Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533529 nr. 174

33 529 Gaswinning Groningen-veld

Nr. 174 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 juni 2015

Het kabinet heeft besloten om de gaswinning voor 2015 terug te brengen tot 30 miljard m3. In de eerste helft van 2015 heeft NAM op mijn verzoek de winning beperkt tot 16,5 miljard m3 gas. Dit is ook wat er in de tweede helft van het jaar nodig zou zijn om de leveringszekerheid te waarborgen. De landelijk gasnetbeheerder, Gas Transport Services, heeft immers aangegeven dat uit oogpunt van leveringszekerheid in een koud jaar een volume van 33 miljard m3 gaswinning uit het Groningenveld noodzakelijk is (zie bijlage 2, Kamerstuk 33 529, nr. 96). Aangezien de gasopslag Norg aan het eind van 2014 is uitgebreid en daardoor een tijd buiten gebruik is geweest wegens werkzaamheden, is er de eenmalige mogelijkheid om 3 miljard m3 meer gas uit Norg te betrekken, waardoor voor de winning uit het Groningenveld in de tweede helft van 2015 kan worden volstaan met 13,5 miljard m3 gas.

Dit zal worden vastgelegd via een wijziging van het thans geldende instemmingsbesluit. Daarbij wordt, gelet op de situatie met betrekking tot Norg, de winning voor geheel 2015 vastgesteld op het minimale niveau van gaswinning waarmee de leveringszekerheid in dit jaar is geborgd: 30 miljard m3. Dit is exclusief de buffer van 2 miljard m3 buffer die daarbovenop nodig is om de leveringszekerheid te borgen ingeval van technische problemen. Deze buffer zal alleen worden ingezet indien dergelijke problemen zich daadwerkelijk voordoen.

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) adviseert om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel als realistisch mogelijk terug te brengen. SodM merkt daarbij op niet scherp te kunnen aangeven bij welke combinatie van jaarproductie, productieverdeling en gebouwenversterking het omslagpunt ligt naar een acceptabel veiligheidsniveau. Ook kan SodM niet aangeven welk productieniveau nodig is uit oogpunt van leveringszekerheid. Zoals ik uw Kamer al met mijn brief van 9 februari 2015 (Kamerstuk 33 529, nr. 96) liet weten, onderzoekt het kabinet de mogelijkheid om de gaswinning verder terug te brengen door een fundamenteel andere benadering van de gaslevering. Het onderzoek en de voorbereiding voor de besluitvorming hierover eind 2015 zijn in volle gang. Voor deze besluitvorming is ook het op 23 juni jl. ontvangen advies van de adviescommissie Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen (commissie Meijdam) van belang. Dat geldt ook voor het lopende onderzoek naar combinatie(s) van gaswinningsniveau en programma van preventieve versterking van gebouwen waarbij de veiligheidsrisico’s maatschappelijk aanvaardbaar zijn en voor de nog volgende adviezen van SodM.

De zorgen van de inwoners van Groningen over hun veiligheid, hun woning en hun leefomgeving beheersen hun dagelijks leven. Het kabinet heeft daarom veel in gang gezet om de gevolgen van de aardbevingen te ondervangen, de schade te herstellen, gebouwen en infrastructuur te versterken en het economisch potentieel van de regio te vergroten. De aanstelling van de heer Alders als Nationaal Coördinator Groningen (NCG) is daarvoor van belang, evenals de start van de overheidsdienst Groningen. Met de ingestelde publieke regie kan het tempo worden verhoogd bij het bouwen aan de veiligheid en leefbaarheid in Groningen en wordt er een herkenbare organisatie in de regio opgebouwd die de burgers centraal stelt. Terwijl de overheidsdienst verder wordt opgebouwd wordt al gewerkt aan belangrijke verbeteringen, onder andere de afhandeling van de complexe schades, geschillenbeslechting en het betrekken van de bewoners bij te nemen besluiten.

In deze brief ga ik nader in op de adviezen van SodM en de commissie Meijdam, op het besluit van het kabinet, op de voorziene activiteiten van de NCG en op de stand van zaken rond de versterkingsopgave. De adviezen van SodM en de commissie Meijdam, alsmede de wijziging van het instemmingsbesluit op het winningsplan, zijn bijgevoegd1.

Gaswinning 2015: advies SodM en wijziging instemmingsbesluit

In mijn brief van 9 februari jl. heb ik aangegeven dat het kabinet uiterlijk 1 juli een definitief besluit neemt over de toegestane gaswinning uit het Groningenveld in het kalenderjaar 2015. Daarbij zijn twee opties aangegeven: (1) handhaving van het niveau van gaswinning op het eerder vastgestelde niveau van 39,4 miljard m3 en (2) reductie tot het minimumniveau dat voor de leveringszekerheid in een koud jaar noodzakelijk is, te weten 33 miljard m3 plus een reserve van 2 miljard m3 voor technische eventualiteiten. Om dit besluit te kunnen nemen heb ik NAM gevraagd om in de risicokaarten ook in beeld te brengen wat een verlaging van de gaswinning tot 33 + 2 miljard m3 zou betekenen voor het risico op aardbevingen en de gevolgen daarvan. Vervolgens heeft SodM mij hieromtrent desgevraagd een nader advies gegeven.

De kern van het advies van SodM is om de winning zo snel als realistisch mogelijk is terug te brengen en wel zodanig dat de risico’s voldoen aan de vast te stellen norm voor het plaatsgebonden risico van geïnduceerde aardbevingen. Ook komt SodM tot de conclusie dat alleen een niveau dat aanmerkelijk lager ligt dan 33 miljard m3 per jaar, in combinatie met versterking van gebouwen, leidt tot een substantiële verdere verlaging van het seismisch risico.

SodM merkt daarbij het volgende op:

  • Doordat een geaccepteerde veiligheidsnorm nog ontbreekt en door de aanzienlijke onzekerheden in de gegevens die ten grondslag liggen aan de risicoberekeningen kan SodM niet scherp aangeven bij welke combinatie van jaarproductie, productieverdeling en gebouwenversterking het omslagpunt ligt naar een acceptabel veiligheidsniveau. Om dat omslagpunt te bepalen is nader onderzoek nodig;

  • Er is tevens nader onderzoek nodig naar de mate waarin een niet-gelijkmatige winning effect heeft op de seismiciteit;

  • SodM kan niet aangeven welk productieniveau nodig is uit oogpunt van leveringszekerheid. Ook kan SodM niet aangeven welke technische maatregelen (stikstofinstallaties, gasopslagen, etc.) nodig zijn om een bepaald winningsniveau te handhaven en op welke termijn die beschikbaar kunnen zijn.

Specifiek voor 2015 adviseert SodM om de gaswinning in het tweede halfjaar niet hoger te laten zijn dan in het eerste halfjaar en de verdeling over de verschillende regio’s (Loppersum, Eemskanaal, Zuidwest en Oost), met inachtneming van de huidige winningplafonds, zodanig te laten zijn dat het seismisch risico wordt geminimaliseerd.

Het kabinet neemt dit advies over, zowel voor wat betreft de gaswinning in 2015 als voor wat betreft de noodzakelijke acties in de tweede helft van 2015 om te komen tot een verantwoord besluit voor de jaren hierna.

Verder heb ik in het kader van de besluitvorming over de gaswinning uit Groningen de beheerder van het landelijk gastransportnet, Gasunie Transport Services (GTS), gevraagd of haar conclusies op basis van onderzoek 7 (Kamerstuk 33 529, nr. 28, onderzoek 7) nog zijn aangepast sinds februari jl. Dat is niet het geval. GTS geeft aan dat de conclusies uit het advies van oktober 2013 nog steeds gelden. Uit het oogpunt van leveringszekerheid is in een koud jaar een volume van 33 miljard m3 gaswinning uit het Groningenveld plus een reserve van 2 miljard m3 ingeval van technische problemen noodzakelijk (zie bijlage 2 bij mijn brief van 9 februari jl.). Daarbij heeft GTS aangegeven dat de 2 miljard m3 buffer noodzakelijk is voor de volgende situaties:

  • uitval van stikstofinstallaties en mengstations;

  • opvang van problemen voor het geval dat er hoogcalorisch gas wordt ingevoed dat niet kan worden geconverteerd;

  • onvoorziene transportbeperkingen in het GTS-systeem.

Op basis van de adviezen van SodM en GTS is het kabinet bij de vaststelling van de omvang van de toegestane gaswinning uit het Groningenveld in 2015 uitgegaan van het voornoemde niveau van 33 miljard m3 met een buffer van 2 miljard m3 voor het geval dat zich technische problemen voordoen.

NAM heeft mij geïnformeerd dat in 2015 uit de gasopslag Norg eenmalig 3 miljard m3 meer gas kan worden onttrokken dan dat er moet worden geïnjecteerd, waardoor er van buiten het Groningenveld eenmalig 3 miljard m3 gas van Groningenkwaliteit extra beschikbaar is om te voorzien in de vraag. De reden hiervoor is dat de gasopslag Norg vorig jaar is uitgebreid waarbij deze tijdens de werkzaamheden, die duurden tot ver in het vierde kwartaal, niet kon worden gebruikt en er daarom in dat kwartaal bijna geen gas is uitgehaald. Daardoor kan er in 2015 meer gas aan Norg worden onttrokken dan er in de periode april tot en met september hoeft te worden geïnjecteerd om de opslag tijdig voor de winter 2015/2016 weer gevuld te krijgen. De 3 miljard m3 die eenmalig meer uit Norg kan worden gehaald wordt rechtstreeks vertaald naar minder winning uit het Groningenveld. Dit betekent dat over geheel 2015 kan worden volstaan met een gaswinning uit het Groningenveld van 30 miljard m3 en dat in de tweede helft van 2015 kan worden volstaan met een te winnen hoeveelheid van 13,5 miljard m3. Dit alles exclusief de buffer van 2 miljard m3 die eventueel noodzakelijk is ingeval van eventuele technische problemen, mag worden geproduceerd uit het Groningenveld.

Dit alles wordt vastgelegd in een wijziging van het instemmingsbesluit, waarbij voor wat betreft de buffer van 2 miljard m3 wordt opgenomen dat deze alleen mag worden ingezet op aanwijzing van GTS en dat NAM en GTS dit apart dienen te administreren.

In lijn met het advies van SodM zullen verder de bestaande deelbeperkingen op groepen van clusters op het Groningenveld worden gehandhaafd. In het wijzigingsbesluit wordt opgenomen dat NAM de voor de tweede helft van 2015 en het gasjaar 2015/2016 toegestane winning zodanig over de diverse delen van het veld dient te verdelen dat het seismisch risico wordt geminimaliseerd. NAM zal hierover uiterlijk op 15 augustus 2015 een rapport moeten inleveren bij SodM.

Het belang van de veiligheid van de burgers in Groningen weegt zwaar in de wijziging van het instemmingsbesluit, evenals dat van de leveringszekerheid van alle afnemers van Groningengas. De motie van de leden Bosman en Jan Vos (Kamerstuk 33 529, nr. 104) roept op om de maatschappelijke effecten mee te wegen in de besluitvorming op een vergelijkbare manier als in een maatschappelijke kosten en baten analyse. Dit voorjaar is gestart met een studie om een beter beeld te krijgen van de maatschappelijke kosten en baten van de gaswinning. Daarbij wordt aan de hand van drie alternatieven in de omvang en duur van de versterkingsopgave, berekend wat de mogelijke effecten zijn op thema’s als leefbaarheid, veiligheid en werkgelegenheid. Ook tijdelijke en structurele effecten zullen hierin worden verwerkt. Het kabinet vindt het belangrijk om een grondige studie naar de maatschappelijke effecten van de gaswinning voor de bewoners in Groningen en de rest van Nederland te doen. Daar hoort ook het betrekken van stakeholders bij. De rest van het jaar is nodig om deze studie af te ronden. Het kabinet zal de uitkomsten meewegen in het eind 2015 te nemen besluit en uw Kamer hierover informeren.

Financieel geldt dat het verlagen van het niveau van de gaswinning uiteraard ook gevolgen heeft voor de inkomsten van de staat. Voor 2015 zullen de aardgasbaten teruglopen van € 8,9 miljard tot ca. € 7,7 miljard. Hierbij geldt overigens dat de omvang van de aardgasbaten wordt bepaald door de hoeveelheid gas die wordt verkocht en niet door de hoeveelheid die wordt gewonnen. Met de winning van 13,5 miljard m3 in de tweede helft van 2015 gas en de eenmalige 3 miljard m3 uit Norg zal er dit jaar 33 miljard m3 worden verkocht. Daarbij geldt verder dat het Centraal Planbureau in haar meest recente macro-economische verkenning heeft aangegeven dat een verlaging van het niveau van de gaswinning van 39,4 tot 35 miljard m3 kan leiden tot een 0,1–0,2%-punt lagere groei van het bruto binnenlands product (bbp). De verdere verlaging van de gaswinning waarvoor het kabinet voor 2015 kiest heeft een navenant groter effect op de bbp-groei.

Advies commissie Meijdam

Op basis van het aanvullend bestuursakkoord van 9 februari 2015 heb ik de commissie Meijdam ingesteld. Deze commissie adviseert mij over de te hanteren normen voor aardbevingen als gevolg van de gaswinning in Groningen, over toepasselijk risicobeleid, over alternatieve benaderingen van preventieve versterking en over het omgaan met veiligheidsrisico’s van geïnduceerde aardbevingen. Op 23 juni 2015 heb ik het eerste en voorlopige advies van de commissie ontvangen. Dit advies is toegespitst op de onderzoeksvragen die betrekking hebben op de risico’s van de aardbevingen als gevolg van de gaswinning en op een veiligheidsnorm voor aardbevingen als gevolg van de gaswinning.

De commissie heeft nu met name gekeken naar de vraag wat een acceptabel risiconiveau is voor de (Groningse) samenleving. De commissie concludeert dat de veiligheidsnorm in Groningen dezelfde moet zijn als in de rest van Nederland. Dit betekent bijvoorbeeld dat het risico van instorting van een woning als gevolg van een aardbeving niet hoger mag zijn dan het risico van instorting dat inwoners van ons land lopen ten gevolge van bijvoorbeeld een storm. De commissie adviseert in Groningen aan te sluiten bij de algemeen in Nederland gehanteerde norm, te weten een individueel risico (kans op overlijden) dat bewoners lopen in nieuwbouw van 1 op de 100.000 jaar (10-5) en in bestaande bouw van 1 op de 10.000 jaar (10-4). Dit advies sluit aan bij het advies van de stuurgroep NPR, die een zelfde norm hanteert in de risicobeoordelingen, zoals die momenteel worden uitgevoerd.

De commissie concludeert dat de huidige technisch-modelmatige berekeningen nog de nodige onzekerheden kennen en onderstreept het belang van het benutten van feitelijke metingen aan het oppervlak om te komen tot een zo realistisch mogelijk scenario van de grondbeweging. Ik zal de commissie vragen om dit advies breder nationaal en internationaal te toetsen en op basis daarvan in overleg te treden met zowel SodM als NAM en te bezien of en zo ja, op welke wijze de onzekerheden kunnen worden teruggebracht en een zo realistisch mogelijk scenario kan worden uitgewerkt.

Gedurende de tweede helft van 2015 zal de commissie haar advies verder uitwerken en de nog openstaande vragen over alternatieve benaderingen van preventieve versterking van gebouwen en over het omgaan met veiligheidsrisico’s van geïnduceerde aardbevingen beantwoorden.

Voorbereiding besluitvorming 2016: advies en onderzoek

Bij de besluitvorming ten aanzien van de gaswinning staat de veiligheid van de inwoners van de provincie Groningen voorop. In lijn met het besluit over 2015 ga ik voor het gasjaar 2015/2016 voorlopig uit van het niveau dat noodzakelijk is voor de leveringszekerheid, waarbij ik echter bezie of een lager niveau van gaswinning mogelijk is. Daartoe loopt inmiddels een tweetal onderzoeken. Om tot goede besluitvorming te komen over de gaswinning voor 2016 is daarbij nadere advisering door SodM noodzakelijk. Ook het advies van de commissie Meijdam is hierbij van belang.

SodM heeft geadviseerd de gaswinning verder terug te brengen, omdat daarmee de kans op aardbevingen wordt verkleind. SodM geeft daarbij aan dat er aanvullend onderzoek nodig is naar de effecten van productiefluctuaties op de seismiciteit en naar combinaties van productie, productieverdeling en preventieve versterking waardoor een veiligheidsniveau wordt bereikt dat voldoet aan de risiconorm. Om tot winning tegen aanvaardbare risico’s te komen, is het dus belangrijk dat er een geaccepteerde risiconorm komt. De commissie Meijdam adviseert hierover. Tegen deze achtergrond wordt er langs twee sporen onderzoek gedaan dat van belang is voor het niveau van gaswinning in de jaren 2016 en verder.

I. Onderzoek naar verantwoord niveau van gaswinning

In het kader van de actualisatie van het Groningen Winningsplan (voorzien voor medio 2016) is reeds twee jaar geleden een onderzoek geïnitieerd door NAM onder begeleiding van een wetenschappelijke adviescommissie en dat zal worden beoordeeld door SodM. Daarin wordt onderzocht bij welke toekomstige combinatie(s) van gaswinningsniveau en programma van preventieve versterking de veiligheidsrisico’s maatschappelijk aanvaardbaar zijn. In dit scenario wordt de nader te bepalen risiconorm als uitgangspunt genomen en wordt een winningsbeleid geformuleerd gekoppeld aan het preventief versterken van huizen om binnen de desbetreffende norm te komen en te blijven. Het is nog niet bekend tot welk winningsniveau dit scenario zal leiden. Opgemerkt moet worden dat indien dit winningsniveau onder de 33 miljard m3 ligt, dit in koude jaren niet voldoende zal zijn voor de leveringszekerheid. Dan zal er alsnog meer gas moeten worden gewonnen in een jaar dan het op basis van dit onderzoek vastgestelde winningsniveau. Over de beoordeling van dit onderzoek zal SodM – ook op basis van onderzoek dat zij zelf laat doen – voor 1 december aan mij rapporteren, zodat het kabinet dit mee kan nemen in haar besluit voor 2016.

II. Onderzoek naar omkering van het gassysteem

In het tweede onderzoek, dat is aangekondigd in mijn brief van 9 februari jl., worden, met medewerking van ACM, GasTerra, GTS en NAM, de mogelijkheden onderzocht voor en de effecten van een andere benadering van de gaswinning. Momenteel is het uitgangspunt een met het instemmingsbesluit op het winningsplan gemaximeerde winning van Groningengas, aangevuld met hoogcalorisch gas dat door toevoeging van stikstof wordt geconverteerd tot laagcalorisch gas tot een niveau waarmee aan de vraag naar laagcalorisch gas wordt voldaan. Een alternatief zou kunnen zijn dat uitgegaan wordt van een maximale inzet van geconverteerd hoogcalorisch gas, aan te vullen met Groningengas. Dat zou gepaard kunnen gaan met een lager niveau van gaswinning, maar de hoeveelheid te winnen gas zou dan meer dan nu fluctueren over de jaren en door het jaar heen, waardoor het winningsprofiel zal wijzigen van tamelijk vlak naar variabel met flinke pieken. Er ontstaat dan een temperatuurafhankelijke winning die kan variëren tussen de 21 en 33 miljard m3.

Ik heb SodM en NAM gevraagd inzichtelijk te maken wat de verwachte effecten op de seismiciteit zijn van een vermindering van de gewonnen hoeveelheid, gekoppeld aan een sterk variabel winningsprofiel. In het onderzoek zal nader worden onderzocht wat de effecten van dit omgekeerde systeem zouden zijn op het fysiek functioneren van het systeem en de werking van de gasmarkt en tevens wat de consequenties zouden zijn van een grotere afhankelijkheid van geïmporteerd gas. Bovendien zal worden onderzocht of het systeem binnen de huidige wettelijke kaders kan worden ingericht of dat wetswijziging noodzakelijk is. Dit najaar zullen de voorlopige conclusies breed worden geconsulteerd en na verwerking worden gevalideerd, zodat het kabinet dit mee kan wegen in haar besluit.

Nationaal Coördinator Groningen en versterkingsopgave

Op 1 juni jl. is de heer Alders van start gegaan als Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Hij heeft als opdracht de komende vijf jaar te bouwen aan de veiligheid en leefbaarheid in de regio. De NCG richt zich de komende periode op het voeren van een maatschappelijke dialoog en het creëren van verbinding met en tussen de overheden, waarmee een goede en gedragen besluitvorming tot stand komt. Het is belangrijk dat hij een verbindende rol gaat spelen tussen regio en Rijk en daarmee zorgdraagt voor een meerjarenprogramma dat voldoende draagvlak heeft en dat hij eind dit jaar zal presenteren. In voorbereiding op de vormgeving van het meerjarenprogramma worden de komende periode alle bestuurlijke en maatschappelijke partijen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze en bijdrage aan het programma in te dienen. Ook zijn meerdere verkenningsopdrachten in gang gezet die een bijdrage zullen leveren aan de uitvoering van het programma. Daartoe behoren ook de verbetering van de afhandeling van complexe schade en geschillenbeslechting.

Ten aanzien van de inrichting van de overheidsdienst is de huisvesting in Groningen inmiddels rond en worden de komende maanden stappen gezet met betrekking tot de personele invulling.

Versterkingsopgave

Op 21 mei 2015 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de preventieve versterkingsopgave (Kamerstuk 33 529, nr. 172). In aanvulling op deze brief kan ik de volgende ontwikkelingen melden.

Voortgang versterkingsopgave

Sinds 2015 wordt hard gewerkt aan de versterkingsopgave in de regio. Conform de motie Van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 89) wordt gekeken of het versterken samen kan gaan met het verduurzamen van de woningen. Daartoe is tussen NAM en zeven woningcorporaties afgesproken om in een eerste fase te starten met de versterking en verduurzaming van 150 woningen en een vervolgfase met 1500 woningen. Hierbij worden lessen van de systematiek van Stroomversnelling meegenomen en is de ambitie om op hetzelfde verduurzamingsniveau te komen als «Nul op de meter». Het Centrum Veilig Wonen (CVW) is als uitvoeringsinstantie begin juni gestart met de uitvoering hiervan bij de eerste 150 woningen en heeft de volledige uitvoeringscapaciteit klaar staan voor de vervolgoperatie bij 1.500 woningen die binnen enkele weken zal starten.

Voorts is het bouwgebrek aan 231 zogenaamde «Jarino-woningen» hersteld en is het CVW in gesprek met bewoners van 43 woningen in Loppersum om nieuwbouw te plegen. Deze nieuwbouwwoningen worden in 2016 opgeleverd.

Ten aanzien van de versterking van monumentale gebouwen wordt conform de motie van het lid Dik-Faber (Christen Unie; Kamerstuk 33 529, nr. 107) in het kader van de verkenningsopdrachten gestart met de uitwerking van een aanpak voor cultureel erfgoed, waarbij onder meer inzicht moet komen in de totale opgave van herstel en versterking van monumenten.

Verder is een uitgebreid inspectieprogramma gestart naar de sterkte van scholen. Als uit onderzoek blijkt dat verbeteringen of versterkingen nodig zijn, dan wordt dat direct aangepakt. In dat kader is een tijdelijke school in Loppersum al opgeleverd, waardoor de bestaande school kan worden versterkt zonder dat leerlingen daarvan hinder ondervinden. Naast de schoolinspecties wordt nu ook gestart met een inventarisatie van de zorgsector. Hierbij wordt onder meer gekeken naar ouderenhuisvesting en ziekenhuizen.

Ik heb het CVW gevraagd om elk kwartaal met een rapportage te komen. Ik verwacht dat ik uw Kamer de eerstvolgende rapportage na het zomerreces kan toesturen.

Stad Groningen

In februari van dit jaar zijn voor de periode tot 1 oktober 2015 met de gemeente Groningen afspraken gemaakt over de programmatische aanpak van het veiliger maken van woningen en gebouwen in de stad. Als eerste uitwerking hiervan zijn er voor de periode tot 1 oktober 2015 (of zoveel langer als nodig) afspraken gemaakt tussen de stad Groningen, NAM en mijn ministerie over een vergoeding van de meerkosten voor aardbevingsbestendig bouwen. Centraal staat het principe dat alle redelijkerwijs toerekenbare meerkosten die voor nieuwbouwprojecten (woningbouw en utiliteitsbouw) zijn of moeten worden gemaakt om te voldoen aan de voorlopige richtlijn voor aardbevingsbestendig bouwen (NPR-9998), voor vergoeding in aanmerking komen. Beoogd wordt om voor 1 oktober 2015 een nieuwe regeling te hebben ontwikkeld, zoals afgesproken in het aanvullend bestuursakkoord van februari jl. Om vertraging bij bouwprojecten zoveel mogelijk te beperken zijn er reeds circa 30 projecten in behandeling genomen door NAM. Het betreft projecten die zich vanuit de markt hebben aangediend in uiteenlopende fases van het bouw- en ontwikkelproces. Validatie en beoordeling van de dossiers vindt plaats in directe gesprekken tussen NAM en de desbetreffende opdrachtgevers.

Nederlandse Praktijk Richtlijn

Het lid Van Tongeren (GroenLinks) heeft tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 26 mei jl. gevraagd of de datum waarop de bouwnorm voor aardbevingsbestendig bouwen gereed is naar voren gebracht kan worden (Handelingen II 2014/15, nr. 87, item 6). Momenteel werkt de NEN-commissie, die verantwoordelijk is voor het opstellen van de norm (titel: Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR) 9998), aan een zogeheten «witte versie». Deze zal in september gereed zijn voor besluitvorming. De commissie Meijdam zal hier vervolgens een advies over uitbrengen. Het opstellen van dat advies kost circa twee maanden. Ten slotte dient de NPR nog te worden vastgesteld en te worden opgenomen in de bouwregelgeving. Naar verwachting is de bouwnorm aan het eind van dit jaar in de wetgeving opgenomen. Dit laat onverlet dat er wel al eerder met de norm kan worden gewerkt. Zo kan op dit moment al worden gebruik gemaakt van de «groene versie» en zodra het advies van de commissie Meijdam is verwerkt met de volgende versie van de NPR, de zogenaamde «witte versie».

Industriële installaties

Op 22 mei jl. heb ik schriftelijke Kamervragen over Chemiepark Delfzijl beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 2327) met een uiteenzetting over de aanpak van onderzoeken naar aardbevingsbestendigheid van industriële installaties. In aanvulling daarop kan ik het volgende melden.

Er bestaat geen norm voor aardbevingsbestendigheid van industriële installaties. Installaties zijn niet specifiek ontworpen en gebouwd om aardbevingen te weerstaan. Dat hoeft echter niet te betekenen dat de installaties daar onvoldoende tegen bestand zijn. Zo hebben bedrijven op het Chemiepark Delfzijl nog nooit enige hinder of schade ondervonden van aardschokken. Toch is het uiteraard verstandig om te onderzoeken of de sterkte van industriële installaties van de risicovolle industrie voldoende is om bestand te zijn tegen aardbevingen die zich in Groningen kunnen voordoen. Aangezien het rekening houden met aardbevingen een nieuw verschijnsel is voor Nederland moest er eerst een methode en een aanpak worden ontwikkeld om aardbevingsbestendigheid van kritische installaties te beoordelen. Deze methode is met name gericht op zwaardere bevingen die op langere termijn zouden kunnen plaatsvinden. De stand van zaken is als volgt. Fase 1 behelst een kwalitatieve beoordeling van risico’s en prioritering van verder onderzoek. Dit onderzoek loopt bij twaalf bedrijven en is inmiddels is afgerond bij drie bedrijven (waarvan één die valt onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO)). Onderzoeksvoorstellen van vijf bedrijven (waarvan één BRZO) zijn in behandeling en aanvragen zijn in voorbereiding bij zeven BRZO-bedrijven. Fase 2 behelst metingen en constructieve berekeningen voor bepaling van faalsterkte en faalkans; deze onderzoeken lopen bij twee BRZO-bedrijven. In fase 3 worden versterkingsmaatregelen en mitigerende maatregelen uitgevoerd. Een aantal BRZO-bedrijven is met NAM in overleg over de meerkosten van versterkingsmaatregelen voor het aardbevingsbestendig maken van hun bedrijfsuitbreiding.

De werkgroep onder leiding van Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta (SBE) heeft op mijn verzoek inmiddels nog meer vaart en focus in dit proces gebracht. Bijvoorbeeld door een complete lijst met Groningse BRZO-bedrijven op te stellen op volgorde van potentieel risico en volgens die lijst de verdere onderzoeken op te starten. SBE heeft de provincie Groningen bereid gevonden om de niet-SBE leden aan te sporen om aan de onderzoeken mee te doen. Daarmee wordt in belangrijke mate invulling gegeven aan het advies van SodM om inrichtingen die vallen onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen hun bestaande kwantitatieve risicoanalyses te laten uitbreiden met scenario’s voor aardbevingen en faalkansen van insluitsystemen onder aardbevingen.

De grootste potentiële risico’s op het Chemiepark Delfzijl gaan uit van de chloorleidingen en chlooropslag van AkzoNobel. Het bedrijf heeft mij verzekerd dat deze chloorinsluitingen afdoende bestand zijn tegen de huidige seismische dreiging en dat onderzoek naar mogelijke aanpassingen in het bedrijfsproces, om eventuele risico's verder te verlagen, binnenkort wordt afgerond.

Ik zal waar mogelijk bijdragen aan verdere versnelling van de lopende onderzoeken. Daarbij sluit ik aan bij de aanbeveling van de commissie Meijdam om een pragmatische en realistische aanpak te hanteren voor dergelijke bijzondere risico’s. Daar hoort wat mij betreft bij het delen van goede praktijken met mitigerende maatregelen en het betrekken van buitenlandse expertise. Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de voornoemde schriftelijke vragen heb ik ook de Nationaal Coördinator Groningen gevraagd om met betrokken partijen te bespreken of, en zo ja hoe het onderzoeksproces versneld kan worden. Hij heeft hierover inmiddels de eerste gesprekken gevoerd.

Tot slot

Maandag jl. heb ik de kaders die het kabinet heeft gehanteerd bij haar besluitvorming gepresenteerd in Groningen tijdens bijeenkomsten met achtereenvolgens bestuurders en de Dialoogtafel. Daarbij waren vertegenwoordigers van NAM, SodM en de commissie Meijdam aanwezig. Zij hebben daar hun werkzaamheden van de afgelopen periode toegelicht, waarna er de gelegenheid bestond voor de aanwezigen om vragen te stellen en hun eerste opvattingen kenbaar te maken.

Met het verder terugbrengen van de gaswinning uit het Groningenveld en de voortgang van de maatregelen en acties voor het gebied heeft het kabinet stappen gezet naar een veilige en prettige woon-, leef- en werkomgeving voor de inwoners van Groningen. Het kabinet blijft zich er onverminderd voor inzetten om recht te doen aan de zorgen en problemen die in Groningen spelen. Ook het komende halfjaar zullen daarom de gevolgen van de gaswinning in Groningen hoog op de agenda van het kabinet staan om eind 2015 tot een goed besluit te kunnen komen over de gaswinning in 2016 en de jaren daarna. Daartoe loopt inmiddels een tweetal onderzoeken naar respectievelijk een verantwoord niveau van gaswinning en omkering van het systeem van gaslevering. Parallel daaraan werkt het kabinet aan tastbare verbeteringen in de huizen, straten en dorpen in Groningen. De NCG speelt hierbij een belangrijke rol. Het belang van de inwoners van Groningen staat bij dit alles centraal.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.