Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333529 nr. 23

33 529 Gaswinning Groningen-veld

Nr. 23 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 augustus 2013

Met mijn brief van 3 juli1 jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de elf onderzoeken die ik laat verrichten om aan het einde van het jaar een zorgvuldig besluit te kunnen nemen over de gaswinning in het Groningen-veld.

Vier onderzoeken waren voorzien gereed te zijn per ultimo juni. De onderzoeken 1, 2, 10 en 11 (resp. preventieve maatregelen gebouwen, Quickscan vitale infrastructuur, waardedaling en evaluatie schadeafwikkeling) waren eind juni nog niet definitief vastgesteld en ook nog niet voorgelegd aan de Stuurgroep. Ik heb u toegezegd de definitieve rapportages van deze onderzoeken voor het einde van het reces, na akkoordbevinding door de Stuurgroep, aan uw Kamer toe te sturen. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.

In bijlage treft u de volgende rapportages aan:

  • 1. Onderzoek 1: Plan van aanpak preventieve versteviging van gebouwen met aardbevingsrisico (uitgevoerd door Arup)2,

  • 2. Onderzoek 2: Quickscan naar effecten geïnduceerde aardbevingen op vitale infrastructuur (uitgevoerd door Deltares)3,

  • 3. Onderzoek 10: Huizenprijsontwikkeling op de woningmarkt (uitgevoerd door Ortec)4,

  • 4. Onderzoek 11: Evaluatie van schade-afhandelingsproces (uitgevoerd door Technische Commissie Bodembeweging)5.

Als aangegeven in mijn brief van 3 juli jl. heeft het KNMI, op basis van een veronderstelde beving van magnitude 5 op de schaal van Richter, een voorlopige kaart van de regio opgesteld, waarin de berekende contouren van de grondbeweging zijn opgenomen. Ik heb u daarbij toegezegd dat deze kaart samen met bovengenoemde rapporten beschikbaar komt. Deze voorlopige kaart is met een toelichting bij deze brief gevoegd. De kwalificatie «voorlopig» is belangrijk, omdat pas na voltooiing van alle onderzoeken een beter onderbouwd inzicht zal ontstaan in de mogelijke sterkte en het gebied van de bevingen en de onzekerheden in de berekeningen. Zo is in deze voorlopige berekeningen uitgegaan van een maximumsterke van een aardbeving van 5 op de schaal van Richter en zijn er aannames gedaan over het gebied waarin deze zwaardere bevingen kunnen optreden. Beide zijn onderwerp van onderzoeken, die einde van het jaar gereed zullen komen. Op basis hiervan zal het KNMI een definitief kaartbeeld samenstellen, dat dan als uitgangspunt kan dienen voor vaststelling van het soort preventieve maatregelen.

De Stuurgroep heeft mij per brief (dd. 21 augustus 2013) geadviseerd over de bij deze brief gevoegde onderzoeken 1, 2 en 10. De Stuurgroep is van mening dat de drie onderzoeken, waarvan ik in mijn brief van 3 juli u reeds de conclusies heb toegezonden, op een degelijke, wetenschappelijke en onafhankelijke wijze zijn uitgevoerd. De conclusies van de onderzoeken zijn dan ook onveranderd ten opzichte van de voorlopige resultaten, die ik vermeld heb in mijn brief van 3 juli jl. De Stuurgroep constateert wel dat in alle drie onderzoeken een aantal elementen om nadere uitwerking vragen. Het advies van de Stuurgroep heb ik bijgevoegd6.

Naar aanleiding van het advies van de Stuurgroep, de rapportages en de aanbevelingen daarin, heb ik onderstaande vervolgacties ondernomen.

Onderzoek 1: Preventieve versteviging van gebouwen

Het ARUP onderzoek, dat mede is gebaseerd op wereldwijde ervaring, geeft aan dat er uitgaande van de voorlopige berekeningen van het KNMI m.b.t. de mogelijke grondbewegingen, er effectieve versterkende maatregelen mogelijk zijn om het veiligheidsrisico te beperken. De rapportage van Arup bevat een stappenplan hiervoor.

Het is te vroeg om bij de huidige onzekerheid in de berekeningen van de maximale grondbeweging, nu al harde conclusies te trekken over het precieze karakter en de omvang van de benodigde maatregelen (zie Appendix 1 bij de rapportage). Een eerste inschatting is dat versterkende maatregelen nodig zijn om schade zo veel mogelijk te voorkomen. Zoals ik reeds heb aangegeven in mijn brief van 3 jl. bereidt de NAM momenteel deze versterkende maatregelen voor. De verwachting is dat vanaf het derde kwartaal 2014 op grotere schaal huizen zullen worden versterkt.

Ik ben mij er terdege van bewust dat het versterken van vele huizen een impact zal hebben op de inwoners van de regio. Samen met de NAM zal ik bezien hoe deze overlast geminimaliseerd kan worden en hoe door het inzetten van lokale expertise als bouwkundigen en aannemers de economie in de regio versterkt kan worden. Bovendien zullen de vele toeleveranciers van deze bedrijfstak hier ook van kunnen profiteren.

Onderzoek 2: Risico’s vitale infrastructuur

Ik heb Deltares gevraagd de risico’s voor vitale infrastructuren in beeld te brengen. De volgende infrastructuren zijn als kritisch en prioritair bestempeld:

  • Waterkeringen

  • Gastransportnetwerk

  • Hoogspanningsnetwerk

  • Rioolpersleiding, chloortransportleiding, C2000 netwerk

In de voorliggende rapportage ontbreken de berekeningen met betrekking tot de rioolpersleiding, omdat de technische gegevens benodigd voor de berekeningen niet tijdig beschikbaar waren. Dit zal meegenomen worden in het hieronder beschreven vervolgonderzoek. Met betrekking tot de berekeningen aan het gastransportnetwerk wordt een deel van het onderzoek door Gasunie zelf uitgevoerd; dat deel is niet meegenomen in de rapportage van Deltares. De resultaten zullen na afronding door Gasunie openbaar gemaakt worden.

In de Quickscan wordt op basis van beschikbare rekenmethoden een indicatie gegeven van de sterkte van verschillende onderdelen van de vitale infrastructuur bij een brede range van grondversnellingen, die zich zouden kunnen voordoen bij een theoretische beving van maximaal 5 op de schaal van Richter

Naar aanleiding van de rapportage en de aanbevelingen, die ik in mijn brief van 3 juli heb samengevat, heb ik Deltares gevraagd om in de komende 3 maanden de Quickscan verder uit te werken tot een zo uniform mogelijke risicobenadering, die het stellen van prioriteiten met betrekking tot te nemen maatregelen mogelijk maakt. De vraagstelling die ik Deltares hierbij heb meegegeven is:

  • Welke locaties en onderdelen van kritieke infrastructuren hebben prioriteit in relatie tot de te verwachten zwaarte van de aardbevingen in de toekomst?

  • Welke maatregelen zijn voor deze onderdelen effectief in termen van functionaliteit en risicoreductie?

Deze vraagstelling heb ik afgestemd met de Stuurgroep en de verantwoordelijke beheerders van deze infrastructuur: de Waterschappen, Gasunie en TenneT.

De uitkomsten van dit vervolgonderzoek zal ik eind dit jaar bij mijn besluit over het gewijzigde winningsplan Groningen betrekken en ook openbaar maken.

Onderzoek 10: Huizenprijsontwikkelingen

De belangrijkste conclusie in het rapport over waardedaling van woningen is dat de prijsveranderingen in het risicogebied niet significant afwijken van die in het referentiegebied. Dit geldt zowel voor de totale prijsontwikkeling vanaf het eerste kwartaal 1993 tot en met het eerste kwartaal 2013 als voor de recente prijsveranderingen in de twee kwartalen na de aardbeving bij Huizinge (16 augustus 2012). Het rapport concludeert dus niet dat er geen waardedaling is, maar concludeert wel dat deze niet afwijkt van het beeld in referentiegebieden.

Omdat de periode na de aardbeving bij Huizinge kort is, hecht ik er groot belang aan om de monitoring van de huizenprijzen in de regio te continueren.

Ik heb daarom Ortec gevraagd om mij de komende tijd elk kwartaal een inzicht te verschaffen over de prijsontwikkeling in zowel het risicogebied als de referentiegebieden. Omdat ik ook heb geconstateerd dat de eerste uitkomsten van dit onderzoek niet aansluiten bij observaties bij zowel lokale overheden als makelaars in het risicogebied, zal ik ook op basis van de komende kwartaalrapportages van Ortec overleg organiseren met de lokale overheden en makelaars. De uitkomsten van dit vervolgonderzoek zal ik per kwartaal openbaar maken.

Indien er wel aantoonbaar sprake is van waardedaling als gevolg van gaswinning en aardbevingen, komt dit onder nader te bepalen voorwaarden in aanmerking voor schadeloosstelling. Met de NAM zal ik afspraken maken om tot een schadevergoedingsregeling te komen. Over de contouren van deze regeling zal ik u tegelijkertijd met de uitkomsten van de overige onderzoeken einde van het jaar informeren.

Onderzoek 11: Evaluatie schadeafhandeling

In mijn brief van 3 jl. heb ik al aangegeven dat de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) van mening is dat de NAM het schadeafhandelingsproces het afgelopen jaar al aanzienlijk verbeterd heeft, dat dit proces nu adequaat is, en dat in het algemeen de schades op een juiste en correcte wijze afgehandeld worden. De Tcbb geeft aan dat op een aantal punten ruimte is voor verdere verbeteringen.

Ik heb de Tcbb gevraagd om het proces schadeafhandeling periodiek te blijven monitoren en daarnaast mee te kijken met de opzet en uitvoering van het preventief versterken van huizen.

Sinds 17 april 2013 is een centraal punt ingericht voor de afhandeling van individuele klachten over lopende procedures rond schadeafhandeling. Het meldpunt wordt aangestuurd door een onafhankelijk raadsman, de heer mr. Leendert Klaassen. Uit zijn eerste rapportage blijkt dat het aantal meldingen over concrete problemen bij de schadeafhandeling tot dusver relatief gering is (31), zeker wanneer deze worden afgezet tegen het grote aantal schademeldingen (8.850 per medio augustus). Dit neemt niet weg dat de impact van de gesignaleerde problemen op de persoonlijke levenssfeer van de individuele klagers vaak zeer aanzienlijk is. Inmiddels zijn van deze 31 klachten 15 afgehandeld in die zin dat overeenstemming is bereikt tussen de klagers en de NAM over het schadebedrag en de verdere uitvoering van het herstel. Er zijn nog 16 schadegevallen in behandeling.

Door het grote aantal schademeldingen duurt het soms lang voordat de schade is afgehandeld en voor de betrokkenen is de procedure niet altijd transparant. In dit verband wordt door de onafhankelijk raadsman gepleit voor het opzetten van een digitaal persoonlijk volgsysteem voor de betrokkenen door de NAM, een aanbeveling die ook wordt gedaan door de Tcbb. Ik ben hierover met de NAM in overleg getreden en inmiddels is mij toegezegd dat zo’n systeem begin 2014 gereed en operationeel zal zijn.

Publicatie

De in de brief genoemde rapporten zal ik via www.rijksoverheid.nl beschikbaar stellen, zodat een maximale transparantie is gewaarborgd. Ik zal hetzelfde doen met de rapporten van de vervolgonderzoeken. Desgewenst zal er vanuit mijn ministerie, met ondersteuning van de onderzoekers, in de regio een toelichting op de rapporten worden gegeven.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Kamerstuk 33 529, nr. 22

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer