grote bedrijven die in stedelijk gebied aardwarmte willen winnen om hele woonwijken van warmte te voorzien. Dit is de reden waarom het demissionair kabinet wil kijken of er eerst met een kopgroep van vergunninghouders voor geothermie overeenstemming kan worden bereikt.

4

De fractieleden van de BBB lezen in uw brief niet terug dat het verwarrend is dat in een klein land als Nederland verschillende regelingen gelden voor de vergoeding van mijnbouwschade. Waarom gelden de argumenten die u aanvoert tegen de omgekeerde bewijslast niet in Groningen? Is er hier geen sprake van discriminatie van de overige schademelders? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Antwoord

Nee, er is geen sprake van discriminatie van overige schademelders. Er is alleen sprake van discriminatie als er een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt wordt. Het demissionair kabinet vindt het uitlegbaar en gerechtvaardigd dat er een andere wijze van schadeafhandeling plaatsvindt voor het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk die onderdeel uitmaken van het Groningensysteem. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft aangegeven dat er voldoende rechtvaardiging moet bestaan voor toepassing van een wettelijk bewijsvermoeden. Deze rechtvaardiging is er voor het effectgebied van het Groningenveld en de twee gasopslagen in Groningen en Noord-Drenthe, omdat daar in korte tijd meer dan tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade werden gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. De ernst en omvang van de schademeldingen wijkt daarmee significant af van de situatie in de rest van Nederland. Deze situatie rechtvaardigt toepassing van een wettelijk bewijsvermoeden, waarmee afgeweken wordt van de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht dat «wie stelt, bewijst» (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Ook de Raad van State acht het voorstelbaar dat een wettelijk bewijsvermoeden voor de situatie in delen van Groningen en Noord-Drenthe dragend kan worden gemotiveerd. De Raad van State heeft dit bevestigd in haar voorlichting van 7 oktober 2015 voorafgaand aan de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden voor het effectgebied van de gaswinning in het Groningenveld (bijlage bij Kamerstuk 34 041, nr. 43, p. 12) en de recente voorlichting van 20 november 2024 over uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar alle mijnbouwactiviteiten in Nederland.

In de rest van Nederland kunnen het beperkte aantal activiteiten in de diepe ondergrond, de bodembeweging die dit veroorzaakt en het aantal fysieke schades aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van deze activiteiten een breed toepassingsbereik van het wettelijk bewijsvermoeden niet voldoende rechtvaardigen. Er is daarmee geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid. Bovendien lijkt een uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar de rest van Nederland weinig meerwaarde te hebben ten opzichte van de huidige wijze van schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade, omdat de commissie bewoners reeds ontzorgt. Ook is de verwachting dat het wettelijk bewijsvermoeden in de rest van Nederland voor bedrijven relatief eenvoudig te weerleggen zal zijn. De vordering van de schademelder zal dan worden afgewezen. De verwachting is dan ook dat een uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden naar de rest van Nederland niet zal leiden tot een substantiële toename van het aantal schadevergoedingen en zelfs het risico van valse verwachtingen richting burgers met zich meebrengt. Het demissionair kabinet ziet daarom onvoldoende rechtvaardiging voor uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar de rest van Nederland.

Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 27 maart 20257 wil het demissionair kabinet de positie van schademelders daarom via andere wegen verder versterken. Allereerst zet het demissionair kabinet in op het verbreden van de bevoegdheid van de Commissie Mijnbouwschade naar alle mijnbouwsectoren. Hierdoor komt voor alle mijnbouwsectoren te gelden dat de Commissie Mijnbouwschade de bewijslast van schademelders in feite overneemt, door onderzoek te doen naar de oorzaak van de schade. Ten tweede, zal het demissionair kabinet in overleg treden met de bedrijven om de twaalfmaandentermijn, die thans geldt voor het doen van een melding na een aardbeving, in het instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade te verruimen. Dit sluit aan bij een voorstel van de Raad van State in zijn voorlichting van 20 november 2024.

5

Voor de uiteindelijke bewijslast heeft de omgekeerde bewijslast wellicht weinig meerwaarde. Maar wat betekent het voor de duur van de procedure, de periode dat de schademelder in onzekerheid verkeert? Wat betekent het voor de administratieve rompslomp? En daarmee de ambtelijke kosten? Graag ontvangen de fractieleden van de BBB hierop een toelichting.

Antwoord

Het wettelijk bewijsvermoeden is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en geldt voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de exploitant. Op grond van de Tijdelijke wet Groningen wordt het wettelijk bewijsvermoeden toegepast door het Instituut Mijnbouwschade Groningen bij de publiekrechtelijke afhandeling van schade als gevolg van bodembeweging door de (voormalige) gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk. Dit heeft het doel de schademelder te ontlasten. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de (voormalige) gaswinning uit het Groningenveld of gasopslag Norg en Grijpskerk zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de gaswinning. De kosten van de schadeafhandeling worden achteraf verhaald op de NAM.

De schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade werkt anders. De schadeafhandeling is namelijk gestoeld op privaatrechtelijke overeenkomsten met mijnbouwbedrijven. In deze overeenkomsten hebben de mijnbouwbedrijven zich gecommitteerd aan de buitengerechtelijke schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade en het uitbetalen van schadevergoedingen aan schademelders, die de Commissie Mijnbouwschade adviseert. In haar voorlichting werpt de Afdeling advisering van de Raad van State de vraag op of mijnbouwbedrijven na uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden nog wel bereid zullen zijn zich te committeren aan de buitengerechtelijke schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade en het uitbetalen van de door de Commissie Mijnbouwschade geadviseerde schadevergoedingen. Indien bedrijven bereid zijn om zich te committeren is de verwachting dat het wettelijk bewijsvermoeden geen significant effect zal hebben op de duur van de procedures en de uitvoeringskosten van de Commissie Mijnbouwschade. Als bedrijven niet bereid zijn om zich hieraan te committeren, bestaat het risico dat bewoners veel tijd, geld en moeite kwijt zijn om de schade (evt. via de civiele rechter) te verhalen op mijnbouwbedrijven.

Hoewel dit feitelijk los staat van mogelijke uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden, zijn er ook partijen die ervoor pleiten om de schadeafhandeling op publiekrechtelijke leest te schoeien. Zij zouden graag zien dat een overheidsinstantie een besluit neemt over vergoeding van schade, de schade vergoedt (en de kosten daarvan verhaalt op de verantwoordelijke mijnbouwonderneming) en dat bewoners naar de bestuursrechter kunnen als zij het niet eens zijn met het besluit. Volgens deze partijen is de drempel voor bewoners om naar de bestuursrechter te gaan kleiner dan de drempel om naar de civiele rechter te gaan. Indien gekozen zou worden voor een publiekrechtelijke schadeafhandeling wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de afhandeling van schade die wordt veroorzaakt door een private partij in beginsel een private aangelegenheid is. De civiele rechter heeft de meeste ervaring met oordelen over geschillen tussen private partijen en is naar de mening van het demissionair kabinet dan ook het best toegerust om hier over te oordelen. Wil de overheid de verantwoordelijkheid naar zich toe trekken door de schadeafhandeling publiekrechtelijk vorm te geven, dan moet er niet alleen sprake zijn van de aanwezigheid van een zwaarwegend maatschappelijk belang, maar de overheid moet er ook van overtuigd zijn dat dit belang alleen goed tot zijn recht kan komen als de overheid verantwoordelijk is voor de besluitvorming. Voor het Groningenveld en gasoplagen Norg en Grijpskerk was er in Groningen en Noord-Drenthe een zwaarwegende maatschappelijke belang voor de overheid om de verantwoordelijkheid hiervoor naar zich toe te trekken. In de rest van Nederland, zoals ook volgt uit het ontbreken van een rechtvaardiging voor een uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijke bewijsvermoeden, is hier geen sprake van. Dit betekent niet dat de overheid hier in het geheel geen rol vervult. Met de instelling van de Commissie Mijnbouwschade worden gedupeerden door de overheid ondersteund bij het verhalen van hun mijnbouwschade.

Voorts zouden de uitvoeringskosten voor de rijksoverheid toenemen. Daarbij bestaat ook het risico dat er een roep ontstaat om andere schades die door private partijen zijn veroorzaakt, publiekrechtelijk af te handelen. Bovendien leidt publiekrechtelijke schadeafhandeling naar verwachting niet tot meer of hogere schadevergoedingen, omdat onduidelijkheid over de mogelijke rol van mijnbouw in het veroorzaken van de schade in de rest van Nederland minder voorkomt. De situatie in de rest van Nederland is namelijk heel anders dan in het effectgebied Groningen en Noord-Drenthe. Dit heeft ermee te maken dat de bodembeweging door mijnbouw in de rest van Nederland veel geringer is, waardoor mijnbouw op basis van objectieve meetgegevens vaak als oorzaak wordt uitgesloten. Limburg vormt hierop een uitzondering, omdat hier sprake is van langdurige naijleffecten van steenkoolwinning die soms lastig te scheiden zijn van andere schadeoorzaken. Omdat het in Limburg, mede als gevolg van het grote tijdsverloop sinds het beëindigen van de mijnbouwactiviteiten, lastiger is om causaal verband vast te stellen en de schade in veel gevallen niet verhaald kan worden, is hier gekozen voor een onverplichte tegemoetkoming, waarbij bewoners tegemoet worden gekomen in de schade aan hun woning als «voldoende aannemelijk» is dat de schade het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning.

Verder zijn er partijen die betogen dat er in de rest van Nederland, naast invoering van het wettelijk bewijsvermoeden, ook andere vormen van ruimhartige schaderegelingen zouden moeten worden ingesteld. Daarbij vindt het demissionair kabinet het van belang om op te merken, dat ruimhartige schaderegelingen bewoners verder kunnen ontzorgen, maar dat het veelal niet goed mogelijk is om de kosten hiervoor bij mijnbouwbedrijven te verhalen op grond van het aansprakelijkheidsrecht. Als mijnbouwbedrijven niet bereid zijn om deze kosten uit coulance op zich te nemen, komen deze voor rekening van de rijksoverheid. Hoe coulanter de regeling, hoe hoger de kosten voor de Rijkoverheid en hoe groter het risico dat de rijksoverheid ook schades gaat vergoeden die door andere oorzaken zijn ontstaan, zoals schades door slechte funderingen of onderhoud van woningen. Ook moet worden opgemerkt dat er in Nederland meer activiteiten van private partijen plaatsvinden die hinder en schade kunnen veroorzaken. Indien de overheid voorziet in ruimhartige schaderegelingen voor schade door bodembeweging als gevolg van alle mijnbouwactiviteiten in Nederland, is de kans groot dat er een precedent wordt gecreëerd voor andere hinder- en schadeveroorzakende activiteiten van private partijen.

6

In de Eerste Kamer zijn recent twee moties aangenomen over de vergoeding van de mijnbouwschade in Limburg.8 Hoe gaat u deze meenemen in uw plannen?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zet het demissionair kabinet alles op alles om de schaderegeling eind 2025 open te stellen. De regio is intensief betrokken bij het inrichten van de schadeafhandeling in Zuid-Limburg, maar heeft aangegeven dat de regie voor de uitvoering bij het Rijk hoort te liggen. Er wordt op ambtelijk niveau samengewerkt aan een beleidsregel voor een onverplichte tegemoetkoming voor particuliere eigenaren met schade aan hun woning en een wijziging van het instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade waarmee de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade wordt ingesteld. Daarbij zijn de lessen die uit Groningen geleerd zijn zoveel mogelijk meegenomen. Het demissionair kabinet overlegt regelmatig met een vertegenwoordiging van het regionale bestuur in de zogenoemde stuurgroep I3ML. De stuurgroep I3ML wordt voorgezeten en georganiseerd door de regio die daarmee zicht en regie kan houden op de inrichting van de schadeafhandeling. In de stuurgroep worden ook de knelpunten en de mogelijke oplossingen besproken. De beleidsregel en de Commissie Mijnbouwschade zullen jaarlijks worden geëvalueerd. Deze evaluaties zullen ook aan de Eerste Kamer worden toegestuurd zodat de Eerste Kamer conform de moties geïnformeerd blijft. Mijnbouwbedrijven die zout winnen, stoffen opslaan in zoutcavernes of olie en gas winnen of opslaan in kleine velden hebben zich al via overeenkomsten gecommitteerd aan schadeafhandeling via de Commissie Mijnbouwschade. Daarmee is, in lijn met de oproep uit de motie, geborgd dat mijnbouwbedrijven schades zullen vergoeden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de JA21

7

De fractieleden van JA21 vragen welke extra materiële gevolgen u verwacht op basis van de uitbreiding van het wettelijk bewijsvermoeden mijnbouwschade en hoe u deze schade wil verhalen?

Antwoord

In de Kamerbrief van 27 maart 2025 (Kamerstukken I 2024/25, 33 529, X) heeft het kabinet toegelicht waarom het de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden niet wil uitbreiden naar de rest van Nederland. Daarmee blijft de huidige wijze van schadeafhandeling in stand, waarbij de Commissie Mijnbouwschade schademeldingen beoordeelt en bedrijven schadevergoedingen uitkeren aan bewoners indien dit door de commissie wordt geadviseerd. Er worden dan ook geen materiële gevolgen verwacht.

In het antwoord op vraag 5 wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen als de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden wel zou worden uitgebreid naar de rest van Nederland. Daarbij is ook toegelicht dat in het systeem van buitengerechtelijke schadeafhandeling door de Commissie Mijnbouwschade – anders dan bij de publiekrechtelijke schadeafhandeling door het IMG – het de mijnbouwbedrijven zelf zijn die schadevergoedingen aan schademelders betalen. De Commissie Mijnbouwschade of overheid verhaalt in dit systeem geen schades op mijnbouwbedrijven.

8

In het verlengde van de vorige vraag en ervaringen uit het recente verleden: welke lessen trekt u uit eerdere schade-afhandelingen en het voorkomen van arbitrage in het bijzonder?

Antwoord

De situatie rond de aardbevingen als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld heeft laten zien dat het voor bewoners lastig is om schade te verhalen op mijnbouwbedrijven, vanwege de ongelijkheid in kennis en middelen. Daarom zijn het Instituut Mijnbouwschade Groningen en de Commissie Mijnbouwschade ingesteld om het voor bewoners makkelijker te maken om schade vergoed te krijgen. De arbitrage over schadeafhandeling ziet op de hoogte van de kosten die door het Rijk aan Shell en Exxon worden doorbelast voor kosten van de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en de opslag van gas bij Norg en Grijpskerk.

In de systematiek van schadeafhandeling bij de Commissie Mijnbouwschade speelt dit probleem niet, omdat mijnbouwondernemingen zich hebben gecommitteerd aan het uitkeren van de door de Commissie Mijnbouwschade geadviseerde schadevergoedingen. Deze vergoedingen worden dus niet door de commissie, maar door bedrijven zelf uitbetaald.

9

Bent u bereid om bij nieuwe concessies nadrukkelijk te verbieden dat investeerders claims kunnen indienen via een investeerder-staatarbitrage (ISDS)?

Antwoord

Sinds de invoering van de Mijnbouwwet worden er geen concessies meer afgegeven, enkel vergunningen, zoals de opsporingsvergunning of de winningsvergunning. Voor de beantwoording van deze vraag wordt daarom aangenomen dat waar «concessies» staat, «vergunningen» gelezen kan worden.

Onder investeringsbeschermingsverdragen die Nederland met landen buiten de Europese Unie heeft gesloten, hebben buitenlandse investeerders het recht om een vermeende schending van een dergelijk verdrag door de Staat waardoor schade is ontstaan, voor te leggen aan een internationaal arbitragetribunaal. Een investeringsverdrag beschermt investeerders tegen discriminatoire en onredelijke behandeling en stelt voorwaarden voor rechtmatige onteigening; basisstandaarden zoals die ook onder het nationale recht bestaan.

De Staat heeft zich verbonden aan deze mogelijkheid van arbitrage, die ook dient om Nederlandse investeerders in het buitenland te beschermen tegen onrechtmatig handelen van een derde staat. Dit kan niet eenzijdig worden uitgesloten in een vergunning.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de OPNL

10

Het lid van de OPNL-fractie verneemt graag of – en in hoeverre – u zich kunt vinden in de uitspraak van de Eerste Kamer dat mijnbouwactiviteiten altijd gepaard moeten gaan met een toegankelijke, toereikende en tijdige schaderegeling, bij voorkeur door middel van één loket.9

Antwoord

Het demissionair kabinet kan zich vinden in de uitspraak in de motie van het lid Van der Goot (OPNL) c.s. dat mijnbouwactiviteiten altijd gepaard moeten gaan met een toegankelijke, toereikende en tijdige schaderegeling. De Commissie Mijnbouwschade vormt hiervoor het landelijk loket. Vanwege de bijzondere problematiek rond het Groningenveld is hier een aparte instantie voor ingesteld, namelijk het Instituut Mijnbouwschade Groningen. De Commissie Mijnbouwschade en het Instituut Mijnbouwschade Groningen werken op dit moment toe naar de invoering van een één-loketwerkwijze voor het effectgebied Groningen en Noord-Drenthe waar ook sprake is van andere mijnbouwactiviteiten.


X Noot
1

De letter Z heeft alleen betrekking op 33 529.

X Noot
2

Samenstelling:

Van Gasteren (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Crone (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Straus (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Strien, (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie- Kemperman)

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25, 33 529, X.

X Noot
4

Kamerstukken I 2024/25, 33 529, X, p. 5.

X Noot
5

Kamerstukken I 2024/25, 36 660 XXIII / 36 600 M, K; Kamerstukken I 2024/25, 36 660 XXIII / 36 600 M, J.

X Noot
6

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 XXIII / 36 600 M, I.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2024/25, 33 529 nr. 1284.

X Noot
8

Kamerstukken I 2024/25, 36 660 XXIII / 36 600 M, K; Kamerstukken I 2024/25, 36 660 XXIII / 36 600 M, J.

X Noot
9

Kamerstukken I 2024/25, 36 600 XXIII / 36 600 M, I.

Naar boven