33 486 (R 1994) Goedkeuring van het op 12 mei 2011 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Peru (Trb. 2011, 109)

Nr. 10 MOTIE VAN HET LID DE WIT

Voorgesteld 19 september 2013

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland streng blijft vasthouden aan de eis dat een gedetineerde Nederlander in het buitenland slechts voor overbrenging naar een Nederlandse gevangenis in aanmerking komt bij een strafrestant van vier tot zes maanden, vanwege het belang van resocialisatie;

constaterende dat het vasthouden aan deze eis van het strafrestant ertoe leidt dat Nederlanders vrijwel steeds in de buitenlandse cel blijven zitten, waarmee het belang van de resocialisatie in het geheel niet gediend is;

verzoekt de regering, de mogelijkheden te onderzoeken om minder streng vast te houden aan de eis van het strafrestant, bijvoorbeeld door buitenlandse straffen zodanig om te zetten dat er steeds sprake is van een strafrestant van enkele maanden dat dan in Nederland gebruikt kan worden om de gedetineerde voor te bereiden op terugkeer in de samenleving, over dat onderzoek de Kamer te berichten en met voorstellen te komen waardoor meer gedetineerde Nederlanders in het buitenland gebruik kunnen maken van de verdragen inzake overbrenging van gevonniste personen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De Wit

Naar boven