Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2013-2014 | 33519 nr. G |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2013-2014 | 33519 nr. G |
Vastgesteld 10 december 2013
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben in hun vergaderingen van 19 en 26 november 2013 beraadslaagd over het ontwerpbesluit experiment collegegelddifferentiatie bij honours tracks. Dit heeft bij een aantal fracties aanleiding gegeven tot een aantal opmerkingen en een aantal vragen, welke zijn opgenomen in de brief aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 november 2013.
De minister heeft op 6 december 2013 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Bergman
BRIEF AAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Den Haag, 29 november 2013
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben in hun vergaderingen van 19 en 26 november 2013 beraadslaagd over het ontwerpbesluit experiment collegegelddifferentiatie bij honours tracks. Dit heeft bij een aantal fracties aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Algemeen
De leden van de PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van het ontwerpbesluit collegegelddifferentiatie bij honours tracks. Net als de regering vinden zij die in algemene zin onwenselijk, omdat de honours tracks voor alle studenten toegankelijk zouden moeten zijn, zoals de minister heeft opgemerkt tijdens het debat in juli van dit jaar in deze Kamer over de Wet Kwaliteit in verscheidenheid. Naar aanleiding van signalen vanuit de VSNU heeft de minister niettemin besloten tot een experiment op kleine schaal te willen overgaan, omdat op dit moment nog weinig bekend is over de mogelijke gevolgen voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van de honours tracks. Uitdrukkelijk stelde de minister in het debat dat zij wil experimenteren om op een gegeven moment ook nee te kunnen zeggen.
De leden van de PvdA-fractie zien weinig in een collegegelddifferentiatie bij honours tracks, maar willen zich in beginsel niet verzetten tegen een kleinschalig experiment. Het extra financieel belasten van goede studenten van een opleiding die een tandje willen bijzetten, komt hen vreemd voor. Maar zoals gesteld – zij willen zich niet a priori afsluiten van extra informatie die op basis van een beperkt experiment kan worden verkregen. Zij hebben bij dit ontwerp van de experimenteer-AMvB echter wel enkele vragen. De leden van de GroenLinks-fractie sluiten zich bij deze vragen aan.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben met interesse en zorg kennisgenomen van het voorgenomen besluit experiment collegegelddifferentiatie bij honours tracks, omdat zij de toegankelijkheid van het hoger onderwijs een wezenlijk publiek goed achten. Zij hebben daarom nog een aantal vragen. De leden van de fracties van de PvdA en SP sluiten zich bij deze vragen van de fractie van GroenLinks aan.
Aanleiding voor het experiment
Deze leden van de GroenLinks-fractie begrijpen uit de nota van toelichting dat het voorgenomen besluit aansluit bij de Strategische Agenda «Kwaliteit in verscheidenheid». Zij vragen de minister of zij met hen van mening is dat aangezien de Strategische Agenda niet door deze Kamer is goedgekeurd, deze derhalve geen eigenstandige argumentatie kan zijn voor het experiment.
Kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid
De leden van de PvdA-fractie lezen op bladzijde 5 in de nota van toelichting: «De toegankelijkheid van opleidingen kan door dit experiment in beginsel dus niet in gevaar komen. De student kan naast de honours track immers nog altijd de ««gewone» opleiding volgen». Zij vragen de regering waarom hier staat «in beginsel»? Betekent dit dat er omstandigheden kunnen zijn waardoor de toegankelijkheid van opleidingen door het experiment wel in gevaar kunnen komen? In de tweede aangehaalde zin staat dat de student «naast» de honours track nog altijd de gewone opleiding «kan» volgen. Maar, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, een honours track is volgens art 7.9b WHW toch altijd een traject «binnen» een reguliere opleiding en niet een traject daar «naast»? Met andere woorden, de student die een honours track volgt, volgt ook altijd tegelijk de reguliere opleiding. Kan de regering dit bevestigen? En kan zij tevens bevestigen dat het
niet de bedoeling is van dit experiment om excellente studenten in die reguliere opleiding te isoleren van de overige studenten door hen een zogenaamde «reguliere» opleiding te bieden waarvan het vakkenpakket in de praktijk echter geheel of grotendeels ontoegankelijk is voor de overige studenten? Naar het oordeel van de eden van de PvdA-fractie moet een honours track als «iets extra’s» worden gezien voor goede studenten en niet als een vervanging van het onder wijs in de «gewone» opleiding.
In de nota van toelichting lezen de leden van de fractie van GroenLinks: «De regering is echter van oordeel dat studenten die over de kwaliteiten beschikken om een honours track te volgen, daartoe inde gelegenheid moeten worden gesteld.» Zij vragen op welke wijze een verhoging van het collegegeld bijdraagt aan het «in de gelegenheid stellen» van studenten. Is de minister met hen van mening dat op zichzelf genomen een verhoging van het collegegeld deze gelegenheid eerder vermindert?
De meest fundamentele vraag betreft de emancipatoire effecten van onderwijs. Deze leden vragen de minister of zij het juist vindt dat financiële argumenten de studiekeuze gaan bepalen. Ook willen zij weten wat de minister ervan vindt als de economische positie van het gezin van herkomst beslissend wordt voor de studiekeuze, Zij vragen of deze principiële nadruk op het emancipatoire belang van onderwijs niet in de weg staat aan het experimenteren met collegegelddifferentiatie omdat daarmee extra uitdagingen en excellentietrajecten vooral toegankelijk worden voor die studenten die geen moeite hebben met (maximaal) verdubbeling van het collegegeld.
Deze leden vragen aandacht voor de verhouding van kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid. Is de minister het met deze leden eens dat de verhoging van kwaliteit bij gelijkblijvende publieke betaalbaarheid per definitie tot gevolg heeft dat de toegankelijkheid vermindert? In dit licht vragen zij ook een oordeel van de minister over het beëindigen van de subsidiëring van honours tracks via het Siriusprogramma met als gevolg dat de financiering van excellentietrajecten nu van publiek naar privaat gaat. Wat is de principiële redenering achter deze verschuiving, zo vragen zij de regering.
Een andere fundamentele vraag betreft de verhouding tussen honours tracks en reguliere programma’s. Deelt de minister de opvatting van deze leden dat alle onderwijs excellent en uitdagend dient te zijn? Wat is dan de argumentatie dat bij honour track een hoger collegegeld zou mogen worden gevraagd om de meerkosten voor excellentie te dragen? Hoe voorkomt zij dat daarmee de reguliere programma’s suboptimaal zullen worden ingevuld?
Uitvoering van het experiment
De leden van de PvdA-fractie vragen aan de regering het kleinschalige karakter van dit experiment nader te omschrijven.
Ten aanzien van de uitvoering hebben de leden van de GroenLinks-fractie nog een reeks vragen. Hoeveel honours tracks bestaan er op dit moment in het hoger onderwijs? Welke belang stelling om aan het experiment deel te nemen verwacht de minister? Hoe definieert zij het begrip «grote belangstelling» in artikel 7.4 dat haar grond zou geven om de omvang te beperken? Blijven er voldoende honours tracks tegen wettelijk collegegeld beschikbaar? Worden unieke honours tracks uitgesloten van het experiment? Mag een specifieke instelling zowel in 2014 als 2015 honours tracks aanmelden voor het experiment of kan elke instelling slechts eenmaal toetreden?
Hoe hanteert het experiment honours tracks die interfacultair zijn georganiseerd? Is dan voor alle faculteiten waarvan studenten aan het honours track deelnemen de regeling van toepassing? Betekent dat niet dat de facto de hele universiteit onder het experiment kan vallen?
Hoe wordt bepaald of het hogere collegegeld een onevenredige belasting vormt voor studenten, mede in het licht van de uitleg in de nota van toelichting dat dispensatie alleen in bijzondere gevallen verleend dient te worden? Gelden hierbij de gebruikelijke criteria van het profileringsfonds? Betekent dit dat de minister ervan uitgaat dat feitelijk nauwelijks dispensatie zal worden verleend en dat dus deze bepalingen een wassen neus zijn?
De nota van toelichting meldt dat studenten extra collegegeldkrediet kunnen krijgen. Wordt in de evaluatie ook meegenomen wat daarvan de gevolgen zijn voor hun studieschuld en de beperkingen die die schuld met zich meebrengt voor het aangaan van een hypotheek of bedrijfslening?
In de nota van toelichting (punt 4) is sprake van criteria waaraan de aanvragen worden getoetst, waarbij wordt verwezen naar artikel 7. Klapt de interpretatie van deze leden dat artikel 7 alleen criteria voor weigering bevat en dat de minister dus alle aanvragen zal honoreren tenzij die strijdig zijn met artikel 7? Waarom heeft zij niet gekozen voor een mits-constructie met positieve criteria?
Wat wordt concreet bedoeld met artikel 7.5.b, waar gemeld wordt dat toestemming geweigerd kan worden indien het aannemelijk Is, dat deelname aan het experiment negatieve effecten heeft voor de opleiding waarvan de honours track deel uitmaakt? Waarom ontbreekt dit element bij de aspecten die in de aanvraag door het Instellingsbestuur aan de orde moeten komen (artikel 6.3)? Hoe bepaalt de minister wat aannemelijk is wanneer dit niet in de aanvraag geadresseerd is? Diezelfde vragen hebben deze leden ten aanzien van artikel 7.5.c. Hoe gaat de minister de «onaanvaardbare beperking van de toegankelijkheid» beoordelen?
Ten aanzien van de informatieverplichting aan studenten vragen deze leden of de termijnen niet te kort zijn. Zij begrijpen dat instellingen vóór 1 maart 2014 resp. 2015 aanvragen kunnen in dienen waarop een besluit van de minister volgt vóór 1 april 2014 resp. 2015. Zij vragen de minister of het dan realistisch is te veronderstellen dat de instellingen aanstaande studenten op tijd kunnen informeren, waar die zich vóór 1 mei moeten inschrijven. Is de minister met deze leden van mening dat die informatieperiode ten minste drie maanden zou moeten bedragen?
Evaluatie
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering voorts te bevestigen dat in de frase op pagina 8 in de nota van toelichting: «Het experiment kan als succesvol worden beschouwd... « niet gelezen mag worden dat een honours track succesvol is als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. Immers, succes van een honours track kan niet worden vastgesteld door de afwezigheid van negatieve effecten (zoals opgesomd onder a-d), maar alleen door het vaststellen van positieve effecten en die worden door dit experiment niet gemeten. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat zij op basis van een goed uitgevoerd experiment ook «nee» moet kunnen zeggen tegen het idee van collegegelddifferentiatie bij honours tracks?
Kan de regering deze leden bovendien een indicatie geven van de wijze waarop het experiment wordt geëvalueerd? In artikel 11 lid 2 worden de aspecten genoemd die onderzocht moeten worden, maar een indicatie van de te hanteren methode ontbreekt. Hoe wordt de verhoging van het collegegeld precies gemeten? En op welke wijze denkt de regering de effecten van die verhoging op bijvoorbeeld de toegankelijkheid van dit type onderwijs in kaart te brengen? In het verlengde hiervan: wanneer behoort een bepaald aanbod tot een honours track? Kan bijvoorbeeld het volgen van keuzevakken bij een andere opleiding door die opleiding worden aangeduid als een honours track waarvoor een verhoogd collegegeld mag worden gevraagd?
Hoe wordt in de evaluatie de verhouding bepaald tussen de hogere collegegelden en de meer opbrengst van het honours track, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie Waarom wordt in de evaluatie het belangrijkste argument niet gemeten, namelijk de kwaliteitsverhoging van het honours track? Krijgen deze studenten werkelijk waar voor hun geld?
Volgens WHW 1.7.1.2.d is het bij innovatiebepalingen als het onderhavige experiment vereist dat criteria worden benoemd. 1-loe worden de in het besluit globaal beschreven aspecten voor de evaluatie vertaald in specifieke criteria met grenswaarden voor een al dan niet slagen van het experiment? Deze leden beseffen dat er in de nota van toelichting op enige aspecten wel criteria worden aangeduid, maar vragen ter precisering wat het concreet betekent dat het profiel van de deelnemende excellente studenten (...) ondanks de verhoging van het collegegeld divers (is) gebleven».
Wordt in de evaluatie ook een vergelijking gemaakt met opleidingen waar voor het honours track geen verhoogd collegegeld wordt gevraagd? Hoe worden in de evaluatie de mogelijke weglek-effecten betrokken, waarbij studenten mogelijkerwijs eerder gaan kiezen voor opleidingen waar honours tracks geen verhoogd collegegeld kennen?
Waarom kiest de minister niet per definitie voor een onafhankelijke evaluatie? Zien deze leden hier met recht een spanning tussen het voorgenomen besluit artikel 11.4 waarin dit een kanbepaling is en de nota van toelichting punt 6 waarin dit een voornemen lijkt?
Is de minister bereid om niet alleen bij de evaluatie, maar ook bij het verlenen van toestemming om deel te nemen aan het experiment in 2014 en 2015 de Kamer te informeren over het aantal en de aard van de aanvragen, het aantal en de aard van de toekenningen, het aantal en de aard van de weigeringen, de achterliggende argumenten en alles wat nodig is om tot een goede weging van het experiment te komen?
De commissie ziet de antwoorden op de gestelde vragen graag zo spoedig mogelijk tegemoet.
Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap G. de Vries-Leggedoor
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 december 2013
Bij brief van 29 november 2013 heeft de Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Eerste Kamer mij een aantal opmerkingen en vragen voorgelegd met betrekking tot het ontwerpbesluit experiment collegegelddifferentiatie bij honours tracks. Hierop ga ik, mede namens de minister van Economische Zaken, graag in. Bij de beantwoording volg ik de indeling van genoemde brief. Een afschrift van mijn brief zend ik ter kennisneming aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.
In de nota van toelichting bij het besluit heb ik aangegeven waarom ik dit experiment van belang vind. Het verheugt mij dat de leden van de PvdA-fractie zich in beginsel niet verzetten tegen een kleinschalig experiment en zich niet a priori willen afsluiten van de extra informatie die het experiment kan opleveren. De leden van de GroenLinks-fractie maken zich vooral zorgen over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs dat zij een wezenlijk publiek goed vinden. Zij worden daarin gesteund door de fracties van de PvdA en de SP.
De opvatting dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs een wezenlijk publiek goed is, deel ik. Het experiment is om die reden zodanig met waarborgen omkleed dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs geen gevaar loopt.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen mij of ik met hen van mening ben dat de Strategische Agenda geen argumentatie kan zijn voor het experiment. De Eerste Kamer heeft de Strategische Agenda immers niet goedgekeurd, aldus deze leden.
Ik heb de Strategische Agenda «Kwaliteit in Verscheidenheid» genoemd in onderdeel 2 van de toelichting, omdat dit belangrijk is voor de voorgeschiedenis van het ontwerpbesluit. Het weergeven van deze voorgeschiedenis is niet bedoeld als «eigenstandige argumentatie» voor het ontwerpbesluit. De argumentatie voor het ontwerpbesluit is vooral in onderdeel 3 te vinden, waarin het belang van het experiment uiteen wordt gezet. Dat belang is enerzijds gelegen in het – in financiële zin – faciliteren van instellingen bij het aanbieden van honours tracks en anderzijds in de noodzaak meer informatie te verkrijgen over de effecten van collegegelddifferentiatie op aanbod en toegankelijkheid van honours tracks. Overigens is het niet ongebruikelijk dat bewindspersonen beleid ontwikkelen naar aanleiding van nota’s die wel in de Tweede Kamer, maar niet in de Eerste Kamer zijn besproken.
De leden van de PvdA-fractie hebben een vraag over de toelichting, namelijk waarom de regering schrijft dat de toegankelijkheid van opleidingen door dit experiment «in beginsel» niet in gevaar kan komen. Het gaat hen om de toevoeging «in beginsel». Deze leden vragen zich af of er omstandigheden kunnen zijn waardoor de toegankelijkheid van opleidingen door het experiment in gevaar kan komen.
Ik zie dit als volgt. Omdat een honours track een traject is binnen een opleiding, is er voor een student altijd het alternatief van de opleiding zelf. Volgens die redeneerlijn is er dus geen risico voor de toegankelijkheid van de opleiding als zodanig: die is en blijft gewaarborgd. Het kabinet hecht echter ook zeer aan de toegankelijkheid van honours tracks. Studenten die over de kwaliteiten beschikken om een honours track te volgen, zouden daartoe ook in de gelegenheid moeten worden gesteld. Verhoging van het collegegeld kan afdoen aan de toegankelijkheid van honours tracks. Het experiment strekt er onder meer toe te onderzoeken of dat het geval is. Op deze nuance in de toegankelijkheid (uitsluitend voor honours tracks zou een verminderde toegankelijkheid kunnen ontstaan) doelen de woorden «in beginsel». Het experiment is echter zodanig ingericht dat belemmeringen in de toegankelijkheidssfeer, ook in relatie tot honours tracks, op voorhand zoveel mogelijk worden ondervangen.
De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of een honours track altijd een traject binnen een reguliere opleiding is, zoals artikel 7.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) dat bepaalt, en niet een traject «naast» de opleiding. In de nota van toelichting staat namelijk dat de student «naast» de honours track nog altijd de gewone opleiding «kan» volgen. Deze leden vragen of de regering kan bevestigen dat de student die een honours track volgt, ook altijd tegelijkertijd de reguliere opleiding volgt.
Dat kan inderdaad worden bevestigd. Een honours track is een traject dat studenten binnen – de studieduur van – hun reguliere opleiding volgen. Met «naast de opleiding» is bedoeld dat studenten het onderwijs van de reguliere opleiding en het onderwijs van de track tegelijkertijd, ofwel naast elkaar volgen.
De leden van de PvdA-fractie vragen verder of de regering kan bevestigen dat het niet de bedoeling is van dit experiment om excellente studenten in die reguliere opleiding te isoleren van de overige studenten door hen een zogenaamde «reguliere» opleiding te bieden waarvan het vakkenpakket in de praktijk echter geheel of grotendeels ontoegankelijk is voor de overige studenten.
Ook dat kan ik bevestigen. Het is niet de bedoeling van dit experiment om studenten die een honours track volgen volledig of grotendeels te isoleren van de overige studenten. Het is echter inherent aan het volgen van een honours track dat de daaraan deelnemende studenten – ook – onderwijs volgen dat voor de niet deelnemende studenten niet toegankelijk is. Met de leden van de PvdA-fractie ben ik van oordeel dat een honours track als iets extra’s moet worden gezien voor excellente studenten en niet als vervanging van het onderwijs in de «gewone» opleiding. De precieze vormgeving van een honours track, die gericht is op een hoger eindniveau van de studenten, is overigens aan de instelling zelf. De wet biedt daartoe de ruimte.
De fractieleden van GroenLinks vragen op welke wijze een verhoging van het collegegeld bijdraagt aan het in de gelegenheid stellen van studenten die over de kwaliteiten beschikken om een honours track te volgen. Ook vragen deze leden of ik met hen van mening ben dat op zichzelf genomen een verhoging van het collegegeld deze gelegenheid eerder vermindert. Deze leden vragen of ik het juist vind dat financiële argumenten de studiekeuze gaan bepalen.
De verhoging van het collegegeld voor studenten die een honours track volgen, maakt het mogelijk dat instellingen deze honours tracks kunnen (blijven) aanbieden en dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van de reguliere opleiding. Het experiment wil ik ook gebruiken om te onderzoeken of de verhoging van het collegegeld de toegankelijkheid van honours tracks belemmert. Ik ga ervan uit dat studenten in hun afweging om een bepaalde honours track te volgen óók het financiële argument meenemen. Aan hen is de keuze of ze de verhoging vinden opwegen tegen de meerwaarde van het volgen van een honours track. Ik zal bewaken dat de instellingen voor studenten inzichtelijk maken op welke wijze de honours tracks waarvoor een hoger collegegeld moet worden betaald, een duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte van de reguliere opleidingen.
Ik vind het echter onwenselijk dat studenten een honours track niet volgen uitsluitend omdat ze dit niet kunnen betalen. Het financiële argument mag niet bepalend zijn voor hun keuze. Om die reden kunnen de studenten die het betreft aanspraak maken op verhoogd collegegeldkrediet. Daarnaast is het experiment zo vormgegeven dat de studenten voor wie het hogere collegegeld een te grote belasting vormt, dispensatie kunnen krijgen van de betreffende instelling. In het experiment is dus op verschillende manieren geborgd dat iedereen die over de benodigde kwaliteiten beschikt, een honours track kan volgen.
Ook willen deze leden weten wat ik ervan vind als de economische positie van het gezin van herkomst beslissend wordt voor de studiekeuze.
Ik vind het, zoals hiervoor aangegeven, niet juist als de economische positie van het gezin van herkomst, het financiële argument dus, beslissend wordt voor de keuze om wel of niet een honours track te volgen. Gelet op de mogelijkheden van collegegeldkrediet en de bevoegdheden van de instelling om studenten financiële dispensatie te verlenen, verwacht ik niet dat dit zal gebeuren. Dit aspect zal overigens wel worden meegenomen in de evaluatie van het experiment.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts of de principiële nadruk op het emancipatoire belang van onderwijs niet in de weg staat aan het experimenteren met collegegelddifferentiatie, omdat daarmee extra uitdagingen en excellentietrajecten vooral toegankelijk worden voor die studenten die geen moeite hebben met (maximaal) verdubbeling van het collegegeld.
Ook ik onderschrijf het emancipatoire belang van onderwijs. Ik kan me voorstellen dat studenten in hun afweging om een honours track te volgen het financiële argument meewegen. Zij beslissen zelf of de honours track die de betreffende instelling aanbiedt voor hen voldoende meerwaarde heeft. Dat zet het emancipatoire belang van onderwijs niet onder druk. Dat kan wel het geval zijn als studenten een honours track niet volgen, omdat ze het niet kunnen betalen. Het experiment borgt daarom de toegankelijkheid van deelnemende honours tracks op verschillende, eerder genoemde, manieren.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen aandacht voor de verhouding van kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid en willen in dat verband weten of ik met hen van oordeel ben dat de verhoging van kwaliteit bij gelijkblijvende publieke betaalbaarheid per definitie tot gevolg heeft dat de toegankelijkheid vermindert.
Ik vind het terecht dat deze leden aandacht vragen voor de verhouding van kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid. Juist deze verhouding staat in dit experiment centraal. De opvatting dat een verhoging van de kwaliteit per definitie een vermindering van de toegankelijkheid tot gevolg heeft, deel ik echter niet. Zo is de regering voornemens een leenstelsel in te voeren, waarvan de opbrengsten geïnvesteerd kunnen worden in de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs, zonder dat het ten koste gaat van de toegankelijkheid.
Mogelijk doelen deze leden op het uitgangspunt dat honours tracks gericht zijn op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten en dat niet alle studenten hiervoor op basis van hun capaciteiten in aanmerking komen. Honours tracks zijn bedoeld als instrument om tegemoet te komen aan de verschillen tussen studenten. Honours tracks richten zich op studenten die meer uitdaging willen en qua talent en ambitie ook meer aankunnen. Honours tracks zijn dus per definitie gericht op een selecte groep studenten.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen in het licht van het voorgaande wat mijn oordeel is over het beëindigen van de subsidies in het kader van het Siriusprogramma. Dat heeft volgens deze leden tot gevolg dat de financiering van excellentietrajecten van publiek naar privaat gaan. Zij willen weten wat de principiële redenering is achter deze verschuiving.
Ik zal dat toelichten. Met het Siriusprogramma is aan een beperkt aantal instellingen subsidie verstrekt voor het opzetten van honours tracks. Hiervoor is uit de middelen van het Fonds Economische Structuurversterking voor 2008, 2009, 2010 en 2011 een budget van totaal € 50 miljoen beschikbaar gesteld om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop excellentie en rendement in het hoger onderwijs gerealiseerd kunnen worden en welke belemmeringen daarvoor in de huidige situatie bestaan. Er is op dit moment geen financiële ruimte om het Siriusprogramma door te zetten. De opbrengst die voortvloeit uit de hervorming van het studiefinancieringsstelsel biedt de mogelijkheid tot een investering in het hoger onderwijs. Hierbij kan ook gedacht worden aan een investering in (verduurzaming) van honours tracks.
Dit neemt niet weg dat de subsidies uit het huidige Siriusprogramma voor een beperkt aantal jaren zijn toegekend. Het is van meet af aan duidelijk geweest dat deze subsidies zouden aflopen. De instellingen die een subsidie hebben gekregen zijn om die reden gevraagd na te denken over verduurzaming van deze trajecten na afloop van de subsidieperiode. In de door mijn voorganger in 2011 gesloten hoofdlijnenakkoorden is afgesproken dat instellingen door verruiming van de mogelijkheden voor collegegelddifferentiatie op onderdelen hogere private bijdragen van deelnemers kunnen vragen, om de hogere kosten van het betreffende onderwijs te dragen. Enkele instellingen hebben daarom bij hun plannen voor de verduurzaming van deze trajecten rekening gehouden met deze aangekondigde verruiming van de mogelijkheden.
Deze leden vragen of ik hun opvatting deel dat alle onderwijs excellent en uitdagend dient te zijn. Daarbij vragen zij wat dan de argumentatie is om bij honours tracks een hoger collegegeld te mogen vragen om de meerkosten voor excellentie te dragen.
Mijn opvatting is vooral dat differentiatie in het onderwijs noodzakelijk is. Uitdagend onderwijs ziet er namelijk niet voor iedere student hetzelfde uit. Voor sommige studenten, bijvoorbeeld voor hen met beperkingen, is het halen van een zes al een enorme uitdaging. Zij moeten daarbij worden ondersteund. Mijn opvatting is dat ook excellente studenten op hun niveau moeten worden uitgedaagd. Honours tracks kunnen naast de reguliere opleiding voor een extra uitdaging zorgen voor studenten die dat aankunnen.
De reden om voor honours tracks te experimenteren met een hoger collegegeld heb ik in de nota van toelichting bij het besluit uiteengezet. Van belang is onder meer dat ik gehoor wil geven aan het geluid van de VSNU en instellingen om deze kostbare vorm van onderwijs mogelijk te houden, zonder dat het ten koste gaat van de kwaliteit van de reguliere opleiding.
De leden van GroenLinks vragen hoe ik voorkom dat door het experiment de reguliere programma’s suboptimaal zullen worden ingevuld.
Met het experiment krijgen instellingen extra financiële ruimte om de honours tracks aan te (blijven) bieden. Op die manier hoeft dat juist niet ten koste te gaan van de kwaliteit van de reguliere opleiding.
De leden van de PvdA-fractie vragen om een omschrijving van het kleinschalige karakter van het experiment.
Het kleinschalige karakter van dit experiment zal op verschillende manieren tot uiting komen. Zo zullen:
– een beperkt aantal instellingen mogen deelnemen;
– een beperkt aantal honours tracks mogen deelnemen, en;
– een beperkt aantal studenten dat een honours track volgt, geconfronteerd mogen worden met verhoogd collegegeld.
Afhankelijk van het aantal en de omvang van de tracks die worden aangemeld voor deelname aan het experiment en de wijze waarop deze tracks zijn vormgegeven, zal worden beoordeeld of deelname van één of meer tracks moet worden geweigerd.
Ten aanzien van de uitvoering hebben de leden van de GroenLinks-fractie nog een reeks vragen. Zij vragen om te beginnen hoeveel honours tracks er op dit moment in het hoger onderwijs bestaan. Ook vragen ze welke belangstelling ik verwacht van instellingen om deel te nemen aan het experiment.
Om een beeld te geven van het aanbod van honours tracks zal ik deze vraag breder beantwoorden. De honours tracks worden door instellingen zeer verschillend vormgegeven. Er bestaan honours tracks die gericht zijn op de studenten van een enkele opleiding. Daarnaast bestaan honours tracks die gericht zijn op studenten vanuit meerdere opleidingen – al dan niet binnen dezelfde faculteit. Zo biedt de ene instelling vele honours tracks aan, waaraan een beperkte groep studenten per track deelneemt. Andere instellingen bieden juist brede honours tracks aan, waaraan bijvoorbeeld honderd studenten per track deelnemen. Ze zijn in de praktijk ook zeer verschillend in duur. Waar het ene traject een jaar duurt, loopt een ander gelijk aan de volledige drie jaar van de reguliere bachelor.
Het aantal honours tracks wordt niet geregistreerd, dus het precieze aantal kan ik niet verstrekken. Bovendien zijn veel instellingen bezig om hun aanbod aan honours tracks uit te breiden en verandert het aantal doorlopend.
Het gaat altijd om een selecte groep studenten die aan een honours track deelneemt. Instellingen selecteren op grond van artikel 7.9b van de WHW op de beste studenten uit de reguliere opleiding.
Tot dusver hebben twee instellingen die mogelijk interesse hebben, zich gemeld. Hiervan heeft een instelling interesse om deel te nemen met een beperkt aantal honours tracks. De andere instellingen heeft interesse om deel te nemen met alle honours tracks, die interfacultair georganiseerd zijn. Een aantal instellingen heeft na de bekendmaking van het experiment gemeld dat ze geen interesse hebben. De officiële uitnodiging aan instellingen om deel te nemen aan het experiment is echter nog niet verzonden. In de berekening van de administratieve lasten ben ik uitgegaan van een ruime schatting (drie instellingen in 2014 en vier instellingen per 2015 voor hbo en wo gezamenlijk).
De leden van de GroenLinks-fractie willen weten hoe ik het begrip «grote belangstelling» in artikel 7.4 opvat.
Het begrip «grote belangstelling» is in het besluit opgenomen om de kleinschaligheid van het experiment ook in juridische zin te waarborgen. Het biedt mij de mogelijkheid om in de situatie waarin het aantal aanvragen de verwachtingen (vergaand) overtreft, een beperking aan te brengen in het aantal deelnemers.
Deze leden vragen mij ook of er voldoende honours tracks tegen wettelijk collegegeld beschikbaar blijven.
Ik zal zeker bewaken dat er voldoende honours tracks tegen wettelijk collegegeld beschikbaar blijven. Zoals ik eerder heb aangekondigd, staat mij een beperkt experiment voor ogen. Dat betekent dat een beperkt deel van de honours tracks in het experiment kan meedoen. In het besluit heb ik daarom de bepaling opgenomen dat de minister bij gebleken grote belangstelling de omvang van het experiment kan beperken.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of unieke tracks worden uitgesloten van het experiment.
Er worden vooraf geen tracks uitgesloten van het experiment. Ook tracks die verbonden zijn aan een unieke opleiding mogen worden aangemeld voor deelname aan het experiment. Van belang is wel dat alle studenten, óók die in unieke opleidingen, de opleiding in reguliere vorm kunnen volgen.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een specifieke instelling zowel in 2014 als 2015 honours tracks kan aanmelden voor het experiment.
Daartegen bestaat geen bezwaar. Het ontwerpbesluit staat hierin niet in de weg.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen voorts hoe wordt omgegaan met tracks die interfacultair zijn georganiseerd. Zij willen weten of alle betrokken faculteiten dan onder het besluit vallen en of dat zou kunnen betekenen dat de facto de hele universiteit onder het experimentbesluit valt.
Het experiment gaat uit van honours tracks als bedoeld in artikel 7.9b van de WHW («een speciaal traject binnen een opleiding gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten»). De wijze waarop dergelijke honours tracks worden vormgegeven, is niet voorgeschreven. Op basis van artikel 7.9b zijn honours tracks die interfacultair zijn georganiseerd dus niet uitgesloten. Toestemming voor deelname aan het experiment wordt inderdaad verleend op het niveau van een track. Indien een track zo is vormgegeven dat studenten van verschillende faculteiten aan deze track kunnen deelnemen en voor de track aan de instelling toestemming wordt verleend voor deelname aan het experiment, zal het verhoogde collegegeld voor al deze studenten gelden. Het kan dus betekenen dat alle faculteiten van een universiteit, als die een gezamenlijke interfacultaire honours track aanbieden, in het experiment vallen.
De leden van de GroenLinks-fractie willen weten hoe wordt bepaald of het hogere collegegeld een onevenredige belasting vormt voor studenten, mede in het licht van de uitleg in de nota van toelichting dat dispensatie alleen in bijzondere gevallen verleend dient te worden. Zij vragen of hiervoor de gebruikelijke criteria van het profileringsfonds gelden en willen in dat verband weten of dit betekent dat de bepalingen een wassen neus zijn.
Instellingen die in het kader van het experiment toestemming wordt verleend een hoger collegegeld te vragen voor één of meer honours tracks, zijn verplicht een dispensatieregeling vast te stellen. Het is aan de instelling om hier inhoud aan te geven. Instellingen zijn in de gelegenheid om met deze regeling, in aanvulling op het collegegeldkrediet, maatwerk te bieden. Het ontwerpbesluit schrijft overigens niet voor zoals deze leden suggereren dat de dispensatieregelingen van instellingen zich dienen te beperken tot bijzondere gevallen. In de nota van toelichting is uitsluitend een verwachting uitgesproken.
Een dispensatieregeling is niet hetzelfde als het profileringsfonds. Er kunnen dus andere criteria worden gebruikt. Ik zie deze bepaling niet als een «wassen neus». Ik ga ervan uit dat instellingen deze regeling zo toepassen dat geen van de studenten die op basis van talent en ambitie in aanmerking komen voor deelname aan een honours track op financiële gronden wordt uitgesloten van deelname.
De leden van de GroenLinks-fractie willen weten of in de evaluatie ook wordt meegenomen wat de gevolgen zijn van het opnemen van extra collegegeldkrediet voor de studieschuld van studenten en de beperkingen die die schuld met zich meebrengt voor het aangaan van een hypotheek of bedrijfslening.
In de evaluatie wordt meegenomen hoeveel gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om extra collegegeldkrediet te lenen. Het ontwerpbesluit voorziet op het onderdeel van de evaluatie niet in het onderzoeken van het effect van studieschuld op het aangaan van een hypotheek of bedrijfslening. Overigens is bekend dat banken rekening houden met het effect van de studieschuld op een hypotheek. Banken nemen bij studieleningen 0,75% van de oorspronkelijke kredietsom per maand in aanmerking als financiële last. Dit percentage reflecteert de gemiddelde maandelijkse lasten van een studielening, uitgaande van de maximale rente van de nu lopende renteperiodes. Voorheen was dit 2%.
De leden van de GroenLinks-fractie stellen een aantal vragen over de criteria van artikel 7. Zij vragen of hun interpretatie klopt dat artikel 7 alleen criteria voor weigering bevat en dat dus alle aanvragen gehonoreerd worden, tenzij die strijdig zijn met dit artikel. Verder willen deze leden weten waarom niet is gekozen voor een mits-constructie met positieve criteria. Ook willen zij weten wat concreet bedoeld wordt met artikel 7.5b, waar gemeld wordt dat toestemming geweigerd kan worden indien het aannemelijk is, dat deelname aan het experiment negatieve effecten heeft voor de bijbehorende opleiding. Voorts vragen ze waarom dit element ontbreekt in de aspecten die in de aanvraag door het instellingsbestuur aan de orde moeten komen. Ook vragen ze hoe bepaald wordt wat aannemelijk is wanneer dit niet in de aanvraag aan de orde komt. Diezelfde vragen hebben deze leden ten aanzien van artikel 7.5c. Ze vragen hoe de «onaanvaardbare beperking van de toegankelijkheid» beoordeeld wordt.
Graag licht ik de betekenis van artikel 7 toe. Elke aanvraag die voldoet aan de vereisten van artikel 6, kan door middel van mijn toestemming, worden gehonoreerd. Het verlenen van toestemming vindt niet willekeurig plaats, maar volgens wettelijke criteria. De toestemmingsfiguur en de vastgestelde criteria zorgen ervoor dat een afweging kan worden gemaakt tussen het belang van het experiment, het belang van de toegankelijkheid en de belangen van de bij het experiment betrokken studenten. Dat is de kern van artikel 7. Omdat de essentie van dit ontwerpbesluit is dat het kabinet een experiment mogelijk wil maken, met andere woorden, dat deelname aan het experiment door het kabinet juist wenselijk wordt geacht, is gekozen voor de benadering «deelname is toegestaan, tenzij».
Op grond van artikel 7, vijfde lid, onder b, kan toestemming worden geweigerd indien het aannemelijk is dat deelname aan het experiment negatieve effecten heeft voor de opleiding waarvan de honours track deel uitmaakt. Deze weigeringsgrond is van belang omdat ik wil voorkomen dat een instelling de honours track laat prevaleren boven het reguliere onderwijs. Ik deel niet de opvatting van deze leden dat dit element niet zou terugkomen in de aanvraagvereisten. Immers, in de aanvraag geeft het instellingsbestuur inzicht in zowel de inhoud van de honours track als in de inhoud van de opleiding waarvan de honours track deel uitmaakt. Aldus krijg ik inzicht in de onderlinge verhouding tussen beide opleidingsroutes. In voorkomend geval kan ik de aanvrager om aanvullende informatie vragen. Uiteindelijk bepaal ik – uiteraard binnen de grenzen van de redelijkheid – of de omstandigheid van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, aannemelijk is. Dat geldt ook voor artikel 7, vijfde lid, onder c. Indien de honours track bijvoorbeeld uitsluitend toegankelijk zou zijn voor buitenlandse studenten of indien de dispensatieregeling ernstig onder de maat is, zal dat een reden zijn om toestemming te weigeren. Ik verwacht niet dat dergelijke situaties zich zullen voordoen, maar het is wel van belang dat ik een instrument in handen heb om zo nodig ongewenste effecten tegen te gaan. Tegen mijn (negatieve) besluiten staan bezwaar en beroep open.
Ten aanzien van de informatieverplichting aan studenten vragen de leden van de GroenLinks-fractie of de termijnen niet te kort zijn.
Waar het mij om gaat, is dat studenten op de hoogte moeten zijn van het hogere collegegeld vóór hun keuze voor een honours track. De procedure zoals geschetst in het ontwerpbesluit maakt dit mogelijk. De termijnen zijn om die reden niet te kort. Overigens merk ik dat de bekendmaking van het experiment al heeft geleid tot communicatie tussen instellingen en studenten over de intentie tot wel of geen deelname aan het experiment. Ook zal ik instellingen die zich aanmelden voor het experiment vragen studenten alvast hier op te wijzen.
Deze leden vragen mij of het, gelet op de indieningstermijnen voor aanvragen om aan het experiment deel te nemen, realistisch is te veronderstellen dat de instellingen aankomende studenten tijdig kunnen informeren. Studenten moeten zich immers voor 1 mei aanmelden. Deze leden vragen of de informatieperiode niet tenminste drie maanden zou moeten bedragen.
Ik acht dat inderdaad realistisch, rekening houdend met het feit dat instellingen zich al eerder beraden op deelname aan het experiment. Overigens vindt de inschrijving voor een honours track niet in alle gevallen op hetzelfde moment plaats als de inschrijving voor een opleiding.
De leden van de PvdA-fractie vragen mij te bevestigen dat in de frase op pagina 8 in de nota van toelichting: «Het experiment kan als succesvol worden beschouwd... » niet gelezen mag worden dat een honours track succesvol is als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. Immers, succes van een honours track kan niet worden vastgesteld door de afwezigheid van negatieve effecten (zoals opgesomd onder a-d), maar alleen door het vaststellen van positieve effecten en die worden door dit experiment niet gemeten, aldus deze leden.
Dit kan ik bevestigen. Een honours track mag niet als succesvol worden beschouwd als aan de voorwaarden op pagina 8 van de nota van toelichting is voldaan. Deze criteria zijn echter niet gericht op het succes van een honours track maar op het succesvol zijn van het experiment.
Ook deel ik de mening van de leden van de PvdA-fractie dat de regering op basis van een goed uitgevoerd experiment ook «nee» moet kunnen zeggen tegen het idee van collegegelddifferentiatie bij honours tracks.
De fractieleden van de PvdA vragen verder of de regering een indicatie kan geven van de wijze waarop het experiment wordt geëvalueerd. Aansluitend vragen zij hoe de verhoging van het collegegeld precies wordt gemeten, volgens welke methode en op welke wijze de regering denkt de effecten van die verhoging op bijvoorbeeld de toegankelijkheid van dit type onderwijs in kaart te brengen.
Voorop gesteld zij dat tijdig een zorgvuldig uitgedachte evaluatieopzet zal worden gemaakt en dat dan de onderzoeksmethodes definitief zullen worden vastgesteld. In de evaluatie wordt allereerst per deelnemende honours track bekeken hoeveel de verhoging van het collegegeld betreft. Deze gegevens levert de instelling aan. De verhoging wordt afgezet tegen de mate waarin dit effect heeft gehad op onder meer het aanbod van (plaatsen in) honours tracks, de deelname en het leengedrag van studenten. Om dit te kunnen meten zullen studenten in de tracks en in de bijbehorende reguliere opleiding(en) worden bevraagd over de mate waarin de verhoging van het collegegeld voor hen bepalend is voor deelname aan de honours track. Op diezelfde wijze kan worden onderzocht wat het effect is van de verhoging op het leengedrag van studenten. Daarnaast kunnen de uitkomsten voor een aantal aspecten zoals de keuzemotieven en het leengedrag van studenten worden vergeleken met uitkomsten uit de jaarlijkse Monitor beleidsmaatregelen. De opvattingen van studenten vormen zodoende een belangrijk onderdeel van de evaluatie als het gaat om het effect van collegegelddifferentiatie op de toegankelijkheid van honours tracks. Om het effect van de verhoging op de inhoud van de honours track en de reguliere opleiding in kaart te brengen zullen zowel docenten als studenten bij de evaluatie worden betrokken. Afhankelijk van de omvang van het experiment kunnen zij via een enquête of tijdens een gesprek worden bevraagd. De evaluatie kan, indien de belangstelling zeer beperkt is, op deze wijze meer kwalitatief in plaats van kwantitatief worden ingevuld.
In het verlengde hiervan vragen deze leden wanneer een bepaald aanbod tot een honours track behoort. Deze leden willen weten of bijvoorbeeld het volgen van keuzevakken bij een andere opleiding door die opleiding kan worden aangeduid als een honours track waarvoor een verhoogd collegegeld mag worden gevraagd.
Op grond van artikel 7.9b van de WHW behoort het te gaan om een speciaal traject binnen een opleiding gericht op het behalen van een hoger kennisniveau van studenten. Een honours track moet dus worden aangeboden als onderdeel van een opleiding. Dit sluit niet uit dat een honours track elementen uit een andere opleiding kan bevatten die gericht zijn op een hoger kennisniveau. Studenten extra collegegeld vragen voor het volgen van keuzevakken bij een andere opleiding, is echter niet mogelijk. Ik zal aanvragen voor deelname ook op dit aspect toetsen.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe in de evaluatie de verhouding wordt bepaald tussen de hogere collegegelden en de meeropbrengst van honours tracks.
De evaluatie zal inzicht geven in de mate waarin de verhoging van het collegegeld invloed heeft gehad op de inhoud van de honours tracks en van de opleiding waarvan de honours track deel uit maakt. Dat is één van de aspecten die worden genoemd in artikel 11, tweede lid onder e. Er wordt echter geen specifiek onderzoek gedaan naar een relatie tussen de hoogte van het collegegeld en de meeropbrengst van de honours track. Een instelling moet inzichtelijk maken wat de meerwaarde van de betreffende honours track is ten opzichte van de reguliere opleiding. Voor de student moet duidelijk zijn dat er tegenover het verhoogde collegegeld ook echt extra inspanningen van de instelling staan.
Ook willen de leden van de GroenLinks-fractie weten waarom in de evaluatie het belangrijkste argument niet wordt gemeten, namelijk de kwaliteitsverhoging van de honours track. In andere woorden, of deze studenten werkelijk waar voor hun geld krijgen.
In de evaluatie staat voorop dat het experiment ten doel heeft meer inzicht te verkrijgen in het effect van collegegelddifferentiatie op het aanbod en de toegankelijkheid van honours tracks. De opinie van docenten en studenten is een belangrijk element van de evaluatie. Zij kunnen gevraagd worden naar een waardering van de honours tracks. In die zin komt de kwaliteit van de honours tracks wel degelijk aan de orde in de evaluatie. Het is echter niet het doel van dit experiment om de directe relatie hiertussen te onderzoeken.
Deze leden wijzen erop dat artikel 1.7a vereist dat de evaluatiecriteria worden benoemd. Zij vragen hoe de in het besluit globaal beschreven aspecten voor de evaluatie vertaald worden in specifieke criteria met grenswaarden voor een al dan niet slagen van het experiment.
Voor de uitwerking van de verschillende aspecten van de evaluatie verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie over de evaluatiemethoden. Het spreekt voor zich dat er een zorgvuldig evaluatieplan wordt opgesteld dat onderzoekstechnisch verantwoord dient te zijn. Welke methodieken daarbij zullen worden gehanteerd kan ik op voorhand echter nog niet aangeven. Indien de omvang van het experiment erg beperkt is, kan het voor de evaluatie relevanter zijn om de criteria meer kwalitatief in plaats van kwantitatief te onderzoeken.
Deze leden vragen vervolgens in verband met het voorgaande ter precisering wat het concreet betekent dat «het profiel van de deelnemende excellente studenten (...) ondanks de verhoging van het collegegeld divers (is) gebleven».
Dat betekent concreet het volgende. Het profiel van de deelnemende excellente studenten is onderdeel van de evaluatie om te kunnen onderzoeken of iedere student die de kwaliteiten bezit, ook de (financiële) mogelijkheid heeft om deel te nemen aan een honours track. Zo worden in de evaluatie studenten in de reguliere opleiding gevraagd naar hun motivatie voor de keuze de honours track niet te volgen. Ook wordt er gekeken naar het profiel van de studenten in de honours tracks. Het gaat daarbij om de economische achtergrond (gezinssituatie) en economische positie van deze studenten.
De leden vragen of er in de evaluatie ook een vergelijking wordt gemaakt met opleidingen waarbij voor de honours track geen verhoogd collegegeld wordt gevraagd. Ook vragen deze leden hoe in de evaluatie de mogelijke weglek-effecten worden betrokken, waarbij studenten mogelijkerwijs eerder gaan kiezen voor opleidingen waar honours tracks geen verhoogd collegegeld kennen.
De vergelijking tussen studenten in honours tracks binnen het experiment en honours tracks daarbuiten is in ieder geval mogelijk als in de evaluatie gebruik wordt gemaakt van de jaarlijkse Monitor beleidsmaatregelen. Zoals eerder gezegd, ben ik van plan om een aantal aspecten in de evaluatie, zoals de keuzemotieven en het leengedrag van studenten, te laten vergelijken met uitkomsten uit de Monitor beleidsmaatregelen. Op deze wijze kan eveneens worden gekeken naar de motieven van studenten die voor een opleiding hebben gekozen om de reden dat ze daar voor de bijbehorende honours track geen verhoogd collegegeld betalen.
De leden van de GroenLinks-fractie willen weten waarom ik niet voor een onafhankelijke evaluatie kies.
De reden daarvoor is dat ik in dat opzicht graag enige flexibiliteit inbouw. Er kunnen praktische overwegingen zijn om de evaluatie zelf uit te voeren en geen aanvullende kosten te maken, vooral indien mocht blijken dat de omvang van het experiment zeer bescheiden blijft. Als de opzet van de evaluatie van het experiment de inzet van een onafhankelijke derde vereist, zal ik dit doen. Overigens is in het Besluit experiment uitbreiding bindend studieadvies eenzelfde bepaling opgenomen. Ook uit een oogpunt van uniforme regelgeving hecht ik eraan de evaluatie op dezelfde wijze te regelen.
Voorts vragen deze leden of zij met recht een spanning zien tussen het voorgenomen besluit waarin een «kan»-bepaling is geformuleerd en de nota van toelichting waarin de onafhankelijke evaluatie een voornemen lijkt.
Die spanning zie ik niet. In de nota van toelichting wordt onder 6 aangegeven dat de evaluatie kan worden meegenomen in de jaarlijkse Monitor beleidsmaatregelen. Dat is ook in het belang van de instellingen, aangezien zo de administratieve lasten van de evaluatie beperkt blijven. Vandaar mijn voornemen om zoveel mogelijk gebruik te maken van deze jaarlijkse Monitor beleidsmaatregelen voor de evaluatie van dit experiment. Deze Monitor beleidsmaatregelen wordt door een onafhankelijke organisatie uitgevoerd. Dat levert geen spanning op met artikel 11, vierde lid. Artikel 11, vierde lid, biedt de ruimte gebruik te maken van de diensten van die derde.
Tenslotte willen de leden van de GroenLinks-fractie weten of niet alleen bij de evaluatie, maar ook bij het verlenen van toestemming om deel te nemen aan het experiment in 2014 en 2015 de Kamer geïnformeerd kan worden over het aantal en de aard van de aanvragen, het aantal en de aard van de toekenningen, het aantal en de aard van de weigeringen, de achterliggende argumenten en alles wat nodig is om tot een goede weging van het experiment te komen.
Ik ben hiertoe bereid en zeg toe dat ik de Kamer deze informatie zal verstrekken.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker
Samenstelling:
Holdijk (SGP), Dupuis (VVD), Linthorst (PvdA), Kox (SP), Sylvester (PvdA), Essers (CDA), Engels (D66), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU) Schaap (VVD), De Vries-Leggedoor (CDA) (voorzitter), Lokin-Sassen (CDA), Backer (D66), Ganzevoort (GL) (vice-voorzitter), De Lange (OSF), Koole (PvdA), Sent (PvdA), Vlietstra (PvdA), Van Strien (PVV), Sörensen (PVV), Frijters-Klijnen (PVV), Bruijn (VVD), Gerkens (SP)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33519-G.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.